Moraal, de definitie
Moraalfilosofie
Ethiek
Het model
Cultuur

moraal
(Lat. mores, zeden, gewoonten), v./m. (geen mv.),
1. zedelijkheid als het stelsel van de gangbare en door opvoeding overgebrachte gedragingen, m.m de historisch en sociaal bepaalde denkwijze van een bepaalde mens stand, klasse of tijdsperiode (ENC.): de losse - aan het Franse hof; de geschiedenis van de Europese ;
2. zedelijke waardering van specifiek menselijke handelingen, zedenleer, ethiek: de christelijke -; dubbele -, zedelijke waardering die voor de ene groep anders is dan voor de andere, b.v. anders voor de man dan voor de vrouw,
3. vaste zedelijke beginselen, iemands voorstelling van goed en slecht: hij heeft geen -;
4. zedeles: bij elke fabel wordt de in de beide laatste versregels meegedeeld;(minder eig.) les die men uit iets kan trekken: dat is de - van de historie.

De waardering van de moraal als bovenindividuele code voor gedrag is zeer verschillend.
Bij het Chinese confucianisme stond zij als draagster van de beschaving hoog aangeschreven.
Hier en b.v. in de westerse 18e-eeuwse Verlichting benaderen moraal en religie elkaar zeer dicht (moralistische opvatting van de religie). In verscheidene godsdiensten (b.v. boeddhisme en christendom) wordt daarentegen aan de moraal een zeer relatieve waarde toegekend ten opzichte van het hoogste goed (het religieuze heil). In het modern-westers denken is er een sterke stroming die moraal als onpersoonlijk gedragspatroon plaatst in een spanningsrelatie tot het handelen op basis van persoonlijke, aan eigen geweten getoetste beslissingen en slechts aan dit laatste zedelijke waarde toekent. LITT. J. Bois, J. Boissets en R. Mehl, Le probléme de la morale chrÚtiellne (1948); G. Mac Gregor, Les frontieres de la morale et de la religion (1952), G Gurvitch, Morale thÚorique et science des moeurs (1961); A. Auer, Autonome Moral und christlicher Glaube (1971) H. Hart, Recht und Moral (1971); W Korff, Norm und Sittlichkeit (1973) W. Wiesenhofer, Wer macht die Moral (1974); H. Rotter, Grundlagen der Moral (1975).
moraal'filosofie
(moraalfilozofie) v., natuurlijke of wetenschappelijke zedenleer, deel van de praktische wijsbegeerte dat handelt over de beginselen, normen en wetten van het behoorlijk menselijk handelen. Zie ethiek.
Ethiek'
(etiek) In de geschiedenis is de ethiek de welbewust-systematische reflectie op het hoe en waarom van het menselijk handelen. Ze kwam in het westerse denken op in Griekenland met de crisis van het Griekse rationalisme en met het verlorengaan van de vanzelfsprekendheid van de traditionele Griekse wijze van leven De vertegenwoordigers van deze beweging, de sofisten en Sokrates, betekenen in de Griekse filosofie een wending van de blikrichting van de natuur naar de mens. Zijn in het Griekse denken in verband met de uitgangssituatie (verval van de traditionele levenspatronen, vooral van de polis) oorspronkelijk ethische en politieke bezinning nauw verbonden, bij de oplossing van het klassieke Griekenland (Alexander de Grote) wordt de ethiek zelfstandig in individualistische zin: de ethiek van het hellenisme stelt voornamelijk de vraag naar het juiste handelen en het hoogste goed van de enkeling (cynici, cyrenaici, stoa, epicuristen).
Een belangrijk kenmerk van de antieke ethiek is haar intellectualisme: bepalend voor het juiste handelen is het juiste inzicht; de wil speelt in het Griekse denken een zeer ondergeschikte rol, een wilsbeslissing komt voort uit het afwegen van voorstellingen, waarbij ÚÚn de voorrang krijgt.

