1e CLARA MEIJER-WICHMANN LEZING

"MENSENRECHTEN EN GEWELD"

ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de mens op 10 december 1988 in de kerk "De Duif" te Amsterdam gehouden door A.F.Lascaris


Liga voor de Rechten van de Mens



MENSENRECHTEN EN GEWELD
Een van de kenmerkende verschillen tussen 10 december 1948 en de dag van vandaag is dat althans in de West-Europese samenleving op grote schaal het vertrouwen verdwenen is in levensbeschouwelijke tradities. Ideologieen brengen mensen niet meer in beweging alle levensovertuigingen hebben moeite volgelingen te vinden en belangstelling te wekken.
Dat geldt van de christelijke traditie maar evenzeer van de humanistische de sociaal-democratische de communistische en liberale levensovertuiging. Zij; alle vinden het bijna onmogelijk een taal te vinden waarin zij met name de nieuwe generatie kunnen aanspreken. Er heerst onzekerheid of er in onze samenleving nog wel vraag is naar het hebben van een levensovertuiging. Er worden wei nieuwe gedachten ontwikkeld maar zij blijven doorgaans in een eerste aanzet steken worden niet of slechts ten dele overgenomen en snel weer voor andere ingewisseld. Noch zij noch de oudere levensbeschouwelijke tradities schijnen de kracht te hebben mensen gezamenlijk in beweging te brengen.

Dit gebrek aan richting is niet slechts een probleem voor denkers filosofen en theologen. Het laat zich bijvoorbeeld voelen op het gebied van de politiek. Het verwijt van de bejaarde conservatieve Amerikaanse politicus Barry Goldwater in september dit jaar aan het adres van de toenmalige presidentskandidaat van zijn partij; George Bush dat het tijd werd eens over de issues te praten is meer dan een grappig incident. Ook in Nederland verliezen de politieke partijen aan gezicht zij krijgen een menselijk gezicht dat van hun politieke leider waarbij de persoon van de leider belangrijker wordt ten koste van de traditie die de partij vertegenwoordigt. Zelfs de sport verenigt niet meer zoals vroeger de mensen in een enthousiast gebeuren uitzonderlijke gebeurtenissen ais het winnen van het Europees kampioenschap- voetballen daargelaten.
De teamsport moet het afleggen tegen individuele sporten. Al de pogingen deze eeuw om te zoeken naar nieuwe vormen van gemeenschap verliezen het tegen het onstuitbaar oprukken van het individualisme. Onze samenleving wordt gefragmenteerder. Het wordt onduidelijk wat ons bindt in en tot onze samenleving. De oude vlaggen wapperen nog wel en de oude Instituten werken door soms met een grote creativiteit maar tegelijk is er een algemeen verbreid gevoel op een dood punt aangeland te zijn.

Deze ontwikkeling komt niet uit de lucht vallen. In 1947 verscheen hier in Amsterdam het beroemd geworden boek van Max Horkheimer en Theodor Adorno Dialektik der Aufklarung waarin zij al aankondigen dat het project van de Verlichting in een doodlopende straat dreigt te belanden. Het individu dat door de Verlichting zo centraal is gesteld kan volgens hen zich alleen handhaven door steeds weer aspecten van zichzelf uit te drijven. Het geloof in eigen autonomie, in eigen kunnen, het recht voor zichzelf op te komen - alle vruchten van de Verlichting - hebben een fragrentatieproces op gang gebracht dat de vraag oproept of nog andere elementen ons binden dan een vervagend gemeenschappelijk verleden. Postmoderne filosofen verdedigen dat het niet meer mogelijk is bindende uitspraken te doen over de werkelijkheid waarin wij leven. Wat ons overblijft is met de werkelijkheid te spelen, te experimenteren en te zien wat er uit komt. Of in een politieke constellatie een op zich redelijk standpunt - men kan daarbij denken aan de mensenrechten - zich doorzet hangt af van macht de mogelijkheid iets af te dwingen van geweld.

Een van deze filosofen Jean-François Lyotard betwijfelt of de werkelijkheid het zijn wel éen is: We hebben geen enkel houvast om de stelling te verdedigen dat het zijn één is. In hun ogen is het ik dat mede de grondslag vormt van het denken over de mensenrechten niet meer te redden als het centrum van waaruit het mogelijk is greep op de werkelijkheid te krijgen. Ten onzent heeft Jacques Janssen in dit verband een aardig beeld gebruikt: Hedendaagse mensen construeren cultuur zoals vogeltjes hun nest: allemaal op hun eigen houtje maar je vindt er de hele omgeving in terug.

