De Royal Society en de vrijmetselarij een koninklijk paar


Een korte schets

De royal Newton
Het 'invisible college
De 'Royal Society '
Newton president
Studieclub van de geest
Jean-Théophile Desaguliers
Een koninklijk paar
Het roer gaat om
Toland
Verdere verzelfstandiging
Desaguliers
Verdere ontwikkeling
Slotbeschouwing
Legendarische geschiedenis zonder Legenden
Post scriptum




De royal Newton
Newton heeft zich als mathematicus altijd sterk geinteresseerd voor theologie en alchimie. Het is zelfs zo dat hij meer gepubliceerd heeft over beide laatste vakken, dan over zuivere wetenschap. De getallen dieneangaande spreken klare taal: Newtons schriftelijke nalatenschap betreft ongeveer 3 600 000 woorden.1 400 000 hebben betrekking op theologie, 550 000 op alchimie en 1 000 000 op de wetenschappen. Sinds de opkomst van de wetenschap in de 17e eeuw werd het steeds moeilijker om deze in overeenstemming te brengen met dogmatische godsdienstige leerstellingen. Dit was ongetwijfeld ook met Newton het geval, die mede daarom verkoos om in 1696 zijn leerstoel aan de Universiteit van Cambridge in te ruilen voor een niet-wetenschappelijke functie aan de Munt in Londen. Hieraan schijnt overigens 1692-1693, (Newton was toen ongeveer vijftig jaar) een geestelijke crisis vooraf te zijn gegaan, die zo ernstig was dat sommigen zelfs van een 'knik in de ontwikkeling' spreken. Sindsdien hield hij zich, evenals zijn tijdgenoten Locke en Berkeley, hoofdzakelijk bezig met het probleem van de stof (substantie) in relatie tot de geest.

In ieder geval kon hij later in Londen wel een organisatorische functie in de wetenschap gaan bekleden en wel toen hij in l /03 werd benoemd tot voorzitter van de Royal Society ('R.S.'). Dit voorzitterschap heeft hij tot aan zijn dood in 1727 bekleed en het is vanzelfsprekend dat hij in dit genootschap grote invioed heeft gehad op de gang van zaken.

Inmiddels bestond, toen Newton president werd, de R.S. reeds zo'n 40 jaar en gezien de snelle ontwikkeling van de wetenschap werd de kloof tussen wetenschap en religie steeds groter. In de R.S. moest tussen beide klippen worden doorgezeild, hetgeen niet gemakkelijk was, want hoewel in de R.S. een universele religieuze gezindheid heerste (zie: Sprat. 1676 en LANDMERK XXXII. 1987), moesten de wetenschappelijke vondsten toch in overeenstemming met de geloofsartikelen van de Anglicaanse Kerk naar buiten worden gebracht.

Newton was weliswaar op papier lid van de Church of England, maar hij had wel grote bezwaren tegen de organisatie, b.v. de benoeming van bisschoppen en tegen sommige doctrines, zoals de triniteit. Hij was in zijn hart unitarier, maar liet dit niet naar buiten blijken. Uit zijn theologische geschriften, die voorzichtigheidshalve eerst 200 jaar na zijn dood werden uitgegeven, blijkt dit zonneklaar. Inmiddels was er een koehandel verricht met zijn kilometerslange aantekeningen.

Er werden uitgebreide onderzoekingen verricht naar het godsdienstig inzicht van Newton, zodat er nog al wat over gepubliceerd werd, waarbij meer dan eens afwijkende meningen werden verkondigd. Ook zijn psychosexuele driftleven werd onder de loupe genomen, daar hij zijn gehele leven vrijgezel was gebleven. Maar ook dit facet van zijn leven wist hij goed te camoufleren en door een zekere geslotenheid is objectief inzicht in zijn karakter matig. Het kerstkind Newton werd niet in het ouderliik gezin grootgebracht, daar zijn vader al voor zijn geboorte (1642) gestorven was en zijn moeder spoedig was hertrouwd. In de boerderij van zijn familie kon hij niet slagen, maar als student te Cambridge (1661) onderscheidde hii zich door zijn wiskundig inzicht.

Als 'kind der weduwe' was hij een gespleten persoonlijkheid, die gauw op zijn teentjes was getrapt en als hoogleraar weinig contact had met studenten en maar matig onderwijs gaf. Hij was een man met gevoel voor esoterie en spirituele zaken en zo was hij b.v. een groot bewonderaar van Jakob Boehme Hij en een van zijn beste vrienden, John Locke, waren beiden lid van een geheim genootschap. Baigent e.a. beweren dat Newton Grootmeester was van de Prieuré de Sion als opvolger van Robert Boyle en zij schreven over hem in dit verband in hun boek The Holy Blood and the Holy Grail (1983) biz. 456-458. Over dit genootschap, dat van de eerste eeuw na Chr. dateerde, hebben de auteurs veel onderzoekingen verricht, echter zonder succes, gezien het besloten karakter ervan.
Dit besloten genootschap met een geheim (waarschijnlijk betreffende het leven van Jezus), telde leden in de hoogste maatschappelijke kringen. Newton moet door zijn hoge functie in dit genootschap op internationaal niveau in spirituele zin beinvloed zijn geweest, terwijl hij er wellicht zijn ketterse ideeen kwijt kon. In dit verband moet wellicht het contact met Nicolas Fatio de Duillier worden gezien, een mysterieuze aristocreat en goede vriend van Newton, die alle grote diplomaten en wetenschappers van Europa kende. In ieder geval had hij ook met Holland direct contact via Huygens, 's Gravesande, Jean le Clerc enz. en indirect via John Locke met Desaguliers enz. Het aantal namen kan nog aanmerkelijk worden uitgebreid .