Met het christendom als religieuze beweging treedt het wilsaspect op de voorgrond en komt de nadruk te liggen op de juiste gerichtheid achter alle handelen. Hier is zonde geen onwetendheid of verblinding, zoals bij de Grieken, maar ongehoorzaamheid, een onjuiste gerichtheid van de wil. Het middeleeuwse denken is bij Thomas van Aquino intellectualistisch, bij Duns Scotus voluntaristisch. De moderne tijd is, ondanks een herleving van de oude posities vooral tijdens het rationalisme, overwegend voluntaristisch (Kant, Schopenhauer, Nietzsche). In het moderne irrationalisme is het ethische een functie van het leven (levensfilosofie b.v. Bergson, Nietzsche), van de praktijk (pragmatisme: het zedelijk goede wijst zich uit in de ervaring door maatschappelijke bruikbaarheid, W. James e.a.) of van de eigenlijke existentie (existentiefilosofie).

Systematisch kan men in de ethiek een tweevoudige benaderingswijze onderscheiden:
a. Enerzijds is de ethiek als moraalwetenschap of zedekunde de praktisch ongeïteresseerde beschrijvende wetenschap van alle op het ethische betrekking hebben de verschijnselen, zonder daarbij waardeoordelen te vellen (b.v. Simmel, De Bussy). Hiertoe horen ook de moderne (vooral Angelsaksische) analytische theorieŰn, die niet zozeer morele waardeoordelen willen vellen, als wel de vraag naar structuur, mogelijkheid tot verificatie en naar de betekenis van ethische oordelen stellen. Opmerkelijk is daaronder de Zgn. emotieve of performatieve theorie, volgens welke ethische oordelen geen bevestigingen in gewone zin (niet in formatief) zijn, zodat daarop het predikaat 'waar' of 'vals' in wetenschappelijke zin niet van toepassing is. De functie ervan is een emotionele beïnvloeding van de hoorder, d.w.z. ze willen iets bewerken (verbeteren, aansporen enz.) en zijn derhalve performatief (R.B. Braithwaite, R.M. Hare, C.L. Stevenson e.a.).

b. Als normatieve wetenschap wil de ethiek rationeel gefundeerde waardeoordelen over het menselijk handelen vellen. Bij de fundering van deze normatieve ethiek kan men een theologische en een filosofische ethiek onderscheiden, al naargelang zij door openbaring bepaald is of uit autonoom denken opkomt.

Bij de theologische ethiek kan men onderscheid maken tussen de gerichtheid van de rooms-katholieke moraaltheologie en de protestantse ethiek. De eerste, die in de onderscheiding van natuur en genade een zekere zelfstandigheid van het natuurlijke leven en denken erkent, heeft een meer geconcretiseerde deugdenleer kunnen ontwerpen. De laatste stelt het geloof als alles beheersende gerichtheid van het bestaan centraal, van waaruit in het concrete geval de beslissing als daad van het individuele geweten moet vallen; een geconcretiseerde ethiek is dan ook naar protestantse opvatting een omstreden zaak.

In de filosofische ethiek heerst inzake de bepaling van de laatste norm voor het handelen een grote verscheidenheid van opvatting. De maatstaf kan zijn de verwerkelijking van een hoogste goed, dat dan weer nader bepaald wordt als gelegen in de deugd in haar verschillende vormen, in de lust als een meer geestelijk of lichamelijk genot (hedonisme), in het geluk van de enkeling of van de gemeenschap (eudemollisme).

Andere bepalingen van de ethische norm zijn: respect voor de persoonlijkheid (personalisme), eerbied voor het leven (Schweitzer), realisering van de klassenloze maatschappij (marxisme) nuttigheid en bruikbaarheid (utilitarisme; pragmatisme) e. a . De norm kan ook gelegd worden niet zozeer in een na te streven goed als wel in de juiste gezindheid, als bij Kant, bij wie slechts de goede wil zedelijk goed genoemd kan worden .

De ethiek kan meer materieel ofwel formalistisch zijn, naargelang het ethisch nastrevenswaardige los van de omstandigheden inhoudelijk kan worden vastgesteld (deugdenleer, casu´stiek) of het ethisch principe pas in de situatie kan worden geconcretiseerd. De moderne ethiek geeft een tendens tot afwending van de materiŰle ethiek te zien (vanwege het erin schuilende gevaar van uiterlijkheid en vanwege het onvervreemdbaar eigene van elke situatie, waarvoor men niet bij voorbaat richtlijnen kan geven) en helt daarmee naar de formalistische richting over (situatie-ethiek; het 'eigenlijk existeren van de existentiefilosofie). In de waarde-ethiek echter word de poging gedaan door een fenomenologische analyse inhoudelijk zedelijke waarden vast te stellen (M. Scheler) In andere richting verzette zich Max Weber tegen de gezindheidsethiek, omdat het handelen uit loutere gezindheid geen rekening houd met de reële krachtsverhoudingen in de concrete situatie en daarover dikwijls averechts werkt. Tegenover de gezindheidsethiek stelt Weber zijn "Verantwortungsethik" , waarbij ieder voor de gevolgen van zijn handelen dient te staan.
Het model
Tot zover de theorie.
Met dit probeersel wil ik mijn idee over waarden, normen en deugden vorm geven om het begrijpelijker te maken voor mijzelf en misschien ook voor een paar anderen.

