Achtbare Meester en Gij Allen Mijne Broeders en Zusters,


"Ongelofelijk toch dat in zo'n bar en doelloos en zinloos heelal, waarin de melkwegstelsels van elkaar wegvluchten, en dat, naar het zich nu laat aanzien, zo'n vijftien miljard jaar geleden uit een volmaakt willekeurige quantumfluctuatie in ÈÈn reusachtige Big Bang werd geboren, op een achterafplaneetje in de buitenwijken van ÈÈn van de miljarden melkwegstelsels, een agressieve diersoort ontstond, waarvan vooral de mannelijke leden van de soort elkaar vrijwel onophoudelijk naar het leven staan, maar waarvan een paar hoofdzakelijk ook weer mannelijke leden van die soort, onsterfelijke bijdragen leverden aan een kunst die je verzoent met het bestaan en je soms zelfs het gevoel geeft dat dit heelal met al wat daarin ogenschijnlijk maar zo zin- en doelloos uitdijt, misschien toch nog een weliswaar voor ons verborgen doel of zin of betekenis heeft, van welke betekenis of doel of zin bijvoorbeeld het adagio uit het strijkkwintet van Schubert, de Barcarolle van Chopin, of het Largo uit het dubbelconcert voor twee violen van Bach een overigens moeilijk te vatten afspiegeling lijkt te zijn." (Maarten 't Hart, Du holde Kunst. Over muziek, 1994, p. 14) Dit bouwstuk zal handelen over plannen met kleine p en plannen met grote p, over kleine levens en over grote levens, over volleefde levens en niet te voltooien levens. Twee delen, respectievelijk getiteld "Het wurgende van de oneidigheid" en "Het bevrijdende van de eindigheid" met een muzikaal intermezzo.

Eerste deel: het wurgende van de oneindigheid. Laat ik beginnen met een triviale vaststelling: de mens maakt plannen en moet ze maken. Wat zal ik eten deze middag? Hoe moet ik de trein nemen naar de kust? Hoe kan ik mijn bankrekening verbeteren?... Dat zijn allemaal kleine problemen die meestal met een lokaal, bescheiden plan kunnen worden aangepakt en opgelost. De basisreden voor deze plannenmakerij is eenvoudig: overleving. Of, als je het iets rustiger wil uitdrukken, de mens is een actief wezen - volkomen passiviteit betekent het einde van een mensenleven: je moet ademen, je moet eten,... - dus moeten bepaalde handelingen worden gesteld. Een zuiver toevalsmatig gedrag is onvoldoende om overleving te garanderen, dus moet er geselecteerd worden in de mogelijke probleemsituaties en -oplossingen en dat heet precies plannen maken.
Maar de mens kan niet volstaan met de korte-termijn, lokale plannen. De volgende stap is dat het individu en de ander als volwaardige partners in dat plan voorkomen. Wat de tijd betreft, is het evident dat ik verder moet kijken dan mijn neus lang is. Dat ik verder moet kijken dan de waarschijnlijke duur van dit leven. Dus ben ik evenzeer verplicht om over te gaan tot planningen op middellange termijn.
Plannen op middellange termijn roepen een interessante vraag op: welke overleven? Slechts die middellange-termijn plannen hebben een kans op succes die zich laten omzetten in een programma van uitvoerbare korte-termijn plannen en slechts die korte-termijn plannen zijn de moeite waard te worden uitgevoerd indien ze kunnen ingepast worden in een middellang plan dat een "groter" doel realiseert. In het eerste geval definiéren de korte-termijn plannen rand- en beginvoorwaarden voor het middellange plan; in het tweede geval gebeurt er iets speciaals: door de aanwezigheid van een middellang plan waarin een korte-termijn plan zich situeert, wordt het mogelijk om het korte-termijn plan te verantwoorden. Vraag: "Waarom moet ik dat doen?". Antwoord: "Omdat het onderdeel uitmaakt van een groter plan".
En het groter plan dan? Ik beweer niet dat deze vraag zich noodzakelijk zal stellen, maar het minste wat men kan beweren is dat de voorwaarden voor het poneren van de vraag aanwezig zijn. Is de kans dan niet groot dat men uitkomt op de ultieme vraag: is er een Plan (grote p)? En zo ja, dan bezitten we het ultieme antwoord op alle vragen van de aard "Waarom moet ik dit of dat doen?": "Omdat het onderdeel uitmaakt van het Plan (grote p)".
Hoe ziet zo'n plan (grote p) eruit? Op zijn minst de volgende eigenschappen moeten aanwezig zijn:

(a) Aangezien een Plan (grote p) een Doel (grote d) veronderstelt - zoals elke micro-handeling van de mens een plan veronderstelt dat een bepaald doel moet zien te bereiken - moet dat Doel op zijn minst expliciet uitdrukbaar zijn.
(b) Indien het Plan effectief de mens overstijgt, moet het een universele waarde bezitten, want het mag niet aan deze of gene mens toekomen om uit te maken of het Plan (grote p) juist is of niet.
(c) Indien het Plan effectief de mens overstijgt, moet het uniek zijn. Indien meerdere Plannen werkzaam zouden zijn, dan zou dat de individuele mens voor een keuze stellen en dat zou in tegenspraak zijn met het universeel karakter.
(d) Uit het Plan om te overleven moet afleidbaar zijn hoe middellange-termijn en korte-termijn plannen moeten worden bepaald. Want, uiteindelijk, is dat het startpunt geweest: ik wou mijn plannetjes een grotere samenhang geven.
(e) Ten slotte - en vermoedelijk is dat wel het wezenlijke punt - aangezien het Plan een Doel heeft, staat de mens, de samenleving, de mensheid,... voor de opdracht dit Doel te realiseren. Hieruit moet volgen dat het Doel niet in deze wereld, waarin wij ons hier en nu bevinden, haalbaar mag zijn. Argument: wat als we klaar zijn? Hoe kunnen we nog handelingen verantwoorden nadien? Niet meer in termen van het globale Plan, want dat is verwezenlijkt. Dus, blijkbaar wordt alles volkomen gratuit nadien. Om deze situatie te vermijden, wordt het Doel best buiten alle haalbaarheid geplaatst. Het wordt een Doel op oneindig, waardoor het Plan een verwijzing krijgt buiten deze wereld, met name het Doel (grote d).

Welke gevolgen mag men verwachten van het bestaan van een dergelijk Plan met een dergelijk Doel? Ik som de drie belangrijkste op

