Achtbare Meester en Gij Allen, Mijne Broeders.

Inleiding.


In n van de beroemde sketches van Monty Python's Flying Circus worden de kandidaten in een wedstrijd voor de uitdaging geplaatst om het werk van Marcel Proust in vijf minuten samen te vatten, wat uiteraard niet lukt. Hedenmiddag voel ik mij zoals n van die kandidaten met een nog waanzinniger onderwerp. Ik wil dus nu al benadrukken dat mijn verhaal zeer onvolledig is en dat ik gekozen heb voor de verscheidenheid. Het bouwstuk is in drie delen ingedeeld, met inleiding en besluit. Er is n punt dat ik, vooraleer het verhaal te beginnen, duidelijk moet stellen. De uitgangspremisse van alles wat volgt is dat het zin heeft om op een "verstandelijke" manier na te denken over een vraag zoals "Bestaat God of een wezen dat gelijkaardige eigenschappen heeft als God?". Voor de duur van dit bouwstuk zal ik deze basisgedachte niet in vraag stellen.
1. De klassieke godsbewijzen. Zou ik, zoals gezegd, volledigheid nastreven, dan zou ik op zijn minst moeten spreken over: Anselmus van Canterbury, Thomas van Aquino, Ren Descartes, Gottfried Wilhelm Leibniz, dichter bij huis, Charles Hartshorne, Alvin Plantinga en Kurt Gdel. Want, ja, ook in de twintigste eeuw blijft men zoeken naar ht bewijs. Ik heb moeten een keuze maken en ik heb geopteerd voor de grondlegger: Anselmus. Dit zijn zijn woorden in de Proslogion:
"Dus zal ook de dwaas ervan overtuigd zijn, dat er tenminste in zijn denken iets is, waarboven niets groters gedacht kan worden; want hij begrijpt wat hij hoort, en alles wat begrepen wordt is in het verstand. Maar datgene, waarboven niets groters kan worden gedacht, kan niet alleen in het denken zijn. Bestaat het namelijk alleen in ons denken, dan kan men het zich ook als werkelijk bestaande voorstellen; dat echter is meer. Wanneer dus datgene, waarboven niets groters kan worden gedacht, alleen in het denken bestaat, dan is juist datgene, waarboven niets groters kan worden gedacht, iets waarboven iets groters denkbaar is. Dat echter is blijkbaar onmogelijk. Derhalve bestaat er zonder twijfel iets, waarboven niets groters kan worden gedacht, zowel in het denken als volgens de werkelijkheid."
Voil! Laat ik toch proberen om wat duidelijkheid in de zaak te brengen en de redenering van Anselmus als volgt te herformuleren:
(1) God bestaat in ons verstand maar niet in de werkelijkheid.
Maar nu is het duidelijk dat:
(2) Bestaan in de werkelijkheid is groter dan alleen maar bestaan in ons verstand.
Bovendien nemen we aan:
(3) Het bestaan van God in de werkelijkheid is mogelijk.
Hieruit volgt zeker:
(4) Indien God in de werkelijkheid bestaat, dan zou God groter zijn dan hij is.
Dat volgt namelijk uit (1) en (2).
Maar nu volgt uit (3) en (4) dat:
(5) Het is mogelijk dat er een wezen bestaat dat groter is dan God.
Voor Anselmus echter wordt de definitie van God gegeven door:
(6) Het wezen waarvoor het onmogelijk is dat er een groter wezen bestaat.
Het is zonder meer duidelijk dat (5) en (D) elkaar tegenspreken. Hiermee hebben we het reductio afgerond. De uitgangspositie is fout, dus het is niet zo dat God bestaat in ons verstand maar niet in de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat God ofwel niet in ons verstand bestaat ofwel in de werkelijkheid bestaat. Het eerste is duidelijk mis, we kunnen ons wel degelijk een God voorstellen, dus moet het tweede het geval zijn, namelijk God bestaat in de werkelijkheid.

