ZW.-.A.-.Mr-., ZW.-. Zz .-.en Bb.-. in al Uw hoedanigheden,
De naakte waarheid is in de wereld niet te vinden,
de waarheid gaat gehuld in symbolen en beelden.

De titel van dit bouwstuk is ontleend aan een oude tekst die is gevonden in Nag Hammadi en die wordt toegeschreven aan St. Philippus

Het woord 'symbool' is afkomstig van het Griekse woord 'sumbolon', dat verenigen, binden, ontmoeten betekent. In het Latijn wordt dit 'symbolum', in onze taal symbool. Naar zijn afleiding is een symbool derhalve een ding dat zich met iets anders verenigt of verbindt.

Artikel 2 van de Ordegrondwet van de IOGVM "Le Droit Humain" stelt:
Bestaande uit Vrijmetselaren, … stelt de orde zich, … , een rituele en symbolische handelwijze tot taak, … .
We hebben hier dus met een zeer belangrijk wezenskenmerk te doen, zo zelfs dat een rationalist, zonder interesse voor symboliek, zich in de vrijmetselarij niet thuis kan voelen, ook niet tot de kern van de vrijmetselarij kan doordringen. Van de vrijmetselaar wordt de nodige aanleg verwacht om de symboliek van zijn werktuigen te begrijpen en/of aan te voelen. Dit veronderstelt een geschiktheid voor de innerlijke zoektocht.

Er is over symbolen een grote en gevarieerde literatuur verschenen. Goethe, Freud, Jaspers en Jung hebben daar talrijke beschouwingen aan gewijd. Naast dezen hebben uiteraard ook vele theologen en filosofen aandacht aan symbolen en ritualen gegeven.

Symbolen hebben betrekking op aangelegenheden die vooralsnog goeddeels onbekend zijn, dan wel niet goed in begrippen en woorden gevat kunnen worden. Zij hebben een allusieve werking, zij roepen iets op en zij verwijzen naar iets dat onzegbaar is en dat voor ons leven in de wereld toch zeer belangrijk is.
Dit "iets" kan men velerlei namen geven, maar wellicht is de omschrijving "grond van zijn" een goede benadering van dat onuitsprekelijke. Daarom heeft de Zwitserse psychiater Jung gesproken over de levenbrengende werking van het symbool.

Symbolen op zichzelf hebben geen eeuwigheidswaarde. Symbolen kunnen eeuwenlang in gebruik zijn, maar nu niet meer. Blijkbaar hebben ze dan niet meer het allusieve, het heenwijzen-naar, effect dat zij vroeger wel hadden. Zij zijn volledig in woorden en begrippen omgezet; dan heeft het symbool zijn levenbrengende werking verloren. Het spreekt dan alleen nog het koele verstand aan maar niet meer de vitale geest.
De maçonnieke symboliek steunt vooral op drie elementen: de bouw- de licht- en de getalsymboliek. Voeg daarbij nog een omvangrijke secundaire symboliek.

Een symbool lijkt een aantal tegengestelde eigenschappen te bezitten:
1. het zal verschillende betekenissen voor verschillende personen en verschillende betekenissen voor dezelfde persoon op verschillende momenten oproepen;
2. de groep van betekenissen (hoe breed ook) die het symbool oproept, zal niet willekeurig zijn – het symbool kan een haast oneindige reeks van betekenissen hebben, maar ze zijn en blijven op een complexe wijze met elkaar verbonden in een interactie die zelf symboolwaarde heeft;
3. het symbool kan niet zonder verlies vertaald worden in niet-symbolische taal. De inhoud ervan is essentieel symbolisch;
4. de werkelijkheid die het symbool uitdrukt en waarover het handelt is niet onafhankelijk van het symbool zelf te denken. Die werkelijkheid schept het symbool en wordt erdoor geschapen, symbool en betekenis zijn reëel, autonoom en bestaan toch slechts door en in elkaar.