Uit het boek van Baigent en medewerkers, The Holy Blood and the Holy Grail (1983), neem ik het volgende omtrent Newton over:
'Er bestaat geen enkel document waaruit blijkt dat Newton zelf vrijmetselaar is geweest'. Hij was echter wel lid van een semi-maconnieke instelling, de 'Gentleman's Club of Spalding'. waarvan andere vooraanstaande personen, zoals Alexander Pope lid waren. Bovendien geven sommige van zijn opvattingen en werken de belangstelling weer, die ook bij maconnieke figuren van die periode te vinden zijn. Zoals veel maconnieke schrijvers waardeerde hij b.v. Noach meer dan Mozes als de meest essentiële bron van esoterische wijsheid.

Al in 1689 was hij begonnen aan wat hij als één van zijn belangrijkste werken beschouwde, een studie over oude monarchieen. Dit werk: 'The Chronology of Ancient Kingdoms amended', was een poging de oorsprong van het instituut van het koningschap vast te stellen, samen met de voorrang van Israel boven andere culturen uit de oudheid. Volgens Newton was het oude Judalsme een schatkamer geweest van goddelijke kennis die later verwaterd, bedorven en grotendeels verloren was geraakt. Desondanks geloofde hij dat iets ervan was doorgesijpeld naar Pythagoras, wiens 'muziek der sferen' hij als een metafoor voor de Wet van de Zwaartekracht beschouwde.

'In zijn poging een nauwkeurige methodologie te formuleren voor zowel de bijbel als de klassieke mythen, gebruikte hij de speurtocht van Jason naar het Gulden Vlies als een centrale gebeurtenis: en evenals andere maconnieke en esoterische schrijvers interpreteerde hij die als een alchemistische metafoor. Ook trachtte hij hermetische overeenkomsten of correlaties tussen muziek en architectuur te onderscheiden. En zoals vele vrijmetselaars hechtte hij grote betekenis aan de configuratie en dimensies van de tempel van Salomo. Hij geloofde dat die dimensies en die configuratie alchemistische formules verborgen, en dat er alchemistische processen bij de oude ceremoniën in de tempel een rol speelden. Dit is misschien ook de reden, waarom Hiram Abiff - een smid - veel aandacht kreeg' .

Zo'n geestesgesteldheid van Newton's kant was een soort openbaring voor velen. Deze komt nauwelijks overeen met het beeld zoals dit in onze eeuw voor ogen staat, n.l. het beeld van de wetenschappelijke werker die voor eens en altijd de scheiding tussen natuurfilosofie en theologie bewerkstelligde. In feite ging Newton echter, meer dan welke wetenschapper van zijn tijd, op in hermetische teksten en hij weerspiegelde in zijn eigen ideeën de hermetische traditie. Als diep religieus man was hij geobsedeerd door het zoeken naar een goddelijke eenheid en een netwerk van overeenkomsten die inherent waren aan de natuur. Dit zoeken bracht hem tot het bestuderen van de heilige geometrie en numerologie - een studie van de intrinsieke eigenschappen van vorm en getal. Door zijn vriendschap met Boyle was hij ook een praktiserend alchimist.
Behalve persoonlijk geannoteerde exemplaren van de Rosekruisers manifesten, bevatte zijn bibliotheek meer dan honderd alchemistische werken. Eén ervan, een boek van Nicolas Flamel, had hij eigenhandig gecopieerd. Newtons' belangstelling voor alchimie bleef zijn leven lang bestaan. Hij onderhield een omvangrijke en cryptische correspondentie over dit onderwerp met Boyle, Locke, Fatio de Duillier en anderen. Uit een brief zijn zelfs bepaalde sleutelwoorden weggekrast.
Moge Newtons wetenschappelijke interesse al minder orthodox zijn geweest, dan wij ons hadden voorgesteld, zijn religieuze opvattingen waren dat ook. Hij stond afwijzend tegenover de opvatting van de Drieeenheid. Ook verwierp hij het modieuze delsme van zijn tijd, dat de kosmos reduceerde tot een mechanisme dat door een hemelse ingenieur ontworpen was. Hij twijfelde aan de goddelijkheid van Jezus en verzamelde enthousiast alle manuscripten die op dat onderwerp betrekking hadden. Hij twijfelde trouwens aan de volledige authenticiteit van het Nieuwe Testament en geloofde dat bepaalde passages verbasteringen waren, die er in de vijfde eeuw aan toegevoegd waren. Hij was geboeid door sommige vroege gnostische ketterijen en schreef een studie over één ervan.

Newton, aangespoord door Fatio de Duillier, toonde ook een opvallende, verrassende sympathie voor de Camisards, of de Profeten van de Cevennen, die even na 1705 in Londen opdoken. De Camisards, die zo genoemd werden naar hun witte tunieken, kwamen evenals de Katharen voor hen, uit het zuiden van Frankrijk. Evenals de Katharen verzetten zij zich fel tegen Rome (1702-1706) en benadrukten de suprematie van 'gnosis' of directe kennis boven geloof. Net als de Katharen zetten zij een vraagteken achter de goddelijkheid van Jezus. En evenals de Katharen werden zij wreed onderdrukt door de militaire macht van Lodewijk XIV na de opheffing van het Edict van Nantes (1685). Het was in feite een achttiende-eeuwse Albigenzen-Kruistocht geweest. Nu ze uit de Languedoc verdreven waren, zochten de ketters hun toevlucht in Geneve en Londen. Enkele weken voor zijn dood had Newton, geholpen door een paar intieme vrienden, systematisch talloze dozen met manuscripten en persoonlijke papieren verbrand. Tot hun grote verbazing merkten zijn tijdgenoten dat hij op zijn sterfbed niet om de laatste sacramenten vroeg.