(a) De combinatie van universaliteit en de uniciteit kan een levensgevaarlijk (letterlijk) resultaat opleveren. Veronderstel een samenleving waarin een deel van de leden meent het Plan en het Doel gevonden te hebben. Aangezien het niet mensgegeven of mensgemaakt is, moet het Plan en het Doel voor iedereen van toepassing zijn. Wat wil zeggen dat wie afwijkt, wordt terechtgewezen op welke wijze dan ook.
(b) Het Doel op oneindig draagt de geruststellende gedachte met zich mee dat er meer is dan alleen deze wereld, maar tegelijk wordt deze schamele wereld een verwaarloosbaar gegeven. Het Plan geeft zin aan het leven, maar dat leven zelf in zijn eindigheid verdwijnt in het niets. Met een wiskundige metafoor uitgedrukt, is het, aan de ene kant, zo dat alle eindige getallen voor het oneindige weliswaar volkomen gelijk zijn, maar is het, aan de andere kant, zo dat ze alle gelijk zijn aan nul of niets tegenover het oneindige. Ik noem dit de spanning eindig-oneindig.
(c) Er is een tweede spanning. Plannen (grote p) zijn doorgaans eenvoudig gesteld, maar de verscheidenheid van gewone, dagelijkse handelingen is groot. Grof gesteld, blijven er drie mogelijkheden over: maak het plan (grote p) complexer, maak de wereld eenvoudiger of ontwikkel tussenstappen. Het eerste geval verwerp ik meteen als volslagen irrealistisch.
In het tweede geval treedt, wat ik noem, het fenomeen van ontaarding op. Ik bedoel ermee dat de algemene principes zoals neergelegd in het Plan strikt moeten worden gevolgd omdat de boodschap uiteindelijk is dat de complexiteit van de alledaagse wereld een schijncomplexiteit is en dat een levenswijze en -handel exact volgens het Plan de enig juiste en ware is. Dat gevolg hoeft, denk ik, niet met voorbeelden te worden geïllustreerd. Plannen die aan een mensenleven dat alleen maar een mensenleven is, eisen opleggen die onhaalbaar zijn, dus onmenselijk zijn, verdienen het etiket mensonterend. Dat is de enige reden dat ik zo'n geladen term als ontaarding in de mond heb durven nemen.
In het derde geval heb je te maken met het fenomeen van het dubbel gelaat. Stel dat tussenprincipes worden ontwikkeld. "Spreek altijd de waarheid, maar een leugentje om bestwil moet kunnen", is een eenvoudig voorbeeld. Uiteindelijk zal men verder werken met de tussenprincipes en des te sterker naarmate ze beter aansluiten bij de dagelijkse praktijk. Dus mag een breuk worden verwacht. Aan de ene kant, het Plan (grote p) - denken we maar aan het meest klassieke voorbeeld mogelijk: de tien geboden - aan de andere kant een moraal en ethiek voor dagdagelijks gebruik.

Deze al te summiere bespreking verantwoordt de volgende vraag: hebben wij een Plan en een Doel nodig? Dan ga ik nog voorbij aan het probleem in hoeverre wij ons een menselijke voorstelling kunnen maken van plannen (met grote p). Mijn idee is dat een werkelijke beleving van het oneindige voor de mens simpelweg ongezond is.

[Friedrich Nietzsche, Hongaarse Mars]

"Wat we nodig hebben is een visie waarin we aan onszelf en aan elkaar duidelijk kunnen maken wat duurzaam van waarde is. Dat hoeft geen Weltverneinung in te houden. Wat van waarde is hoeft niet voorbij deze wereld gezocht te worden, misschien is het het meest nabije: het leven zelf. Als we het er met elkaar over eens zouden zijn dat het leven van mensen, ondanks de verschrikkelijke dingen die mensen elkaar regelmatig aandoen, waard is geleefd te worden, dan spreken we over iets van waarde wat van deze wereld is... Het is een meer bescheiden visie, maar de enige die ons uitzicht biedt op duurzaamheid." (G.M. (Trudy) van Asperen, Het bedachte leven, 1993, pp. 203-204).

En zo begint het tweede deel onder de titel het bevrijdende van de eindigheid of, als alternatief, het leefbare van de eindigheid. Of, anders gesteld, wat voor plan past bij de mens? Maar wie of wat is de mens? Laat ik die vraag eerst aanpakken.