Deze vergelijking gaat echter mank: vogels hebben ingeprent gekregen hoe ze hun nest vorm moeten geven mensen hebben dat niet. Kunnen we wel allemaal op eigen houtje aan het nest van de cultuur bouwen?
De hoop die de ondertekenaars van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bezielde is maar ten dele in vervulling gegaan. De mensenrechten functioneren wel zij brengen mensen samen voor een gemeenschappelijke zaak en worden in tal van rechtsgedingen gebruikt als een hogere norm. Evenzeer is het echter zo dat zij zelf stof tot conflict zijn geworden zodat ontwapeningsbesprekingen zoals die in Wenen vertraagd worden.
Reeds door president Carter maar vooral door de regering Reagan zijn de mensenrechten gebruikt als een wapen tegen het communisme.
In Oost-Europa daarentegen gaat men er vanuit dat er behoudens mogelijke oneffenheden geen fundamentele spanning bestaat tussen de overheid en de burgers. Integendeel de socialistische overheid is bij uitstek de groep die de belangen van de burgers behartigt. Juist zij is de meest effectieve waarborg voor de handhaving van de mensenrechten. In de klassieke marxistische traditie blijven de mensenrechten van ondergeschikte betekenis.
Het gaat uiteindelijk om de komst van het communisme door de geboortepijnen van revolutie en geweld heen. De mensenrechten zijn ondergeschikt aan de beweging naar het communisme toe en zijn overbodig wanneer het communisme eenmaal gevestigd is.

Zonder afbreuk te doen aan haar strijd voor het recht van ieder mens kunnen we ons afvragen of bij Clara Meijer- Wichmann die in de-leer is geweest bij Hegel, de mensenrechten op intellectueel vlak voldoende verantwoord worden. In haar inleiding tot de Filosofie der samenleving schrijft ze: In zoverre het wezen der samenleving differentiatie is, is het ook strijd. Maar in zoverre het tevens voortdurend reïntegratie is is het ook verzoening. Dus evenzeer als de eeuwige vrede-zonder-meer een illusie, is evenzeer is de sceptische leer van den eeuwige-strijd-zonder meer een vergissing. De ware werkelijkheid is een werkelijkheid van voortdurend uiteen- en ineengaan, voortdurende strijd én verzoening.
Doch in de werkelijkheid kant de verzoening anders tot stand dan wij het in onze gedachte wel zouden willen afbakenen. Zij betekent strijd op een ander gebied. Want zodra de saamhorigheid van één groep in haar strijd tegen een andere begint los te laten, vormt zich een nieuwe constellatie en staan weer andere groepen tegenover elkaar.

Volgens haar ligt de diepe zin van het leven in het ontplooien en verschrompelen van onze rnaatschappij. Het kwaad blijft eeuwig aanwezig betrekkelijk gerechtvaardigd door zijn onvermijdelljkheid. Er zijn geen verbeteringen voorgoed mogelijk. Het streven naar verandering leidt wel tot verbeteringen zoals de wereldvrede maar verbeteringen zijn maar de helft van de menselijke geschledenis. Maatschappelijke activitelt ten bate van het recht van ieder mens draagt bij aan deze verbeteringen. Maar de vraag blijft of zo de mensenrechten als zodanig de grondslag kunnen zijn van de menselijke saamhorigheid. Komt deze rol bij haar niet eerder toe aan het proces van strijd en verzoening ?

In de derde wereld worden de mensenrechten wel aanvaard maar ze worden toch gezien als een typisch westerse ideologie. In de meeste culturen van de derde wereld heeft het individu een minder centrale plaats. Stam- en familietradities overheersen ook overigens tegenover het centrale gezag van de staat. Het recht op onderwijs is een goed recht maar als het invoeren van het schoolsysteem ertoe leidt dat het fijne netwerk van een cultuur vernietigd wordt moet dit recht minstens op een andere wijze geïnterpreteerd worden. Wanneer alles erop gericht is eenvoudigweg te overleven dan lijken de mensenrechten een westers luxe-artikel.