Het 'invisible college

Lang voor de oprichting van de R.S. in 1662, vergaderde reeds een aantal geleerden in Londen en/of Oxford. Robert Boyle (1627-1691) noemde deze groepering 'invisible college'. Het had aanvankelijk geen bepaalde organisatievorm, hetgeen in de tijd van Cromwell wel begrijpelijk is. Het is ook n iet bekend wat de heren sa men bespra ken . Maar het is aa n nemelijk dat een ieder over zijn eigen vak sprak en over de vorderingen die hij daarin maakte. Ook zullen wel algemene onderwerpen ter tafel zijn gekomen, zoals de relatie tussen wetenschap en godsdienst, en zgn. 'experimentele of nieuwe filosofie'. Robert Boyle schetst in één van zijn brieven het college als een 'sacred cabalistic society of philosophers'. Voor ons onderwerp is belangrijk dat mensen als R. Boyle (met wie Newton veel contact had over alchimie) en Chr. Wren (met wie Newton van gedachten wisselde over astronomie) lid van het 'onzichtbare genootschap' waren.


De 'Royal Society '

Men wilde na de komst van koning Karel II de vrijblijvende bijeenkomsten van geleerden in universiteitssteden als Londen, Oxford en Cambridge institutionaliseren, naar analogie van Italie en Frankrijk. Karel II, die na Cromwell het land weer op orde moest brengen, was bereid het genootschap een charter te verlenen.

Het probleem was dat het doel van het genootschap duidelijk omschreven moest worden. De geleerden van het eerste uur, blijkbaar nogal oorspronkelijke geesten, pleitten voor de bevordering van de zuivere wetenschap volgens de beginselen van Francis Bacon (1561-1626). Dit is wetenschap voor de gehele mensheid, als een douceurtje, waardoor de mens over de natuur kon domineren. Dit beginsel was in strijd met de inzichten van de leidende universitaire klasse, die meer volgens het aristotelische principe werkte. Bacon had ook gewaarschuwd voor: 'an approach which depended on scriptural interpretation of purely physical phenomena and carries with it no means of development'.
Bacon introduceerde in zijn 'New Atlantis koning Salomo.
Hij schreef o.a.: 'Ye shall understand, my dear friends, that amongst the excellent acts of that king, one above all hath the pre-eminence. It was the erection and institution of an order, or society, which we call 'Salomon's House'. Het zou honderd jaar duren voordat Bacon zijn zin kreeg, waarbij de R.S. de katalysator was van het 'Huis van Salomo', thans 'Vrijmetselarij' genoemd.
Anderen, zoals Hartlib, Dury, Skytte en Comenius, waren van mening dat wrtrnrrhap, en dus het qenootschap, ook het levensgeluk van de mensheid moest bevorderen en moest streven naar zo iets als: Arcadie, Utopia, New Atlantis, Christianopolis, the City of the Sun enz.

Comenius (1592-1670), gesteund door een pressure-group in Engeland, waar hij nog al eens verbleef, trachtte zijn idee over opvoedkunde ('pansophia') bij koning Karel II door te drukken. Ook stelde hij zich hierover met de R.S. in verbinding, waarheen hij zijn boek over deze materie (The Way of Light) zond, voorzien van een opdracht. Hij was een voorstander van 'free and universal study of the arts and sciences' en 'of the study of wisdom'. Hij hield een pleidooi voor een 'College of Light' en een 'Universal College', gericht op universele aangelegenheden. In zijn 'College of Light' zit de vrijmetselaarsmentaliteit verankerd.
Alles zonder succes: de zuivere wetenschappers zetten hun zin door en hun genootschap kreeg in 1662 het koninklijk charter. Uit de statuten blijkt wat het doel van de nu R.S. was: wetenschap à la Francis Bacon, later gemoderniseerd door Newton.

Een bepaalde instelling der leden blijkt o.a. uit de eerste beschrijving van de geschiedenis van het genootschap door Sprat in 1667, d.i. 5 jaar na de oprichting . H etgeen hij over de rel igie der leden sch reef, werd door mij reeds in LANDMERK XXXII/1987 aangehaald, waarbij op de frappante overeenkomst met de Eerste Plicht in de Constitutions van Anderson werd gewezen. Het eerste gedeelte van de geschiedenis van Sprat gaat over: 'State of the ancient Philosophy'. Dit gedeelte toont grote overeenkomst met de legendarische geschiedenis van Anderson (1723).

Voor ons onderwerp is van belang dat Robert Moray (1600-1673), een man die 5 jaar voor Ashmole (1617-1692) in een Schotse (Vrij ?) metselaarsloge uit Edinburgh werd ingewijd (1641), toen hij in militaire dienst was in Newcastle-on-Tyne, de eerste president der R.S. was. Ashmole was evenals b.v. Wren, Locke en Aubrey, lid van het eerste uur der R.S.


Newton president

Newton werd in 1696 door Charles Montagu naar de Munt te Londen gehaald, wear hij in 4 jaar tijds promotie maakte van Warden tot Master. Of zijn promotor familie was van John Montagu, de Grootmeester aan wie Anderson zijn Book of Constitutions, bij monde van Desaguliers opdroeg, kon ik niet met zekerheid achterhalen. Deze was, evenals zijn Gedeputeerd Meester, Desaguliers, lid van de R.S.

De Londense leden van de R.S. kwamen wekelijks in hun clubhuis bijeen om te vergaderen over huishoudelijke en wetenschappelijke aangelegenheden Daarna aten zij gezellig in de 'Bull Head Tavern'. Hier dineerde ook Wren nog al eens, wanneer hij in Londen was om een voordracht te houden. Trouwens Desaguliers was al sedert 1713 lid van een genootschap dat in de herberg 'Rummer and Grapes' in Channel Row bijeenkwam, d.w.z. in dezelfde straat waar hij woonde. Hier vergaderde eveneens een afdeling van het bouwgilde, een afdeling die zich later met drie anderen verenigde om een overkoepelende organisatie te vormen, die dan 'Grandlodge' werd genoemd.