(a) De mens wordt, zeker wat zijn cognitieve capaciteiten betreft, door grenzen, meer zelfs strikt eindige grenzen gekenmerkt. Alle metingen die we verrichten, alle waarnemingen die we doen, alle rapporten die we verslaan, nooit zijn ze perfect. Altijd zitten er meet- en andere fouten op. Dit geldt evident evenzeer voor het wetenschappelijk bedrijf: een kwestie van vallen en opstaan, theorie"n uittesten, aanpassen, sleutelen, bijvijlen, proberen anderen te overtuigen, enzovoort.
(b) Maar het is erger gesteld: eigenlijk staat de mens voortdurend kwijlend als een hond klaar om bij de neus te worden genomen. Met de ogen open de duisternis in. Je bent geneigd te zeggen dat het beestje inderdaad te gek is om vrij los te lopen en toch lopen de meesten overal vrij rond. Kijk naar ons.
(c) Maar het is nog niet al: onze kennis is voortdurend met zichzelf in conflict. Wetenschappelijke kennis correspondeert niet met dagelijkse kennis. Niet alleen dat, binnen de wetenschappen zelf zijn er ook voldoende spanningen en conflicten te vinden.
(d) Maar het is nog lang niet alles: bekijk de mens in gemeenschap of in maatschappelijk verband. Wat een gruwelijk schouwspel, wat een impressionante rotzooi: oorlogen langs alle kanten, armoede, honger, overbevolking, onderontwikkeling, volkomen onrechtvaardige verdeling van middelen, natuurrampen om de zaak in de war te sturen, falende administraties en ik neem aan dat wie voldoende fantasie heeft de lijst zelf kan aan vullen. En nu we toch bezig zijn: neem de grappigste sociale levensvorm die de mens kent: de sexuele relatie. Mij heeft het nooit verbaasd dat Sigmund Freud naast droomanalyse, sexuele obsessies en frustraties ook een boek over moppen en grappen heeft geschreven. En, neen, ik wil in geen geval de puritein uithangen, verre van, men kan bezwaarlijk mijn woorden interpreteren als zeggende "Laat ons maar allemaal in isoleercellen gaan zitten", om de eenvoudige reden dat ook dat ons niet zou lukken.
(e) En, om af te ronden, een grappigheid. Kijk naar het universum: ook dat ding en alles wat erin rond draait, is verre van perfect. Let wel, ik vind dat een bijzonder geruststellende gedachte. Deze vaststellingen vormen uiteraard geen vrijgeleide om nu zelf maar een eind weg te prutsen, maar wat het wel betekent is dat wij niet de smet zijn op het geheel. Integendeel, zo bekeken, zijn wij goed geÔntegreerd in dit universum. Dit is werkelijk een universum op onze maat gemaakt: het is een even groot prutswerk, als wij.

En wat doet deze imperfecte mens? Hij kent irritatie, mislukking, tegenslag, ongewenste effecten, rampen,... Kortom, hij prutst. Aartspessimisme? Zwartgalligheid van het kobalt-type? Neen, een lofzang, een lofzang van de prutsende mens. Wij kunnen ons "thuisvoelen" in dit universum omdat we beide eindig en resultaat van prutswerk zijn. Hier is geen plaats nodig voor de Grote Zingevingsvraag. Ze kan worden weggelaten en dat is helemaal geen ramp. Anders gezegd, Plannen met grote p en Doelen met grote d: nergens voor nodig. Maar dan verdwijnt de Zin, grote z. Waarop steunen we dan nog?
Ik zie ÈÈn uitweg: misschien kunnen goden elkaar niet herkennen, maar prutsers wel. Met andere woorden, er zijn anderen zoals ik. Wij kunnen elkaar zin geven door elkaars zinloosheid op te vangen. Dat lijkt wel een von M¸nchhausen effect en voor een deel denk ik dat het dat inderdaad ook is, maar met ÈÈn verschil: von M¸nchhausen trok zichzelf uit het moeras, in het scenario hierboven trekken we elkaar uit het moeras. Daar reken ik op. Dat gezegd zijnde, is het maar dat, "een rekenen op", en dus dreigt steeds de mislukking om de hoek. Maar hebben we keus? Uiteindelijk niet. Op het einde van de dag, zou je graag willen zeggen: ofwel "Het is gelukt, maar het komt niet alleen aan mij toe" ofwel, even frequent, "Het is mislukt, maar ik heb alles gegeven en gedaan wat ik kon". Als ik aan deze houding een naam moet geven, dan noem ik deze houding het ideaal van de heroïsche mislukking.
Maar nu hoor ik jullie zeggen: dit is toch geen manier van leven. Ik besef ten volle dat heel wat tegenargumenten mogelijk zijn. Sta mij toe er vijf kort aan te stippen.