Om te beginnen hebben we DE WAARDE:
Uit Werkende Waarden van André Bons en Raf Janssen.
Schema: Waarden, naar domein
Privaat betrokkenheid betrouwbaarheid
compassie discipline eenvoud
eerlijkheid fatsoen gelijkheid
gelukgenot gewetensvolheid
integriteit loyaliteit matigheid
menselijke waardigheid moed naastenliefde
onafhankelijkheid ontplooiing oprechtheid
plichtsbesef rationaliteit rechtvaardigheid
redelijkheid respect soberheid
solidariteit spaarzaamheid tevredenheid
tolerantieverantwoordelijkheid vrijheid
wijsheid zedelijkheid zekerheid
zelfstandigheid zelfwerkzaamheid
Dit zijn de Private waarden, maar een dergelijke lijst is bv. ook te maken voor Politieke waarden, Sociale waarden en Economische waarden
Deze waarden zijn positief maar er bestaat to elke positieve waarde ook een negatieve waarden b.v., onrechtvaardigheid, onbetrouwbaarheid, onzedelijkheid, onredelijkheid, etc.
De Waarden, Normen en deugden zijn echter over het algemeen het bekendst onder de positieve pedant.
In Figuur 1 geef ik nu vorm van een waarde aan als een lijnstuk a en de negatieve vorm als een lijnstuk b, terwijl de Norm wordt weergegeven als N.
N staat dus op het theoretische punt waar de + waarde overgaat in de - waarde.
Op dit lijnstuk ab ga ik nu een definitieve plaats N zoeken.
Op dit punt N richt ik nu een loodlijn op.
Deze loodlijn wordt zo lang als de belangrijkheid van deze Norm voor mij is, de lengte geeft dus de belangrijkheid weer.
Deze figuur nu geeft aan waar ik mijn norm heb op de waarden.(+&-)
Maar opzichzelf zegt dat niet veel.
Deze figuur kan ons echter veel meer vertellen.
Als ik nu van deze figuur een drieh. ABC maak, dan kan ik deze verdelen in een positieve en een negatieve drieh. met N op de 0 lijn. (Het schei-punt tussen + en -)
Dit geeft mij dan de mogelijkheid om in dit schema tevens de verdraagzaamheid of tolerantie te tekenen.
Ik doe dit door vanuit het hoogste punt van mijn norm vanuit B een cirkel af te meten.
Dus groter mijn Tolerantie, hoe groter de cirkel, hoe langer de lijn T.
Laten we nu loodlijnen neer vanuit c en a op b, dan zien we aangegeven op b onze Tolerantie.als T.
Hierbij kan dan bv. de ruimte buiten de Tolerantie gezien worden als tabu of niet politiek correct.
Tot dit moment heb ik het model van mijn persoonlijke Norm op de waarde.
Tevens heb ik aangegeven hoe groot mijn Tolerantie, volgens mij, is.
Hoe gaat dat nu als de loodlijn niet werkelijk een loodlijn is, b.v.
In de reclame folder stond (de figuur ABC beschreven als) de werkwijze van de (verzekerings) maatschappij X, op de kansel predikte de voorganger de liefde van Y (volgens ABC.)
Echter volgens de kleine letters en de praktijk bleek de maatschappij X en de "Inquisitie" van Y de figuur AXC.
In de folder staat de verdraagzaamheid ABC uitgespeld, maar als we met de problemen komen blijkt dit plots verandert te zijn in AXC . Hieruit volgt dan dat de ruimte y een misleiding is.

Maar hoe ga ik nu verder in verband met b.v. de cultureel bepaalde waarde en Norm?