De uitbreiding van de oorspronkelijke Universele Verklaring van de Rechten van de Mens met het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (1966) en het Internationale Verdrag inzake Economische en Politieke Rechten (1966) alsmede met de slotakte van de Conferentie van Helsinki (1975) dreigt de mensenrechten te vervlakken en krachteloos te maken. Wie -te veel - vraagt wordt overgeslagen.
Bij dit alles speelt een rol dat de zwakte van de grondslag van de mensenrechten steeds zichtbaarder wordt. Ze zijn immers geformuleerd In de tijd van de Verlichting met haar geloof in de autonome van elk individu. Dit geloof lijkt nu weliswaar in het westen algemeen gevestigd te zijn maar tegelijk stelt het ons meer en meer voor de vraag wat ons nog samenbindt.
De mensenrechten zijn in de achttiende eeuw ontstaan in de strijd tegen de willekeur van de staat waarvan de beslissingen onvoorspelbaar waren zodat een voortdurend gevoel van onveiligheid werd opgeroepen. Hiertegen werd naar Juridische zekerheid gezocht. Alleen aan die wetten is het individu onderworpen die publiek zijn afgekondigd geen terugwerkende kracht hebben en inhoudelijk de waardigheid van de mens respecteren.

De mensenrechten zijn het produkt van de burgerlijke klasse van de achttiende eeuw. Zowel in hun uitgangspunt als in hun formulering zijn ze sterk individualistisch. Steeds weer duikt het probleem op hoe ze te verzoenen zijn met het recht van elke natie op eigen beslissingen zonder inmenging van buiten. Het individualisme heeft juist zoveel bijgedragen tot de fragmentatie van onze samenleving met alle geweld dat daarbij naar buiten komt.
Ik schep immers mijn wereld vanuit mijzelf in deze opvatting en ik ontmoet anderen die dezelfde pretentie hebben. Elkaar weigeren we dan het recht te geloven dat de wereld die ieder van ons geschapen heeft de werkelijke wereld is. Zo is het geweld voortdurend onder ons aanwezig.
Kan de oproep tot het opkomen voor de mensenrechten daarom nog wel een wervende kracht hebben ? Kunnen de mensenrechten wel een bindende vrede-scheppende kracht zijn in onze samenleving?

In zijn vorig Jaar gepubliceerde boek Filosofie des droits de l'homme (Brussel 1987) zoekt Guy Haarscher naar een oplossing. Volgens hem is de moeilijkheid van de zaak dat daar de mensenrechten niet begrepen kunnen worden zonder de spanning tussen het individuele en het universele en God die het tweede element belichaamde nu eenmaal dood is het universele zijn objectieve status zijn transcendentie en in- zichzelf-zijn schijnt te verliezen.
Haarscher wil niet terug naar een godsgeloof een negatieve theologie een Zijn als eindbestemming van het westen en andere schwarmereien . Een hiërarchische kosmos waarin het ene zijnde boven het andere staat kunnen we niet meer aanvaarden. Hij kiest voor het menselijk individu al weet hij dat dit een duistere keuze is waarvan de gevolgen nu nog aan het denken ontsnappen. De vooronderstellingen waarop de mensenrechten zijn gebaseerd zijn ten dele fictief maar we mogen het burgerlijk en possessief individualisme niet identificeren met het ethisch individualisme in de zin van respect voor het individu dat alleen geboren wordt en alleen sterft.

Het individu staat niet alleen negatief tegenover andere individuen maar ook positief. De ander is niet alleen rivaal hij; is ook degene waarmee een gesprek wordt gevoerd. De keuze ligt tussen het geweld en het gesprek. De mensenrechten betekenen in laatste instantie dat het respect voor de ander de laatste norm is van de politiek. Sinds onze ervaringen met totalitaire regimes hebben de mensenrechten inderdaad een kwaliteit gekregen die de oude formuleringen overstijgt.
Haarscher wil bovendien ontkomen aan de beschuldiging van idealisme dat de mensenrechten zou kunnen aankleven.
De verdediger van de mensenrechten moet niet tot onmacht veroordeeld worden maar moet durven vuile handen te maken. In dit verband pleit hij voor het gebruik van het goede geweld het geweld dat de mensenrechten effectief maakt al weet hij dat het niet mogelijk mathematisch a priori de grens te markeren tussen het goede- en het slechte geweld. De mens is verplicht in bepaalde situaties zich te verzetten. hij moet dit zo doen dat de Realpolitiker volgens zijn eigen logica rekening moet houden met dit verzet. Daarbij kunnen wel eens onorthodoxe middelen nodig zijn.