Het is evident dat de sterkte van het bewijs rechtstreeks afhankelijk is van de premissen. Hebben we hier twijfels over, dan kan de redenering nog wel overtuigend zijn, maar de conclusie op zich niet meer. Laat ik dan meteen tot de kern van de zaak komen. Er zijn, zoals te verwachten, heel wat kritieken geweest op dit bewijs, maar de sterkste kritiek komt van Immanuel Kant en richt zich tegen onderstelling (2).
Gegeven twee entiteiten A en B, indien A en B volkomen op elkaar gelijken behalve dat A bestaat en B niet, dan is A groter dan B. Of, anders geformuleerd, gegeven twee entiteiten A en B, indien A en B alle eigenschappen met elkaar delen, behalve dat A de eigenschap heeft te bestaan terwijl B deze eigenschap ontbeert, dan is A groter dan B. Wat zoveel wil zeggen als dat we bestaan interpreteren als een eigenschap van een object. En, zegt Kant, dat is uitgesloten. Het bestaan van een bepaald object, wat het ook moge zijn, situeert zich op een geheel ander vlak dan de eigenschappen van dat object. Het volgende gedachtenexperiment kan de zaak verduidelijken. Denk aan jouzelf. Je hebt de eigenschap een linkerarm te hebben. Denk die eigenschap weg. Dat is duidelijk geen probleem. Idem voor een hele resem gelijkaardige eigenschappen. Maar probeer nu eens jouzelf te denken zonder de eigenschap te bestaan. Er blijft, hoe kan het ook anders, niets over. Kan ik nog spreken over de eigenschappen van het wezen dat de eigenschap te bestaan net heeft verloren? Neen toch, dus het bestaan is een voorwaarde om over eigenschappen te kunnen spreken en geen eigenchap op zich.
In n zin samengevat, is het duidelijk dat hier een curieus spel wordt gespeeld: van de mogelijkheid (vaak in gedachten) van iets wordt overgegaan naar het rele bestaan van iets en meer zelfs naar het noodzakelijk bestaan. Elk mij bekend godsbewijs moet ergens deze overstap maken. Is dat inderdaad niet teveel van het goede?

2. Van logica naar weddenschappen. Kunnen wij het met minder dan? Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een argumentatie te ontwikkelen waarvan de conclusie stelt dat het interessanter is (om welke reden dan ook) in het bestaan van God te geloven dan er niet in te geloven. Om een concretere invulling te geven aan dit voorstel, kan het volgende voorbeeld helpen:

(a) Stel dat ik niet weet of God ja dan neen bestaat. Dan nog kan ik het volgende zeker vaststellen:
(b) Ofwel kan ik aannemen dat God bestaat ofwel kan ik aannemen dat God niet bestaat. Met andere woorden, ik kan een keuze maken. Maar waarop zou ik die keuze kunnen gronden? Wat ik zeker weet, is dit:
(c) Indien God bestaat en ik neem aan dat hij bestaat, dan wacht mij na mijn dood een beloning (bijvoorbeeld in de vorm van het eeuwige leven na de dood); indien God bestaat en ik neem aan dat hij niet bestaat, dan wacht mij na mijn dood een straf (bijvoorbeeld in de vorm van eeuwige verdoemenis);
(d) Indien God niet bestaat dan maakt het niet zoveel uit wat ik aanneem, vermits er toch geen "zware" gevolgen aan verbonden zijn,
(e) Dat alles samen betekent dat, als ik een keuze moet maken, optie (c) het overwicht heeft en dan is de keuze snel gemaakt. Het wordt aannemen dat God bestaat.

Een dergelijk argument zegt mij uiteraard niet dat God effectief bestaat, maar het is een prachtig "alsof"-argument. Ik zal namelijk ongetwijfeld mijn leven zo inrichten alsof God bestaat, wat op hetzelfde zal neerkomen zou God bestaan zonder meer. Maken we geen probleem van het mogelijk bestaan van God, dan nog blijft de (evidente) vraag of het inderdaad zo is dat het bestaan van God leidt tot de geschetste uitkomsten: eeuwige zaligheid indien positief, eeuwige verdoemenis indien negatief. Waarom zou dat het geval moeten zijn? Wat zou het bewijsmateriaal moeten zijn daarvoor? En, zelfs indien we het daar kunnen over eens worden, blijft nog de hamvraag: waarom zou ik deelnemen aan een dergelijke weddenschap? Stel dat aan Jan het volgende voorstel wordt gedaan:
(a) Ik laat je de keuze om met of zonder een parachute uit een vliegtuig te springen,
(b) Doe je het met, dan gebeurt er niets,
(c) Doe je het zonder, dan ofwel overleef je het ofwel niet. Indien het eerste alternatief het geval is, dan krijg je tien miljoen cash, indien het tweede, dan neem ik alle kosten op mij voor de begrafenis.
Jans antwoord zal, neem ik aan, eenvoudig zijn: ik stap niet eens in het vliegtuig. Deze conclusie mag niet verrassend zijn. Indien iemand een argument met logische kracht presenteert, dan kan iemand moeilijk weigeren de correctheid van de redenering op zijn minst te erkennen. Ik ben niet verplicht om een beslissing te nemen. Derhalve is de kracht van dergelijke argumenten niet bijzonder groot.
Historische noot: Wat hier te lezen staat, is een eigenzinnige bewerking van de oorspronkelijke redenering van Blaise Pascal. Ik denk dat ik, in tegenstelling tot vele andere auteurs, Pascal al iets meer eer en recht heb aangedaan door op zijn minst het aspect te vermelden dat voor hem zo cruciaal is, namelijk het feit dat men geen andere keuze heeft dan deel te nemen: "Oui; mais il faut parier. Cela n'est pas volontaire, vous tes embarqus." (Pascal, [1936], p. 224). Voor alle duidelijkheid: de redenering in Les Penses is veel verfijnder dan ze hier is gepresenteerd en, o ironie, hijzelf trekt de waarde van de gehele redenering in twijfel: "Si ce discours vous plat et vous semble fort, sachez qu'il est fait par un homme qui s'est mis genoux auparavant et aprs, pour prier cet Etre infini et sans parties, auquel il soumet tout le sien, de se soumettre aussi le vtre pour votre propre bien et pour sa gloire; et qu'ainsi la force s'accorde avec cette bassesse". (idem, pp. 228-229).