Het effect van een symbool hangt niet alleen af van zijn context, maar ook van wie het voorstellen en wie het ontvangen. Een initiatie is duidelijk een symbolische actie, waarbij de 'mystagogen' (de inwijders in de mysteriën) de 'neofiet' op een symbolische wijze transformeren door hem symbolische voorwerpen of personen te tonen, of hem ermee in contact te brengen en symbolische daden te doen stellen.
Nochtans kan niemand met stelligheid weten of de innerlijke transformatie die de mystagogen hopen te bevorderen – in zekere zin zelf voorgesteld als een mysterie dat ontrafeld dient te worden – al dan niet heeft plaatsgehad.

In Goethes 'Werke' wordt de theorie van het symbolisme bondig, maar perfect weergegeven. Ter staving hiervan volgen twee citaten in vertaling:
Stelling 749: 'De symboliek transformeert de verschijning in idee, het idee in een beeld zó dat die idee immer oneindig werkzaam en onbereikbaar blijft in het beeld en, zelfs al wordt ze in alle talen uitgesproken, toch onuitspreekbaar blijft'.
Stelling 752: 'Dit is de ware symboliek, waar het bijzondere het algemene vertegenwoordigt, niet als droom en schaduw, maar als een levendige en onmiddellijke openbaring van het ondoorgrondelijke'.
Wat Goethe hier met 'idee' bedoelt, zou kunnen overeenkomen met Goblet d'Alviella's universele menselijke symbolen en Jungs universele archetypen.

Het ontplooien, ontwikkelen van wat er verborgen in mensen aanwezig is aan capaciteiten en mogelijkheden, gekoppeld aan een religieuze ondergrond, werd in de twintiger en dertiger jaren onder de aandacht gebracht door Carl Gustav Jung.
Hij was een tijdlang leerling van Freud en hield zich ook bezig met het onbewuste, dat deel van de menselijke geest dat niet direct rationeel te bereiken is. Hij ging er echter vanuit dat dit onbewuste niet alleen persoonlijke inhouden bevat, zoals verdrongen wensen, "vergeten" ervaringen en dergelijke, maar ook elementen die uit de evolutie van de mensheid als geheel stammen.
Dergelijke inhouden, die uit dit zogenaamde collectief onbewuste komen en die gestalte krijgen in beelden en symbolen, noemde hij archetypen. Zij maken deel uit van iets dat universeel is en in dromen ook weer aan individuele personen verschijnt.

Archetypen zijn oer-vormen voor wat er in de mens aan krachten en mogelijkheden aanwezig is. Door de archetypische beelden te leren verstaan, kan een mens daarmee in contact komen. Pas door de verbindingen te leggen tussen het bewuste en het onbewuste kan men zich ten volle ontplooien.
Bekende archetypen zijn de anima en de animus (het onbewust vrouwelijke in de man en het onbewust mannelijke in de vrouw), de schaduw (het donkere, negatieve in zichzelf) en het Zelf, de grote moeder (het aardse, levengevende).

Het Zelf is bij Jung het centrale begrip in het proces van persoonlijke ontwikkeling. Het slaat niet, zoals bij Freud, op een bewust ego, maar het bevat de totaliteit van bewuste en onbewuste inhouden. Het realiseren van het Zelf is het in harmonie brengen van bewuste en onbewuste krachten.
Daarbij gaat Jung ervan uit dat het onbewuste niet door het bewuste kan worden beheerst en opgeslokt, omdat dit daarvoor te groot is. Het staat immers in verbinding met het collectief onbewuste en het goddelijk principe.
Daardoor kan het realiseren van het Zelf een grote innerlijke vrede brengen: men heeft de leiding overgegeven aan een onzichtbare centrale kracht, waarbij tegenstellingen worden opgeheven.

De universele grondvorm van het archetype van het Zelf wordt, aldus Jung, getypeerd door een verdeling van de ruimte in vier segmenten, die samenkomen in een centrum. Een uitdrukking hiervan is het oude Keltische symbool van de drievoudige omheining dat staat voor het menselijk bewustzijn.
Het buitenste vierkant symboliseert het deel van de geest dat via de zintuigen met de tastbare wereld in contact staat. Het binnenste vierkant is het onbewuste dat goden en andere werelden kan waarnemen. Het middelste vierkant is het deel van de geest dat ontvankelijk is voor de fysieke én de spirituele wereld.