Wren, die reeds lid was van het 'invisible college', toen hij hoogleraar in de astronomie was te Cambridge, was ook lid van de R.S. toen hij in Londen woonde, wear hij na de brand als super-architect was tewerkgesteld. Wren moet ongetwijfeld heel goed van de bijeenkomsten der bouwgilden op de hoogte zijn geweest, of schoon hij de bouwvakkers van de St. Paul's Kathedraal natuurlijk het best kende.

Het is aannemelijk dat de gesprekken van de fellows der R.S. tijdens de maaltijden en daarna van goed gehalte waren en dat meer algemene onderwerpen betrekking hebbend op wetenschap en maetschappij aan de orde kwamen. Dan werden de gedachten vaak de vrije loop gelaten, nochtans geometrisch geordend op een wijze die later door filosofen 'logica' werd genoemd
Aan de orde kwamen zulke problemen als de betekenis van het heelal, van de zon en van de aarde en haar natuur voor het mensdom. Hoe was de aarde ontstaan? Of was zij geschapen? Bestond er een scheppergod en Zijn Zoon en hoe werkte de Heilige Geest? De zuivere wetenschap bracht de feiten en de filosofie hun betekenis.
De wetenschap leert nu eenmaal wat wij weten en niet wat is. En de zintuigelijke realiteit van het weten komt gemakkelijk in conflict met de imaginaire realiteit van de christelijke godsdienst. Het geloof in van tevoren vaststaande feiten ('dogma') leidt volgens de kerk tot de waarheid. De wetenschap daarentegen verschaft slechts modellen voor een bruikbare theorie. Men kon discussiëren over de vraag of de theorie van Newton over de mechanica in relatie tot ruimte en tijd niet in strijd was met de goddelijke wet, vastgelegd in de Bijbel. Dan komt de conflictstof aan de orde, immers de kerk kijkt terug en de wetenschap vooruit !
In tal van gesprekken tussen de leden van de R.S. werd getracht een brug te slaan tussen wetenschap en godsdienst. Dit was 'wetenschap van de natuur', welke leidt tot filosoferen over de betekenis van de vondsten voor de mens: natuurfilosofie, derhalve. En in de natuur van de mensen schuilt de kern van alle godsdiensten. een primitieve kern die dus universeel is.



Studieclub van de geest

Iemand als Newton zal zeker ook wel in gewetensconflict zijn gekomen bij een poging om zijn wetenschap in overeenstemming te brengen met de heersende kerkelijke doctrine en hij zal zich wel eens aan het oppervlakkige gekeuvel van zijn medeleden-theoretici hebben geërgerd. Dat kwam omdat de meesten van hen (2/3 der leden) niet wetenschappelijk werkzaam waren en slechts lid van de R.S. waren omdat zij een adellijke of universitaire titel hadden, waardoor een diep praktisch inzicht in de problematiek ontbrak. Sprat schreef reeds in de zeventiende eeuw: 'About two thirds of the fellows hindered the society's activity in the promotion of science'.

Newton wisselde hierover en over de discongruentie tussen rede en gevoel, nogal eens van gedachten met zijn collega, curator van het museum van de R.S., en vriend Desaguliers. In het raam van deze gedachtegang is interessant wat Lyons (1944) schreef: 'In 1721 a proposal was made in an anonymous pamphlet that a society should be formed to promote arts and manufactures and a copy was sent to the Royal Society. The council discussed the suggestion but decided that the society was not then in a position to embark on so large and costly a scheme.' Inmiddels was reeds, buiten weten van de council om, een dergelijke vereniging in het geheim tot stand gekomen!



Jean-Théophile Desaguliers

Betrokkene kwam op zijn zevende jaar naar Engeland en studeerde op zijn 25e af in de experimentele natuurkunde aan de Universiteit van Oxford. Twee jaar later werd hij als priester ingezegend. Over Desaguliers is veel in de maconnieke tijdschriften te vinden, maar nochtans is het moeilijk om een beeld van zijn aard en karakter te krijgen. Hij was, zo lijkt het, in de eerste plaats natuurkundige en hij verdiende met zijn experimenten in binnen- en buitenland de kost. Met zijn wetenschappelijk in strumentarium reisde hij in Europa rond, geholpen door het feit dat hij vioeiend Frans en Engels sprak. Zodoende gaf hij ook wel demonstraties in Holland en hij bezocht meerdere malen 's-Gravesande te Leiden. Hij publiceerde een aantal goede artikelen en werd op grond van zijn praktijkervaringen tot curator van het museum der R.S. benoemd. Hij ontving hiervoor geen vast salaris en moest maar afwachten wat hij hier jaarlijks mee verdiende. Daarom was het aangenaam dat hij als hofpredikant van de Hertog van Chandos een vast salaris kreeg.

Zoals gezegd, was hij een goede vriend van Newton en deze was zelfs peetoom van één van zijn twee zonen. Waarschijnlijk konden beide heren evengoed over theologie, als over natuurkunde en astronomie met elkaar praten .