Hoewel Haarscher in beginsel kiest voor het gesprek en tegen het geweld sluit hij de mogelijkheid niet dat In bepaalde situaties enig goed geweld nodig is om te waarborgen dat er Überhaupt een gesprek mogelijk blijft. In allerlaatste instantie beslist het geweld zij het dan het goede geweld. Het samenleven van individuen die allen hun eigen wereld scheppen wordt uiteindelijk mogelijk gemaakt door het geweld.
Al eerder had Bernard-Henri Lévy op gemerkt dat het sociaal contract waardoor staat en samenleving volgens de filosofen van de Verlichting tot stand zouden komen - of dit nu al of niet positief beoordeeld wordt -In alle gevallen een offer van het individu veronderstelt En offers dragen de geur van geweld om zich heen. Het woord geweld is nu al menig keer in deze voordracht gevallen en maakt deel uit van de titel ervan. We zullen niet proberen het woord geweld precies te definiëren. Het is éen van die woorden zoals ook het woord macht die ontsnappen aan onze pogingen er volledig greep op te krijgen.
Als werkdefinitie zou kunnen gelden dat daar sprake is van geweld waar een individu of groep gedwongen wordt iets te doen of te ondergaan wat tegen zijn belang indruist. Het is mijns inziens een rationalisatie onderscheid te maken tussen goed en slecht geweld. De gebruiker van het geweld zal altijd zijn daad verdedigen als goed geweld. Geweld is altijd een kwaad, al draagt de gebruiker van het geweld soms geen persoonlijke schuld wanneer hij het aanwendt.
De benadering van Haarscher wijst bovendien geen uitweg uit het probleem van de fragmentatie van onze samenleving. Hoe vinden we een gemeenschappelijke taal waarin we ons gesprek kunnen voeren ? Hoe komen we op het spoor van een gezamenlijk gespreksonderwerp ?
In zijn boek Mens en Mensenrechten (Alphen aan de Rijn 1981) wijst D.Scheltens erop dat het gesprek wel de plaats kan zijn van rechts-vinding maar niet van rechtsschepping. Wat waar is en ethisch goed wordt niet in het gesprek geschapen maar gaat daaraan vooraf.

Een betere weg om de mensenrechten te verantwoorden lijkt mij het opgeven van de vooronderstelling waarop zij oorspronkelijk werden gebaseerd: de autonomie van het individu. Hierbij wordt ons van uit een onverwachte hoek hulp gebodem de literatuurwetenschapper René Girard heeft het aloude begrip "mimésis","imitatie" navolging dat al sinds Plato een prominente plaats heeft in de esthetiek opnieuw in het centrum geplaatst Hij heeft daaraan een breder werkingsveld gegeven dan ooit te voren. hij verwijst daarvoor naar de Griekse wijsgeer Aristoteles die reeds stelde:
Nadoen is eigen aan de mensen vanaf de kindertijd die daarin van andere levende wezens verschillen dat zij een betere nabootser zijn en door het nabootsen hun eerste kennis verwerven. Vrij vertaald: de mens verschilt daarin van de apen dat hij beter is in het na-apen. Deze stelling strijkt ons tegen de haren in. We voelen ons erdoor emotioneel bedreigd. Immers van onze vroegste jeugd wordt ons aanbevolen origineel te zijn en is ons ingeprent als een mensenrecht dat wij niet aan anderen horig hoeven te zijn.
Deze zucht naar originaliteit maakt ons blind voor de werkelijkheid waarin wij leven. De meest populaire tv-shows in het afgelopen seizoen waren de Play back-show en de Sound mix-show die beide gebaseerd zijn op het verschijnsel imitatie.
Onze architectuur is over het algemeen weinig origineel en beweegt zich voortdurend tussen onleefbare grootschaligheid en kneuterige kleinschaligheid. De politieke partijen - ik heb het al aan het begin gezegd - verliezen hun eigenheid.
De pogingen van de verschillende zuilen in de media zich te profileren leiden tot grote eenvormigheid. Onze cultuur is in haar geheel eenvormiger geworden. Hoe meer we het verschijnsel van de nabootsing uit het oog verliezen te meer doet het zijn invloed gelden niet gehinderd als het wordt door een kritische reflectie.

De mimesis is een fundamentele wet van het menselijk bestaan. Een individu ontstaat uit de poging van twee andere individuen om zichzelf te herhalen zich voort te zetten opvolgers en navolgers te hebben zich te reproduceren. Wanneer een mens eenmaal geboren is wordt hij geconfronteerd met zijn ouders en in toenemende mate met anderen.
Hij kan geen weerstand bieden aan de massale oproep tot navolging die van hen uitgaat en begint te imiteren. Al tussen de 12 en 21 dagen na zijn geboorte kan een kind de bewegingen van handen en gezichtsuitdrukkingen van volwassenen nabootsen zonder te weten wat zij betekenen. Dit nadoen gaat zich herhalen op steeds meer gebieden. Het nadoen wordt bevorderd door het nadoen zelf:
een kind kan eindeloos eenzelfde geluid of beweging herhalen wanneer het dit eenmaal ontdekt heeft.
Deze herhaling breidt zich niet alleen uit in de ruimte maar ook in de tijd.
Kan een kind een bepaalde gelaatsuitdrukking van een ander aanvankelijk slechts imiteren op het moment waarop het haar waarneemt later kan het haar nadoen nadat er tijd verstreken is en het model dat geïmiteerd wordt al uit de gezichtskring is verdwenen. Het geheugen begint te ontstaan en daarmee de mogelijkheid om te leren. Het kind wordt binnengeleid in de taal waarvan we nu weten dat zij niet zo maar een willekeurig systeem van tekens is maar een wijze van denken en in de-wereld-staan.