(a) Het tegenargument van de gemakzucht. Is mislukken een universeel excuus? Neen, in de mate dat wij ons een idee van het menselijk mislukken kunnen maken en dat kunnen we. Er zijn grenzen, maar dat mag uiteraard niet verbazen.
(b) Het tegenargument van de willekeur. Misschien is dat wel het zwaarste tegenargument. Indien er geen Plan, geen Doel is, is er ook geen Universele Ethische Code, en dus zijn (op zijn minst) een aantal handelingen volkomen gratuit. Ziehier het verschil: wie in het Plan, grote p, gelooft, zal bij een ramp zeggen dat het verantwoord is door het Plan, wie er geen heeft, zal zeggen: "Laat ons onderzoeken hoe het komt dat een mens tot zulk gedrag kan komen, zodat op zijn minst anderen dat lot kan worden bespaard in de toekomst!".
(c) Het tegenargument van het antropocentrisme. Hier ben ik kort: laat het ons doen. Laat ons de prutser centraal stellen, de heroïsche mislukkeling. Ecce homo, maar in volle naaktheid.
(d) Het tegenargument van de nutteloze queeste. Door het schrappen van het Plan of het Doel, zal de mens ophouden met zoeken. Zou Lancelot nog wel het ridderpad optrekken indien men hem met stelligheid had verzekerd dat de Heilige Graal een verzinsel is? Mag ik als verdediging twee mensen aanhalen. Willem van Oranje: "Il ne faut point espÈrer pour entreprendre, ni réussir pour persévérer". Max Dendermonde in zijn boek De wereld gaat aan vlijt ten onder: "Waarvoor leefde men anders dan om zo vaak en zo intens mogelijk te ervaren, dat men geheimzinnig leefde? Waarvoor leefde men anders dan om voortdurend te denken over het leven, met altijd dezelfde vragen en met bij voorbaat de vreemde, veilige voldoening dat een definitief antwoord niet ter zake deed, juist niet ter zake deed?' (1954, p. 71)
(e) Het tegenargument van het secularisme. De ruimte buiten deze wereld verdwijnt, maar daaruit volgt niet dat er geen ruimte zou overblijven binnen deze wereld. Wanneer alles wat kan worden gezegd, gezegd is, wanneer alles wat kan worden uitgedrukt, uitgedrukt is, dan heeft men niet noodzakelijk alles gezegd. Altijd, overal is er een restant, het "net-niet", het "bijna". Ik weet niet hoe die rest eruit ziet, maar ik kan vermoeden dat het er is. Voor mezelf noem ik dit het kleine mankement (uiteraard, zonder hoofdletters). Nooit zullen we zeggen: "Zo, we zijn klaar", en dat is goed.

Ter afronding: al het gepruts in dit bouwstuk, kon ik samenvatten door twee auteurs tegenover elkaar te plaatsen. Aan de ene kant Franco Ferrucci in zijn boek Brief aan de gelukkige jongen die ik was: ,Treur dus niet te zeer om de smartelijke onrechtvaardigheden van de wereld, vooral niet als ze jou aangaan. Op een dag - dat hopen we althans - zal de ongelijkheid in uitgangspositie zijn afgeschaft; maar voor het zover is, zal het het lot van ieder individu zijn de druk van zijn omgeving te ondergaan; en dat kan men dan net zo goed met open vizier doen, als een speler die aan tafel gaat zitten zonder te weten welke kaarten hem zullen worden gegeven. Het beste is niet te klagen en zo goed mogelijk te spelen." (1994, p. 153). En aan de andere kant Franz Kafka: 'Dass unsere Aufgabe genau so gross ist wie unser Leben, gibt ihr einen Schein von Unendlichkeit'. (Kafka, Hochzeitsvorbereitungen auf dem Lande und andere Prosa aus dem Nachlass, 1989, p. 73).

[opmerking over Nietzsche]

Achtbare Meester, ik heb gezegd. Jean Paul v.d.B