Een koninklijk paar

Sir Isaac Newton was niet alleen een 'Grand (or 'Great') Architect of the Universe', maar hij was ook ongewild een 'Great architect of Freemasonry' .
In de eerste term komt tot uitdrukking dat hij de geestelijke vader was van het 'centre of union' uit de Eerste Plicht in de Constitutions van Anderson. Immers in 'universe' zitten de latijnse woorden: 'uni' en 'verto', hetgeen erop wijst dat onze grote bouwmeester de eenheid van de broederschap in bovengenoemd centrum, waar later de tempel van Salomo voor fuctioneerde, voor ogen stond. 'Universe' dient derhalve geschreven te worden als 'uni-verse' !
En dat hij de stoot heeft gegeven tot de oprichting der Vrijmetselarij, zoals de tweede titel van dit artikel suggereert, hoop ik alsnog uiteen te zetten, hoezeer zijn opzet ook uit de hand gelopen is door een sneeuwbaleffect (zie LANDM ER K XXXIV/1988) .
De Eerste Plicht van de Vrijmetselarij bevat, zoals beschreven, een formulering t.a.v. het lidmaatschap, die analoog is aan de beschrijving die Sprat gaf over de instelling der leden der R.S. Dit zal wel geen toeval zijn, want schier alle adellijke grootmeesters waren, gedurende de eerste 50 jaar van de Londense Grootloge, tevens lid van de R.S. Gedurende de eerste tien jaar van de Grootloge waren de Gedeputeerd Grootmeesters eveneens lid van de R.S.
Eén op de vier leden van de Grandlodge van het eerste uur (1723-1725) was lid van de R.S. (Clarke, 1967). Lid van beide genootschappen waren mensen met maconniek klinkende namen, als: Desaguliers, the Duke of Montagu, the Duke of Richmond, George Payne, Brook Taylor, George Parker enz.

Leden van de R.S. hadden grote belangstelling voor de Vrijmetselarij in wording. Van 1723 tot 1730 waren 89 van de 200-250 leden van de R.S. 'masons'. Robert Moray (1600-1673), de eerste president der R.S.: werd in 1641, zoals beschreven, reeds in een Schotse loge ingewijd. Dat is vijf jaar voor de inwijding van Ashmole in 1646.
Charterleden van de R.S. als Ashmole, Aubrey, Locke en Wren, waren zeer geinteresseerd in de Rozekruiserij (Yates, 1975), wellicht toen nog geëtiketteerd als 'masonry' (zie LANDMERK legendarische geschiedenis) een naam die na 1717, na de publicatie van de 'Constitutions' en 'Old Charges', een meer specifieke betekenis kreeg ('Steenhouwerij').
In het begin van de achttiende eeuw waren mensen als Newton. Desaguliers en anderen zeer geinteresseerd in alchimie, filosofie en religie, zoals uit hun aantekeningen blijkt.

Het is nalef om te veronderstellen, dat de inbreng der R.S. geen invioed heeft gehad bij het ontstaan der vrijmetselarij, de 'historische' Vrijmetselarij, wel te verstaan, zoals wij die nu kennen. Maar het in 1717 opgerichte genootschap zou nog een lange weg hebben te gaan, tot op de dag van vandaag. Deze weg werd reeds stiefmoederlijk beschreven in LANDMERK XXXIV/1988 en in LANDMERK XXXV/1989. Mag ik verder verwijzen naar de boekbespreking omtrent Nieuwentijt en 's Gravesande in LANDMERK XXXVI/1989, waarin ook reeds de basis werd gelegd voor dit artikel.

Men kan zich afvragen wat de drijfveer geweest kan zijn om lang voor 1717 een zekere groepering in de R.S. aan te brengen. Waarschijnlijk wilde Newton een aantal leden der R.S. buiten spel zetten, omdat zij niet experimenteel werkten, waardoor een vruchtbare discussie niet in de hand werd gewerkt. Nochtans konden deze lieden wel een basisfilosofie ontwikkelen omtrent de relatie tussen wetenschap en maatschappij, in 't bijzonder religie.
De discussie moest dan wel gebaseerd zijn op wederzijds begrip, waarvan de peilers in statuten moesten worden vastgelegd. Het zou echter nog vijf jaar duren voordat deze in druk kwamen. Inmiddels werd het voorschrift der R.S. in acht genomen, n.l. om niet te spreken over politiek en religie.

Het doel van de wekelijkse bijeenkomsten was om een forum over 'natuurfilosofie' in de meest uitgebreide zin te vormen, waarbij in het bijzonder de relatie tussen mens en natuur moest worden besproken, voorzover dit probleem door wetenschappelijk onderzoek ontmaskerd was (b.v. door de publicatie van de arts John Locke).

Teneinde het dochtergenootschap een zekere status te verlenen en het recht van vergaderen in de wacht te slepen, werd het op het bouwgilde geent. Aangenomen wordt dat Sir Christopher Wren (1632-1723) de initiatiefnemers der R.S. op dit spoor heeft gezet. Hij had een belangrijke stem in de R.S., daar hij immers al op jeugdige leeftijd lid was van het 'invisible college' en één van de oprichters der R.S. was. Als hoogleraar in de astronomie kende hij zijn collega's Healy en Newton goed die van hem immers gegevens over de loop van de hemellichamen kreeg.
Als bouwmeester van de St. Paul's Kathedraal heeft Wren kennis gemaakt met het oude, eerbiedwaardige bouwgilde, dat na de brand van Londen in 1666, nieuw leven werd ingeblazen. Wren was aanvankelijk hier een gevierd man, maar toen hij na gedane zaken het bloedarmoedige bouwgilde gebruikte om er een filosoferende groep mensen OD te enten, is hem dit niet in dank afgenomen. Dit kan uit de gangbare literatuur worden opgemaakt, indien men de rol van Wren in dit licht beschouwt.

Het is duidelijk dat de R.S., die een koninklijk charter had en vaststaande statuten, zich niet op aanvaardbare wijze kon splitsen. Dit is pas officieel 130 jaar later geschied, toen de tijd er rijp voor was, d.w.z. de wetenschap zich meer autonoom ontwikkeld had. (In 1847 werd officieel een 'philosophical club' van de R.S. afgesplitst).
De speciale groepering in 1717 moest derhalve geheim blijven en de initiatiefnemer Newton bleef derhalve anoniem. Zijn bijdrage leeft slechts in het verborgene voort in de term: 'Grand Architect of the Universe', een term waarvan de betekenis na 1717 in het vergeetboekje is geraakt, zeker toen de broederschap met een wetenschappelijk tintje een inwijdingsgenootschap met een religieuze achtergrond werd. Onder de dekmantel van het bouwgilde konden de leden van beide groeperingen lid blijven. Gedurende de eerste jaren na de oprichting werd het motto van de R.S. gehandhaefd n.l. 'nullius in verbo' (niets op schrift).