Girard haalt verschillende getuigenissen uit de literatuur aan om te laten zien dat wij niet alleen in spreken en denken elkaar imiteren maar ook in het begeren in het willen hebben. Wij begeren via anderen, wij willen iets hebben omdat dit al door een ander begeerd wordt of bezeten wordt. Zelfs datgene waarvan we vaak denken dat het, meer nog dan ons verstand, van ons is, onze verlangens en begeerten, zijn imitaties van anderen.
De reclamewereld is daarvan al lang overtuigd en probeert ons steeds weer te verleiden tot nieuwe aanschaffen door naar anderen te verwijzen die dit waspoeder of deze auto reeds bezitten.
In de lijn van de gemeenschappelijke illusie waarin wij leven die van de autonomie van het individu zegt de reclame ons dat wij pas echt origineel zijn als we hetzelfde aanschaffen wat duizenden zo niet miljoenen voor ons reeds hebben aangeschaft. We doen de menselijke werkelljkheid meer recht als we individuen zien als knooppunten van relaties die een nabootsend karakter hebben.
Het individu is een knoop in een netwerk van verhoudingen. Op dat kruispunt, het individu, komen ontelbare relaties samen, te beginnen met die van zijn vader en moeder. In de loop van het leven komen er voortdurend meer bij.
Elk individu is verbonden met talloze andere individuen talloze andere knooppunten waarvan hij het bestaan zich maar ten dele bewust is. Zij maken alle deel uit van het individu. Elk individu heeft toch een grote uniciteit want het is een unieke plaats waar juist deze relaties samenkomen. Er zijn geen twee mensen die precies hetzelfde relatiepatroon hebben.
We kunnen het individu wei vergelijken met een knooppunt in een net of een wollen deken, maar tegelijk schiet deze vergelijking tekort. Ieder wordt geboren op ean andere tijd en een andere plaats heeft ander genetisch materiaal en zelfs waar de verstillen minimaat zijn zoals bij tweelingen, dan nog zal de wijze waarop zij zich tot anderen en tot elkaar verhouden verschillen.
We zijn tegelijk ten diepste met elkaar verbonden en ten diepste uniek. Mede dankzij de veelheid van mogelijke relaties heeft eenieder de vrijheid te kiezen en binnen de grenzen van de nabootsing zelf te bepalen hoe zich tot anderen te verhouden wie na tevolgen en wie niet. Deze keuzes laten de anderen niet onverschillig want al deze beslissingen raken uiteindelijk heel het netwerk van menselijke verhoudingen.

Wie geweld pleegt tegen een ander de waardigheid van de ander afbreuk doet de ander geen recht doet miskent daarbij; zowel de ander als zichzelf. Hij schaadt zichzelf maar tegelijk de ander. Mensenrechten betreffen de rechte verhoudingen tussen mensen. De mensenrechten beschermen de eenling niet tegenover de anderen noch perken ze de vrijheid van het individu in ten bate van de anderen.
Zij betreffen de rechte verhoudingen tussen individuen die pas tot hun recht komen binnen deze verhoudingen. Deze mimetische verbondenheid tussen mensen is mijns inziens de grondslag van de mensenrechten en van alle recht. Deze zelfde mimetische verbondenheid die mensen samenbindt en ze oproept geen geweld te gebruiken kan echter ook de oorzaak worden van conflicten en van geweld.
We imiteren elkaar immers ook in ons begeren.
Terwijl we meestal denken dat conflicten en geweld voortkomen uit de verschillen tussen mensen ontstaan conflicten in feite uit het gegeven dat twee of meer mensen hetzelfde begeren. Hetzelfde willen is doorgaans de vijand van de liefde en de vrede hoewel de romantiek doorgaat dit hetzelfde-willen te maken tot het centrum van de liefdevolle relatie tussen mensen. Waar meerdere mensen hetzelfde willen hebben begeren en waar ditzelfde niet oneindig vermenigvuldigd kan worden omdat het precies gaat om dit voorwerp deze positie deze man of vrouw - waar dit gebeurt - is het conflict onvermijdelijk. Conflicten escaleren gemakkelijk omdat mensen elkaar voortdurend navolgen imiteren. Zij kunnen vervolgens uitlopen op een vorm van geweld.