De mens heeft altijd symbolen gebruikt om uiting te geven aan zijn inzicht in de dynamische, creatieve krachten achter het leven: de elementen, goden of kosmos.
Op een meer praktisch niveau zijn symbolen, vooral symbolische verhalen als mythen en legenden, gebruikt om uiting te geven aan abstracte begrippen als waarheid, rechtvaardigheid, heldhaftigheid, genade, wijsheid, moed en liefde. In Jungiaanse termen betekent dit dat ieder mens geboren is met een instinctieve voorkeur voor deze kwaliteiten, eigenlijk een set innerlijke blauwdrukken (archetypen) van wat het betekent een compleet mens te zijn.
Volgens Jung hangt onze psychische gezondheid samen met de mate waarin we de conflicterende archetypische krachten in onszelf aanvaarden en verwerken. Het streven naar zelfkennis door middel van symbolen is niet exclusief voor de psychologie van Jung: zelfkennis is een aspect van de spirituele verlichting die door alle grote filosofieën en godsdiensten wordt nagestreefd.

Krachtiger symbolen dan goden bestaan niet. Goden kunnen heftige emoties en grote krachten losmaken. In Jungs bewoordingen zijn goden bewuste uitingen van onbewuste archetypische krachten.
De goden en symbolen waarmee ze geassocieerd worden, komen in feite uit onze eigen psyche voort en ontlenen daaraan ook hun vorm.
Maar ze hebben zo'n sterke invloed op ons onbewuste dat het lijkt alsof ze afkomstig zijn uit een spirituele bron buiten ons. Daarmee is geenszins beweerd dat we de goden – of God – kunnen reduceren tot een spinsel van de collectieve verbeelding.
Want het collectief onbewuste zou immers met een nog dieper werkelijkheidsniveau in contact kunnen staan, een niveau dat de werkelijke creatieve bron van het leven is. Volgelingen van Jung stellen eigenlijk alleen dat we moeten inzien dat als we deze bron blootleggen, zij alleen een symbolische vorm kan aannemen.
Ook de bijbel leert dat wie God in het gelaat ziet, niet meer verder kan leven. We kunnen God alleen in een beperkte symbolische vorm kennen.

Rituelen vormen een belangrijk element in alle samenlevingen, vroeger en nu. Een ritueel is een uitbeelding van een spirituele reis – of in Jungiaanse termen, een reis naar en door het collectieve onbewuste – waarbij het lichaam een symbool is van de geest. Rituelen kunnen laten zien dat we op doorreis zijn en herboren terugkeren, waarbij we onze identiteit hebben opgeofferd en een nieuwe levensfase zijn ingegaan. In veel religies weerspiegelen rituelen de veronderstelde orde in de hogere wereld en smeden een nauwere band tussen de menselijke en de goddelijke wereld.

De Grieks-Armeense mysticus en filosoof George Ivanovitch Gurdjieff heeft erop gewezen dat wij veel hebben van mensen die in prachtige huizen wonen maar eigenlijk nooit verder komen dan de kelder.
De menselijke geest is inderdaad te vergelijken met een prachtig huis maar als we onze aandacht niet richten op onderwerpen die verder gaan dan het alledaagse, blijven we beslist vreemden voor onszelf.

In de aanvang van dit bouwstuk heb ik de visie van Br Bär aangehaald waarin deze stelt dat een rationalist, zonder interesse voor symboliek, zich in de vrijmetselarij niet thuis kan voelen en dat van hem de nodige aanleg wordt verwacht om de symboliek van zijn werktuigen te begrijpen en/of aan te voelen. Vervolgens ben ik ingegaan op meer universele uitgangspunten en visies inzake symboliek, haar werking en beleving. Gegeven het onderwerp van dit bouwstuk zou men de schrijver mogen toekennen dat hij belangstelling heeft voor de universele waarden en werking van symboliek. De vraag die zich aandient: geldt dit ook voor de specifieke symboliek binnen de vrijmetselarij?