Om de enting van een groep denkers op een gilde van werkers wat te camoufleren, was het geloofwaardiger om drie wijkgilden in een genootschap samen te brengen. Dit verleende aan de nieuwe organisatievorm een meer universeel cachet, in plaats van een locaal accent.

Al gauw bleek dat de blauwkielen er geen behoefte aan hadden om met allerlei toeters en bellen in optocht door Londen's straten te lopen en daarom vroegen zij aan het gemeentebestuur een nieuwe erkenning aan. In hun stoere knuisten werden de bouwwerktuigen gebruikt, waarvoor zij bestemd waren. Aan spiritueel symboliseren hadden deze eenvoudige zielen totaal geen behoefte. En van een exoterische expressie van een esoterische werkelijkheid begrepen zij niets. Het gevolg was wel dat de speculerende groepering in een isolement werd gedrongen.


Het roer gaat om

En dan gaat het nieuwe pseudo-gilde stap voor stap een eigen leven leiden. Er komen nieuwe leden bij die minder elitair zijn dan de leden van het eerste uur. Dit werd misschien in de hand gewerkt doordat de eerste twee Grootmeesters geen lid waren van de R.S. Waarom juist zij werden gekozen, wordt uit de beschikbare literatuur niet duidelijk. De eerste Grootmeester Anthony Sayer kwam uit het bouwgilde en werd in 1717 bij handopsteken in de 'Goose and Gridiron' bierkroeg gekozen.
Een vraaq was natuurliik. wat intellectuelen met twee linker handen met het voorschoot en de werktuigen der bouwvakkers moesten beginnen? Deze moesten in het nieuwe genootschap een niet-operatieve functie krijgen: zij moesten 'symboliserend' gebruikt worden. Tot welk doel. zal men zich afgevraagd hebben. Het antwoord was: 'Tot integrerende rituaalvorming' .

Met de christelijke godsdienst van het bouwgilde wist men ook geen raad, want de leden van de R.S. hadden in hun hart een liberaal idee over godsdienst (zie Sprat en Anderson).

Om de speculerende leden in een spirituele rangorde in te delen was wel mogelijk, maar een installatieplechtigheid ter erkenning van vakbekwaamheid in de bouwkunde zoals in het gilde gewoon was. was niet geschikt voor het geinoculeerde groepje mensen. Waartoe moesten de nieuwe leden bekwaam worden bevonden? Het antwoord werd in de zich ontwikkelende ritualen gevonden: 'Gevoel voor mystiek, voor mythologie, voor religie (de kern van iedere godsdienst), voor drama en gevoel voor gevoel.'
Dit alles had men van te voren niet overdacht en daarom moest gedurende de eerste jaren naar nieuwe wegen worden gezocht. De oorspronkelijke opzet van een discussiegroep over natuurfilosofie raakte steeds meer op de achtergrond. Daar kon men ook weinig aan doen, omdat de primaire bedoeling en de initiatiefnemer geheim moesten blijven.


Toland

Er diende zich een goed uitgewerkte organisatievorm aan in het boek van Toland: 'Pantheisticon', dat iedereen kende, want er werd 's zondags in de kerk 'meer over Toland gepreekt dan over Jezus'. Toland had het idee voor zijn boek kennelijk ontleend aan zijn lidmaatschap van de 'Chevaliers de la Jubilation', een besloten club in Holland, waar hij lid van was (zie LANDMERK XXVI/1984). Gezien de persoonlijkheidsstructuur van Toland en gezien zijn contacten met vrijdenkers in binnen- en buitenland (Holland in het bijzonder) en gezien zijn bewondering voor Spinoza, was hem, wat wij thans zouden noemen, een zekere 'vrijmetselaarsmentaliteit' niet vreemd.


Verdere verzelfstandiging

De oorspronkelijke opzet raakte dus in het vergeetboek, omdat de band met de R.S. steeds losser werd, aangezien er veel nieuwe leden bijkwamen die geen lid van de R.S. waren en bovendien ging de bouwsymboliek een eigen leven leiden, terwijl internationalisatie niet strookte met de primaire opzet. Het is aannemelijk dat deze gang van zaken Newton en naaste medewerkers, ik denk in 't bijzonder aan Wren en Desaguliers, met zorg vervulde. In ieder geval was de primaire opzet geslaagd, want in de R.S. behoefde nu minder gespeculeerd te worden, zodat meer aandacht aan zuiver wetenschappelijke problemen kon besteed worden.


Desaguliers

Desaguliers fungeerde als vooruitgeschoven pion die het initiatief van Newton moest concretiseren in het niet door een charter gebonden (dus 'vrije') genootschap 'Vrij' ook, omdat er de eerste jaren nog niets op papier stond. Desaguliers was als trait-d'union buitengewoon geschikt, want als wetenschapper werkte hij experimenteel, geheel naar het voorbeeld van Newton, terwijl hij als theoloog gevoel had voor het spirituele in de natuur, dus ook in de mens. Desaguliers dus naar geest en ziel een 'vrijmetselaar' in de dop.
Onze vrijmetselaar in spé had ook goed contact met Holland. Zo schreef hij b.v. een voorwoord in de Engelse editie van het boek van Nieuwentijt over ongodisten (dit zijn athelsten, vergelijk de Eerste Plicht van Anderson!). Ook vertaalde hij een boek van 's Gravesande over 'newtonianisme' in het Engels, want hij, Newton en professor 's Gravesande vormden een hecht driemanschap. 's Gravesande was lid van de 'Chevaliers de la Jubilation' en Desaguliers was lid van een geheim genootschap in Frankrijk, althans volgens Robert Ambelain (1985}.