Elke concrete samenleving zal daarom proberen om te voorkomen dat mensen hetzelfde begeren om zo conflicten en geweid te voorkomen en om wille hiervan regelingen treffen. Deze uiten zich in religie in waarden en normen in de vorming van een staat en een economisch systeem en in de vorming van het positief recht In bovenstaand citaat van Clara Meijer Wichmann wordt reeds aangegeven hoe deze regeling in feite tot stand komt De verzoening In de samenleving vindt plaats doordat de strijd zich verplaatst naar een ander gebied. De saamhorigheid van een groep bestaat in de gezamenlijke strijd tegen een andere groep.
Zodra de saamhorigheid begint los te laten vormt zich een nieuwe constellatie en staan andere groepen tegenover elkaar. We kennen het verschijnsel goed uit de geschiedenis van deze eeuw.
Saamhorigheid ontstaat doordat mensen zich verenigen tegenover een ander een individu of een groep. René Girard noemt dit het zondebokmechanisme. We vinden eenheid door ons gezamenlijk te keren tegen de door ons aangewezen zondebok. De strijd de rivaliteit en het geweld drijven we uit leggen die op de zondebok die we aanwijzen als de oorzaak van onze onvrede en zo vinden we vrede. Het geweld wordt uitgedreven door geweld.

Girard meent dat dit de normale wijze is waarop mensen eenheid vinden. Hij staat daarin niet alleen. De staat wordt in de ogen van moderne politicologen gekenmerkt door zijn monopolie op het geweld. Door het geweld van de staat wordt een ruimte geschapen waarbinnen er vrede is. Feitelijk kan deze vrede vaak alleen ten goede komen aan een deel van de staat maar wanneer een huis te zeer verdeeld is stort het in en lost de oude saamhorigheid op. Naties definiëren zich doorgaans aan de hand van wat ze niet zijn. Zij zetten zich af tegen andere naties ontkennen bepaalde aspecten van zichzelf en drijven ze uit in het nationalisme komt dit op extreme wijze naar voren zoals wij o.a met het winnen van de voetbalwedstrijd tegen Duitsland bij de Europese kampioenschappen van dit jaar hebben moeten ervaren.

Wanneer de feitelijke vorm van samenleven van mensen gebaseerd is op het uitdrijven van het geweld door het geweld is ook het positieve recht zoals dit in een samenleving bestaat daarop gebaseerd. Clara Meijer-Wichmann stelde vast in haar brochure Misdaad Straf en Maatschappij (Blaricum 1920) dat het huidige strafrecht ter beveiliging en bestendiging strekt van één bepaald vergankelijke orde. Het strafbegrip is volgens haar een vergeldingsbegrip. Zij wilde de straf afschaffen en hoopte dat de praktijk zichzelf in deze richting zou ontwikkelen. Ze meende dat de gepleegde misdaad zelf al bij de dader een innerlijke louterende crisis oproept die door de strafoplegging verstoord wordt. In dit laatste was zij mijns inziens te romantisch - wij hebben inmiddels geleerd dat oorlogsmisdadigers en dictators eerder een proces van verharding doormaken. Ze heeft echter goed gezien dat straf en vergelding of wraak nauw met elkaar samenhangen.
Dit laatste wordt bevestigd door René Girard in zijn boek La violence et le sacré . Hij wijst erop dat wij geen uitdrukking kennen als publieke wraak en dat we zo de waarheid verhullen. Het rechtssysteem onderdrukt de wraak niet, maar beperkt op effectieve wijze de weerwraak. Het rechtsstelsel heeft steeds het laatste woord: heeft de rechter gesproken, dan houden verdere wraaknemingen op. Een vendetta die zich over generaties kan uitstrekken wordt zo voorkomen. Het beginsel blijft echter hetzelfde: er wordt wraak genomen maar het recht voorkomt dat de wraakneming escaleert en zich tot in het oneindige voortzet.