De Leerling en de Gezel raken in aanvang stap voor stap bekend met de primaire betekenissen van de symboliek zoals die daar binnen de vrijmetselarij aan worden toe-gekend. Deze zijn veelal logisch en passend en hebben - althans zo heeft de schrijver dit ervaren – een zinvolle betekenis als metafoor; zowel binnen de maçonnieke als tijdens de profane arbeid.

Zoals reeds in mijn Leerlingen bwst werd benadrukt is de harmonie, uitgaande van de Vdm mij in de dagelijkse arbeid zeer welkom. Wat oorspronkelijk als een geduide betekenis is aangereikt, begint een onlosmakelijke eenheid te vormen met de dagelijkse verdeling van mijn energie. Men zou het bijna in letterlijke zin 'levengevend' kunnen noemen omdat de verdeling van energie ruimte creëert voor het opladen van energie van een andere orde. Niet alleen meditatie, contemplatie, ontspanning en creatie bewerkstelligen dit, maar bijv. ook de gegeven energie aan een medemens in de vorm van oprechte aandacht.
In de Gezellen graad maakte ik kennis met de Hb die zowel de werking van opheffen als van breekijzer in zich draagt. De eeuwige dualiteit in mijn profane bezigheden als crisismanager. Ook de lichtsymboliek die zo sterk doorstraalt in de initiatierituelen van de VM heeft zeker de werking van een spirituele reis naar en door het collectieve onbewuste waarbij de oude identiteit is opgeofferd en men een nieuwe levensfase is ingegaan. De donkere kamer: de kamer van overpeinzing; het geblinddoekt zijn en het terugkrijgen van het licht, omringd door nieuwe Bb en Zz; in de 1° en de vijf rondgangen door het O in de 2° hebben die werking.
Omdat mijn inwijding als AL plaatsvond in de nogal sombere T in Wageningen, terwijl mij Gez inwijding plaatsvond hier in Velp, ben ik onzeker of mijn belevingen van die momenten niet mede sterk zijn ingegeven door de lichtende kracht van de omgeving. Iets, moet zich echter hebben voorgedaan wanneer ik tenminste de uitspraak van een Zr serieus neem – en dat doe ik – dat zij bij mij tijdens de inwijding als Gez een voor haar duidelijk zichtbare witte aura waarnam.

Zonder de zinvolheid en werking van een metafoor te willen ontkennen, is een metafoor echter van een geheel andere ordegrootte dan de leven-brengende werking die Jung aan een symbool toeschrijft of zoals Goethe dat in zijn stelling 749 benoemt: 'De symboliek transformeert de verschijning in idee, het idee in een beeld zó dat die idee immer oneindig werkzaam en onbereikbaar blijft in het beeld en, zelfs al wordt ze in alle talen uitgesproken, toch onuitspreekbaar blijft'.

Één handeling heeft voor mij een zó sterke allusieve werking opgeroepen, dat ik het met enige voorzichtigheid zou durven aanduiden met een symbolische betekenis zoals Goethe en Jung die formuleren: het openen van het Bv.d. HK dat zich bij het openen opent als mijn eigen levensboek, opengeslagen op de bladzijde van het Hier en het Nu. Wanneer mij dan ook nog het voordeel is gegeven als Br v. T het licht daarop te ontsteken zal mogelijk ook u de symbolische werking die dit voor mij heeft duidelijk worden.

De achtereenvolgende fasen van symboliek en haar ervaring die de revue passeerden: geduide betekenis, metafoor en levenbrengende werking, lijken een logische ontwikkeling op het pad van de verdieping zoals men die tegen komt binnen bepaalde symboolstelsels Een symboolstelsel is een symbolische kaart van de werkelijkheid, die de topografie weergeeft van de geestelijke en emotionele wereld die zich aan ons geestesoog toont. Een symboolstelsel kan zijn volle betekenis slechts laten zien als we ons vertrouwd maken met elk aspect ervan. Ieder symbool in een systeem heeft niet alleen een betekenis op zich, maar staat ook in relatie met de andere symbolen. Net als een ingewikkelde compositie, is het totaal meer dan de som der delen.