Verdere ontwikkeling

De organisatievorm stond na een jaar of vijf inmiddels vast en was enerzijds gebaseerd op die van het bouwgilde en anderzijds op voornoemd boek van Toland. Velen menen dan ook, niet ten onrechte, dat de 'Old Charges' (Oude Plichten) door de tweede en vierde Grootmeester (Payne) en door de derde Grootmeester (Desaguliers) geschreven zijn. Hierdoor kreeg het genootschap het cachet van een broederschap, wier algemene gezindheid door strenge wetten werd gegarandeerd.

Maar de vraag was natuurlijk: 'Wat is het doel van de broederschap?' want een broederschap zonder een bepaald ideaal houdt geen stand.
Nu had de tweede Grootmeester Payne enige oude manuscripten in handen gekregen van christelijke buitenkerkelijke genootschappen die een historische, culturele visie met een mythologische inslag op het mensdom gaven. In die manuscripten kwam het woord 'bouwen' even vaak voor als in de Bijbel en ook daarom waren zij uitermate geschikt om het pseudogilde te onderbouwen. De tekst van een dergelijk manuscript werd bij de aanneming van een nieuw lid ter zijner instructie voorgelezen. I\A»n \A/SC het er over eens dat dergeliike manuscripten uitstekend geschikt waren om een nieuw genootschap van 'aangenomen, speculatieve bouwers' ruggesteun te geven (in hun eigen woorden: 'om het genootschap te constitueren'). De manuscripten moesten dan wel aangepast worden aan het vrijzinnige, 'speculatieve', d.i. spirituele pseudogilde.

Desaguliers kende iemand die dat zou kunnen doen, n.l. een presbyteriaanse predikant, die de kapel van ziin vader (dominee Jean Desaguliers) in Swallowstreet in Londen had overgenomen. Deze man was bijbelvast, kon schrijven en kende, dankzij zijn vader, het Schotse bouwgilde (dat overigens sterk van het Londense verschilde). Bovendien had deze man geld nodig, daar hij het fortuin van zijn vrouw in de 'South Sea Bubble' had verspeeld. Aangezien het vrije en aangenomen genootschap geen geld voor een boekwerkje had, kon de in Londen in kerkelijke ballingschap levende predikant aan een eventuele publicatie zelf wat verdienen.

De opdracht aan Anderson was niet eenvoudig: uit heterogene, oude, fantasierijke geschriften een verhaal samen te stellen dat het zwevende gezelschap kon constitueren en acceptabel kon maken voor de buitenwereld gezien het zogenaamde historische karakter ervan. Dit was mogelijk door zowel het bouwen, als het gildewezen centraal te stellen. En het Christendom moest uit de manuscripten geschrapt worden.
Anderson is in deze opdracht naar de mening van een commissie goed geslaagd en met de legendarische geschiedenis en de oude plichten als basis, was het mogelijk om inhoud aan het gezelschap te geven. dat nu tot 'broederschap' werd omgedoopt. (Newton moet ongetwijfeld belangstelling hebben gehad voor de Constitutions van Anderson, want hij had zelf wellicht een oud manuscript, terwijl hij zo'n soort boek schreef. 'Technology of ancient Kingdoms amended' (dat 1 jaar na zijn dood uitkwam) .

Het voorlezen van de constituties ter installatie van een nieuw lid voldeed al spoedig niet meer, en het was dus zaak om naar een nieuwe vorm van installatie-plechtigheid te zoeken. Dit leidde tot de ontwikkeling van eerst 2, later 3 ritualen, op grond waarvan een candidaat-lid in drie fasen van psychologisch-spirituele gradatie op plechtige wijze als broeder geinstalleerd ('ingewijd') kon worden.
'Ingewijd' in een broederschap, wier leden d.m.v. ritualen 'bouwrijp' werden gemaakt, om aan de hand van een natuurfilosofie, op eigen wijze, naar de zin van het bestaan ('de Waarheid') te kunnen zoeken. (Zie verder LANDMERK XXXIV/1988 en XXXVI/1989).

Het doel van de broederschap werd in de constituties van 1723 niet opgenomen, teneinde de band met de R.S. niet te laten blijken. Gedurende de eerste jaren werd bij de installatie van een nieuw lid de legendarische geschiedenis voorgelezen. Dit zou komen te vervallen toen de ritualen klaar waren. De constituties van 1723 wijzen dan ook nog geenszins op een inwijdingsgenootschap of op intrinsieke esoterie.
Zo kwam een excentriek genootschap van een groep VlP's tot stand, met een geheim, dat bestond uit het feit dat de broederbond onafhankelijk van regering en kerk in vrijheid kon debatteren over kunsten en wetenschappen, mogelijk gemaakt door enting op het bouwgilde. Gepoogd werd aan te tonen dat God's wijsheid in de natuur verankerd lag.

De nieuwe wetenschappelijke vondsten moesten dit bewijzen. Dit streven - en de experimenten en de denkwereld die daarmee samenhangt wordt 'fysico-theologie' genoemd. Hiermee werd voorkomen dat wetenschap tot athelsme zou leiden. Daarom ook werd athelsme onverenigbaar geacht met het nieuwe genootschap (Eerste Plicht). Voor het tot stand komen van een nieuw fysico-theologisch wereldbeeld mocht de Bijbel niet te rationalistisch worden geinterpreteerd, aangezien dit tot vrijdenkerij zou leiden: 'Libertines' behoorden in het nieuwe genootschap niet thuis (wederom: Eerste Plicht).
Thans, 260 jaar later, kan gezegd worden dat de vorm en de inhoud van het instituut geslaagd zijn en dat elitaire lieden, na vrijwillig te zijn toegetreden, een vervulling en vervolmaking van hun leven hebben gevonden door toepassing van een methodiek, waarvan de oerpatronen dateren van het begin der mensheid.