Dit rechtsstelsel is alleen mogelijk waar er een sterk centraal gezag bestaat. De mogelijkheid van de staat geweld te gebruiken garandeert de werking van het recht . Dit blijft ook gelden wanneer zoals in de meeste staten althans in beginsel de mogelijkheid bestaat voor de individuele burger of een groep via het recht zijn zaak bij de staat te kunnen afdwingen. Dat het recht berust op wraak en op de mogelijkheid sancties dwingend op te leggen wordt door het rechtssysteem verhuld zo gauw het zich gevormd heeft.
Daardoor wordt het geheim van het recht verborgen. Wordt zoals in onze dagen ontdekt dat het recht op geweld gebaseerd is dan brengt deze ontdekking het recht zelf in diskrediet. Het recht dreigt dan vernietigd te worden. Het bestaan van een rechtsstelsel heeft grote voordelen. Deze worden ons pas goed duidelijk wanneer wij onszelf vergelijken met culturen waarin zo n rechtsstelsel niet bestaat. In onze samenleving kunnen ontmoetingen en relaties met mensen die voor elkaar volmaakte vreemden zijn toch een familiariteit hebben een beweeglijkheid en openheid die onbekend zijn in culturen zonder rechtsstelsel.
Bovendien maakt het recht het ritueel herhalen van het uitdrijven van de zondebok bedoeld om de saamhorigheid te versterken ten dele overbodig. Er blijft echter staan dat het positief recht gebaseerd is op wraak alle rationalisaties ten spijt die het straffen van de schuldige op een andere wljze proberen te rechtvaardigen.
Zijn de mensenrechten ook gebaseerd op wraak en geweld ? Neen want zij gaan zoals ik reeds eerder zei terug op het oorspronkelijke gegeven dat mensen tot in hun diepste wezen met elkaar verbonden zijn.
De mensenrechten zijn geen positief recht dat gepurgeerd en afgedwongen kan worden door een staat tegen welks willekeur ze ontstaan zijn. Ze gaan aan het positieve recht vooraf en moeten de bron zijn waaraan al het andere recht wordt getoetst Ze zijn niet gebaseerd op wraak en geweld maar op de erkenning dat ik verlies lijd wanneer ik de ander laat verliezen en dat ik zelf het leven verlies wanneer ik de ander het leven beneem. De mensenrechten wijzen daarom alle geweld af.

Dit verzet verklaart waarom wij in West-Europa geen gemeenschappelijke ideologie hebben. Alle Ideologieën en levensovertuigingen zijn omgeven met een sfeer van geweld. De retoriek waarmee zij zich presenteren roept bij ons eerder afkeer op dan bijval. We zijn allergisch geworden voor dit soort retoriek we ruiken het geweld dat erachter schuil gaat en herinneren ons de gruwelijkheden van deze eeuw die mede door retoriek mogelijk zijn geworden. Ideologieën zetten ons niet meer in beweging. Maar we dreigen zo van de wal in de sloot terecht te komen. Want zonder een samenbindende kracht zijn wij aan elkaar overgeleverd. Zelfs de wil tot communiceren wordt tot geweld en tot een eindeloos na-apen en imiteren van elkaar wanneer wij niets gemeenschappelijks hebben waarnaar wij kunnen verwijzen.
De mensenrechten nu kunnen een samenbindende kracht zijn omdat ze zich beroepen op wat mensen wezenlijk met elkaar verbindt en hen tot mensen maakt.
Dan moet echter minstens aan twee voorwaarden voldaan worden.

De eerste is dat er gewerkt moet worden aan een nieuwe formulering van de mensenrechten. De formulering en de rationele verantwoording van de mensenrechten zijn immers ontstaan in het klimaat van verzet tegen het willekeurig geweld van een bepaalde hiërarchische samenleving en van de feodale staatsvorm daarvan. Door een hiërarchie in te bouwen probeerde deze samenleving te voorkomen dat mensen dezelfde dingen konden begeren. Dit verzet keerde zich daarmee tegen de ideologie van de hiërarchisch opgebouwde kosmos waarin de ene mens of groep krachtens geboorte of krachtens het pure feit te bestaan boven de andere stond. De samenleving was opgebouwd als een piramide met de koning aan de top en daarboven nog God. Deze ideologie ervaren wij in West-Europa als gewelddadig.
Tegen dit geweld verzetten de mensenrechten zich.
Maar in hun poging het individu te beschermen tegen de hiërarchische kosmos sneden zij, door hun formulering en wijsgerige verantwoording, de banden door die het individu met anderen verbindt. Zij dragen te zeer de sporen van het individualisme dat mede tot de fragmentatie van onze samenleving heeft geleid.
Willen de mensenrechten aanspreken en geen dode woorden worden zullen ze steeds weer opnieuw tot leven gewekt moeten worden. Het is onvermijdelijk dat de formulering van de mensenrechten gewijzigd wordt in de loop van de geschiedenis. Het zou een goede zaak zijn als de Verenigde Naties tot een formulering zouden komen die minder Eurocentrisch zou zijn en daardoor gemakkelijker de daadwerkelijke instemming zou verkrijgen van de nieuwe staten groepen en samenlevingsverbanden.
Wil dit ooit gebeuren, dan moet het gesprek daaraover gevoerd worden in de verschillende Ligas voor de Rechten van de Mens. Voorkomen moet worden dat de mensenrechten zelf een ideologie worden.