De buitengewone rijkdom en complexiteit van symboolstelsels als Hermetica, Alchemie, Kabbala, maar ook Astrologie, Tarot en vele andere, laat zien hoe creatief de mens kan zijn. Maar ze gaan ook dieper dan dat. Het fascinerende van symboolstelsels is eigenlijk dat ze aansluiten bij wezenlijke aspecten van de menselijke aard – ze verwijzen naar een gemeenschappelijke wijsheid waarvan we de waarheid wel inzien, maar die we nooit echt in woorden formuleren. Het lijkt aannemelijk dat symboolstelsels zijn voortgekomen uit de voorstellingen van mensen die in nauwer contact stonden met de diepste waarheid dan wij momenteel doen.

Wie de spirituele atlas van symboolstelsels doorbladert, zal doorgaans ontdekken dat het ene systeem een grotere aantrekkingskracht uitoefent dan het andere. Gedeeltelijk heeft dit te maken met culturele factoren, maar ook individuele eigenschappen spelen een rol. Bovendien vraagt het ene symboolstelsel meer dan het andere van de leerling. Zo is de inwijding in een occult (=verborgen) systeem een langdurig proces, waarbij de beoefenaar de innerlijke waarheid slechts mondjesmaat te weten komt, aangezien men hem wil beschermen tegen de psychologische schade die kan optreden als er plotseling psychische energie vrijkomt.

Een occult systeem is een wijsheidssysteem dat naar de mening van de beoefenaars geheimgehouden dient te worden. De gemeenschappelijke noemer van de talloze occulte systemen is dat ze proberen met symbolische middelen een ingrijpende bewustzijns-verandering tot stand te brengen die de beoefenaar in staat stelt bepaalde waarheden over zichzelf en de werkelijkheid te ontdekken.

De parallellen tussen de Vrijmetselarij en occulte wijsheidssystemen - in het bijzonder de lange weg die de beoefenaar heeft te gaan – zijn duidelijk.
Het einddoel wordt door Br Karl Laurent van de AL "Diogenes" in België, zo treffend onder woorden gebracht met het volgende citaat:
"Om een leerling te worden van, een gezel voor en een meester over jezelf.
Zo moge het zijn.


Bibliografie Apostel, Leo: 'Vrijmetselarij, een wijsgerige benadering', Hadewijch, Antwerpen, 1995 Bär, dr.ir. A.L.S.: 'Wat is vrijmetselarij?', Van Dishoeck, Bussum, 1974 Biedermann, prof.dr. Hans: 'Symbolen, historisch-culturele symbolen van A tot Z', Spectrum, Utrecht 1994 Broek, R. van den & G. Quispel: 'Corpus Hermeticum', Ambo, Baarn, 1990 Dierickx S.J., M.: 'Vrijmetselarij, de grote onbekende – een poging tot inzicht en waardering', De Nederlandse Boekhandel, Utrecht, 1972 Fokker, Anky F. e.a.:'Leven is als weven', Ten Have, Baarn, 1997 Fontana, David: 'De verborgen taal van het symbool – Magie, beeld en betekenis', Fibula/Unieboek, Houten, 1994 Jung, C.G.: 'De mens en zijn Symbolen', Lemniscaat, Rotterdam, 1966 Pieyns, René: 'Het rijke maçonnieke leven – de gewone arbeid (eerste boek)', Fonds Marcel Hofmans, Brussel, 1997 Pieyns, René: 'Het rijke maçonnieke leven – de koninklijke kunst (tweede boek)', Fonds Marcel Hofmans, Brussel, 1999 Pieyns, René: '25 Instructies ten behoeve van de reizende Gezel', Fonds Marcel Hofmans, Brussel, 1991