Hiertoe maak ik een zelfde model van de culturele Drieh. ABC als mijn persoonlijke model.
De ruimten buiten de Tolerantie ruimte en resp. A en C zijn hier de dogmatisch ruimten van de politieke niet correctheid of de taboe ruimten.
Het culturele model zou het exact zelfde beeld kunnen geven als mijn persoonlijke model, maar dat zal zelden het geval zijn. Daarom ga ik nu op mijn eigen model het model van een cultureel bepaalde norm projecteren.
Zoals nu te zien is, is de culturele norm op een totaal andere plaats gekomen dan de persoonlijke norm. tevens overlappen onze toleranties elkaar niet (T/T-1) zodat wij een probleem krijgen. Mijn norm ligt ver van de culturele en onze tolerantie heeft zelfs geen overeenkomsten waar we elkaar kunnen ontmoeten.
Onder de culturele - kunnen we invullen de kerkelijke -, de partij -, etc.-. In dit geval van ons voorbeeld zou ik er dus goed aan doen b.v. een andere kerk, politieke partij , etc. te gaan zoeken.


Waar de waarde het zelfstandig naamwoord weergeeft (rechtvaardigheid) is de deugd het bijv. naamwoord (ik ben rechtvaardig, mijn doorzettings vermogen) op de zelfde plaats als de norm.
De Normen komen dus overeen met, of vormen, de deugden.

Dit model geeft ons dus ook het beeld van de deugd.

Mijn (en de culturele) normen staan niet opzichzelf staan in verhouding met de vele andere normen die gezamenlijk mijn moraal vormen.
Zie het volgende model ( to be a Gentleman)
Dit model geeft dus een profiel weer van mijn Normen en Waarden.
A- geeft in dit model de verschillende waarden aan, met (N) zijn verschillende normen en deugden.

Mijn norm wordt mede bepaald door die van mijn ouders, school, vrienden, informatie en omgeving.
Mijn pakket normen geeft mij ook de zekerheid dat ik in mijn cultuur juist handel.
Indien ik nu aan een van mijn Normen ga sleutelen, dan breng ik een delicaat evenwicht in gevaar. Op een moment zal mijn bouwwerk van Normen een drastische verandering (moeten) ondergaan. (zie Fractels en Mendelbaum).
Deze veranderingen tasten mijn zekerheden aan. Mijn passer van zekerheden voor het sociale verkeer wordt aangetast. Dit roept angst op en dat wil ik niet, dus heb ik grote weerstanden tegen de veranderingen van Normen in mijn cultuur.
Hoe beter ik nu kan omgaan met mijn angst, hoe beter ik mijn Normen kan aanpassen bij het veranderen van mijn cultuur.
Andersom , indien ik, door mijn angst geregeerd, weiger mij aan te passen, dreig ik stil te blijven staan in de tijd en sta ik open voor allerlei Nationalistische, Conservatieve en racistische groeperingen.

Als ik in een partij zit en mijn psychische afhankelijkheid van het lidmaatschap is groot, dan ben ik minder geneigd tot kritiek op de partij, immers door teveel kritiek zou ik afgestoten kunnen worden, wat mijn eigen norm be´nvloed, zelfs totaal "scheef " kan trekken. Ik kan dan zelfs met "oogkleppen" op gaan lopen om de fouten van de partij niet te zien.
Hoe deze normen op elkaar inwerken wil ik proberen weer te geven in het volgende model.
Indien we nu aannemen dat de getallen een gewicht weergeven van een be´nvloedende norm b.v. AN+BN en die norm een aantrekking heeft (als een magneet) zoals het getal weergeeft, dan kunnen we aan de kern zien waar de te beoordelen norm terecht komt. Gevormd door de zwaarte van de verschillende Normen zou dat dan b.v. 62 kunnen zijn, wat een rangorde zou kunnen aangeven en een zwaarte van de norm.
Let wel : dit is geen exacte wetenschap maar een indicatief model.
Dit zelfde model kan ook gebruikt worden om b.v. een cultuur te analyseren.
Inplaats van de Normen kunnen ook andere indicatoren genoemd worden als de Dominantie van de kerk, de macht van de handel, de militairemacht, het klimaat, de belangrijkste inkomens bronnen als industrie versus landbouw, de geografische gesteldheid als woestijn, bergen e.d., welke met elkaar in verband staan.
Net als onze normen niet star zijn, maar in de loop van de tijd door de verschillende be´nvoedingen kunnen wijzigen, veranderen ook de culturen. Deze op hun beurt zullen weer onze normen en deugden veranderen.
Zie Definities