De tweede voorwaarde voor de samenbindende kracht van de mensenrechten is daarmee al gegeven. Zij kunnen niet met geweld worden afgedwongen. De mensenrechten staan zwak. Maar deze zwakte is tegelijk hun sterkte. Natuurlijk kunnen ze misbruikt worden door en vòòr een bepaalde ideologie, maar dit misbruik kan zichtbaar gemaakt worden. Juist omdat ze geweldloos zijn bieden ze de mogelijkheid de doodlopende weg te verlaten waarin onze samenleving terecht gekomen is. De ideologieen en levensovertuigingen, de staat en zelfs het recht, staan onder kritiek vanwege hun gewelddadig karakter.
Zij hebben moeite credit te vinden. De mensenrechten als geweldloos recht kunnen vertrouven verwerven. Dit laatste is zeker geen automatisme. Afgezien nog van het misbruik dat van de mensenrechten gemaakt wordt, waartegen steeds weer gewaarschuwd moet worden , zijn wij sozeer gewend geweld uit te drijven door middel van geweld, dat het niet vanzelfsprekend is dat we bereid zijn de mensenrechten te aanvaarden en in praktijk te brengen. Desondanks kunnen de mensenrechten ons helpen uit dit slop te komen en een opening bieden tot het vinden van een nieuwe basis om samen te leven.
In dit verband wens ik de Liga voor de Rechten van de Mens toe dat zij; klein zal blijven dit wellicht tot droefenis van de penningmeester. Een Liga die groot en machtig wordt zal onvermijdelijk zoveel belangen krijgen die retorisch verdedigd moeten worden dat de mensenrechten zelfs bij de Liga voor de Rechten van de Mens niet meer vellig zijn. De kerken mogen hierbij als waarschuwend voorbeeld gelden.

Het behoort tot het werk van de Liga sociale bewegingen te legitimeren en stimuleren in hun niet- gewelddadige verdediging van de mensenrechten. Bij die sociale bewegingen moeten niet vergeten worden die groepen opgedragen worden door een van de levensovertuigingen die nu zozeer onder kritiek staan. Want in vele daarvan zijn vernieuwingsbewegingen zichtbaar die wellicht de steun van de Liga kunnen gebruiken.
Ik denk daarbij aan de politieke levensovertuigingen maar ook van de kerken. Een hiërarchische kosmos wijzen wij als gewelddadig af. Er is geen plaats voor een gewelddadige God. Maar Juist dit beeld van God is onderhevig aan een diepgaande herbezinning die niet alleen op intellectueel niveau plaats vindt maar ook op emotioneel en sociaal niveau.
De vraag of het mogelijk is samen te leven zonder te verwijzen naar God blijkt een vraag te zijn die steeds weer gesteld wordt. De mensenrechten kunnen immers wel een appel doen op onze inzet maar zij kunnen niet waarborgen dat er metterdaad recht geschiedt. De mensenrechten laten de vraag onverlet of er wel recht gedaan wordt in onze wereld en onze geschiedenis. De Liga zal zich moeten verhouden tot oude en nieuwe levensbeschouwingen om niet zelf een pseudo levensbeschouwing te worden het zoveelste fragment naast andere fragmenten. Het gesprek over de mensenrechten meer nog het werken mét de mensenrechten biedt een unieke kans verbanden te scheppen tussen de vele groepen in onze samenleving en zo bij te dragen aan de heelfording ervan.

Veertig Jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens-. In joodse en christelijke traditie - en deze ruimte nodigt ertoe uit om daaraan te herinneren - is het getal veertig het getal van de voorbereiding. De Intocht in het beloofd- land het land waar recht gedaan wordt aan ieder mens, moet nog plaats vinden. Ik wens de Liga voor de Rechten van de Mens toe, dat zij mede leiding mag geven bij deze intocht.
A F Lascaris
dr. A.F. Lascaris o.p. is medewerker van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving te Nijmegen.