Slotbeschouwing

By study it is possible to arrive at those universal elementary facts from which freemasonry can be built up by pure deduction

Teneinde de ontstaanswijze van de Vrijmetselarij te doorgronden werden in dit artikel personen geanalyseerd, die de maconnieke existentiële geesteshouding illustreren. Daarenboven werd naar een organisatie gezocht die analoge esoterische en exoterische patronen vertoont als de maconnerie.
Bij een dergeiiJke analyse dienen alleen universele wezenskenmerken, zowel van de moeder- als van de dochter-organisatie in ogenschouw te worden genomen, b.v. een bepaalde religiositeit, magie, wetenschap, filosofie enz. Deze worden soms beschreven, maar moeten veelal geëxtrapoleerd worden u it gel mpl iceerde ken merken , die vaa k achter de feiten verscholen liggen.
Als de personen lid zijn van de organisatie, dan is het waarschijnlijk dat de maconnerie een dochterorganisatie is, die de kenmerken van de geestesgesteldheid van de onderzochte leden heeft.

Men kan in de huidige Vrijmetselarij nog steeds de oorsprong uit de R.S. Onderkennen, op grond van een aantal parallellen. Zo noem ik b.v achtereenvolgens: strijd tegen domheid en vooroordelen, een instelling onafhankelijk van partijpolitiek en van dogma, de universele religie, de proefondervindelijke opvoeding van de mens, waarbij met instrumenten (als in de wetenschap) wordt gewerkt, tot heil van de geest van de individuele mens en van de broederschap (d.i. werken en denken in gemeenschap), de algemeenheid der ideeen en liberalisme, de tijdloosheid, gewetensvrijheid, gel ij kvorm igheid van al le mensen, de bela ngstel li ng voor wetenschap en esoterie, de samenstelling van het ledenbestand, de wekelijkse bijeen komsten met maaltijden van tolerant den kende man nen, de internationale contacten enz.
Zowel in de R.S als in de Vrijmetselarij vindt men ideeën van het baconianisme, zoals: christendom bestuurd door wetenschappelijke kennis, een patriarchale religie tolerant voor alle geloven en rassen, onderscheid in de kring tussen denkers die werken ('masons', 'operatieven') en denkers die filosoferen ('freemasons', 'speculatieven'), verheerlijking van de wijsheid van Salomo enz.


Legendarische geschiedenis zonder Legenden

De maconnieke geest: gevoel van mensen voor elkaar, gevoel voor mystiek en religie, leven in harmonie met de natuur, beoefenig van wetenschap en cultuur, alles geintegreerd in een liberale setting, is zo oud als de mensheid. Anderson liet in zijn legendarische geschiedenis deze geest ('masonry') in het paradijs ontstaan, waarbij in het bijzonder op de kunst der geometrie werd gewezen.

Uit de geschiedenis, zowel uit de objectieve feiten, als uit de ideeen die hieraan ten grondslag liggen, blijkt dat talrijke lieden de fakkel hebben doorgegeven .
De hier bedoelde specifieke menselijke gezindheid werd al spoedig door een instituut (de 'kerk') gedogmatiseerd, hetgeen de vrije ontplooiing der geest belemmerde. Het gevolg was, dat liberaal denkende mensen zich in buitenkerkelijke genootschappen verenigden.
In 1723 werd deze geest in Londen geinstitutionaliseerd, nadat hij zich geleidelijk aan had ontwikkeld in een natuurfilosofische studiekring, een stiefkind van de Royal Society, dat zes jaar voordien levensvatbaarheid had gekregen.
Dat de vrijmetselaarsgeest juist in Engeland werd georganiseerd, komt door een cumulatie van factoren. Het zou te ver voeren om dear nu op in te gaan. De stoot tot constructie werd o.a. gegeven door bijdragen van Bacon (New Atlantis), Hartlib {Kingdom of Mikaria), Thomas More (Utopia), Comenius (Way of Light), Toland {Pantheisticon) enz.
Dat het institutionaliseren van een geestesrichting op buitensporige moeilijkheden stuit, blijkt wel uit de levensloop van het stiefkind.
In 1723 begint ongeveer de 'historische' Vrijmetselarij, na een latente fase van een jaar of zes. Van 1717-1723 was het genootschap openbaar en elitaire lieden liepen in optocht naar de Anglicaanse Kerk.
In de jaren na 1723 krijgt de club het karakter van een inwijdingsgenootschap met 'geheimen'. De terminologie wordt daaraan aangepast. En na tien jaar is men totaal vergeten (bewust en onbewust) dat de 'Vrijmetselarij' in haar geinstitutionaliseerde vorm noch van de Royal Society, noch van het bouwgilde afstamde! De historische verwarring kent geen grenzen!
V66r 1717 versierden elitaire kerkelijke buitenbeentjes zich niet met de attributen van het bouwgilde. Zij zaten ondergedoken in allerlei mogelijke gilden en rederijkerskamers en zetten hun ideeën niet op papier. Deze periode zou men de 'prehistorische' Vrijmetselarij kunnen noemen als men tenminste meent dat de Engelse Vrijmetselarij in 1717 zich uit daarvoor bestaande subversieve gezelschappen heeft ontwikkeld. Dit wordt dus in deze publicatie in twijfel getrokken!


Post scriptum
Zoals uit de titel van dit hoofdstuk blijkt, is dit een synopsis.
Bijna alle gegevens werden verzameld in de Leidse universiteitsbibliotheek. Om de ideeën achter de feiten te zoeken, is tegenwoordig niet onwetenschappelijk, maar wel altijd enigermate subjectief.
Velen hebben reeds op de relatie tussen de R.S. en de Vribmetselarij gewezen, maar wisten daarmee geen raad, Het laatste woord is over deze verhouding natuurlijk nog niet geschreven en er kunnen nog veel argumenten pro en contra worden aangevoerd.