3. Zijn er tegenbewijzen?

Tot nu toe is mijn aandacht volledig gericht geweest op bewijzen en/of argumenten voor het bestaan van God. Het lijkt in de lijn der menselijke dingen te liggen dat men even hard heeft gezocht naar argumenten voor het niet-bestaan van God. Wat men ook heeft gedaan. De bondigste versie is afkomstig van David Hume. Ik geef eerst een citaat van de auteur zelf en formuleer daarna de redenering.

"Alle andere onderzoekingen van de mens hebben enkel betrekking of op feiten of op bestaan; en hiervoor is het duidelijk dat dit niet kan worden bewezen. Wat is, kan ook niet zijn. Geen ontkenning van een feit kan leiden tot een contradictie. Het niet-bestaan van een ding, zonder enige uitzondering, is een even helder en onderscheiden idee als het bestaan ervan... Dat Caesar of de engel Gabril of enig ander wezen nooit heeft bestaan, mag best een valse uitspraak zijn, maar blijft niettemin perfect vatbaar en kan geen contradictie voor gevolg hebben." (The Enquiry concerning Human Understanding, Sectie XII, deel III, paragraaf 132, mijn vertaling).

De bijhorende redenering met de conclusie dat God niet kan bestaan, verloopt als volgt:

(1) Als God bestaat, dan moet God noodzakelijk bestaan.
(2) Geen enkele entiteit kan noodzakelijk bestaan.
Uit (2) volgt uiteraard dat, in het bijzonder:
(3) God kan niet noodzakelijk bestaan.
Waaruit meteen de conclusie volgt:
(4) God bestaat niet.

Als er over een premisse discussie kan bestaan, dan zeker over (2). Waarom zou ik (2) aanvaarden? De redenering verloopt als volgt:
(2a) Indien iets noodzakelijk is, dan kan ik mij geen toestand voorstellen waarin dat iets afwezig zou zijn. Voor alle duidelijkheid, een voorbeeld. Het is noodzakelijk dat een cirkel rond is, want ik kan mij geen cirkel voorstellen die niet de eigenschap heeft rond te zijn. Een vierkant heeft noodzakelijk vier hoeken, want... (2b) Indien iets bestaat, dan kan ik mij steeds de toestand voorstellen waarin dat iets niet bestaat. Op een andere manier gezegd, bestaan is een contingente eigenschap. (2b) lijkt zo evident dat er nauwelijks moet over gediscussieerd worden. Maar uit (2a) en (2b) volgt meteen (2) zelf. Neem in (2a) voor "iets" de eigenschap "het bestaan van iets", dan zegt (2a): Indien het bestaan van iets noodzakelijk is, dan kan ik mij geen toestand voorstellen waarin dat iets niet bestaat. Stel nu dat iets noodzakelijk bestaat. Dan volgt er dat ik mij geen toestand kan voorstellen waarin dat iets niet bestaat. Zou dat iets bestaan, dan volgt uit (2b) dat dat iets niet bestaat. Dus bestaat het niet. Maar als iets noodzakelijk bestaat, moet het op zijn minst ook (gewoon) bestaan. Dus kan het niet noodzakelijk bestaan.
Hoe graag ik ook zou hebben dat dit argument op zijn poten staat, toch is het aan te raden de wenkbrauwen te fronsen. Vooraleer in detail na te gaan wat er schort aan de redenering, reeds de volgende bemerkingen:
(a) Het is op zijn minst vreemd te noemen dat we geen enkele andere eigenschap van God hebben moeten inroepen dan de noodzakelijkheid van zijn bestaan om de onmogelijkheid van zijn bestaan af te leiden. Met andere woorden, dat betekent dat Hume veel te veel doet. Zijn redenering toont meteen aan dat er berhaupt niets, maar dan ook niets noodzakelijk kan bestaan. Alle wiskundige entiteiten, getallen inbegrepen, bestaan misschien toevallig in deze wereld, maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat ze noodzakelijk bestaan.
(b) Zit er niet ergens een contradictie verborgen? De redenering zelf, zoals ze hierboven neergeschreven staat, heeft in ieder geval de eigenschap dat, als de premissen worden neergeschreven, waar dan ook, en de gepaste denkstappen worden uitgevoerd, waar dan ook, dan staat de conclusie vast, waar dan ook. Of, anders gezegd, het is uitgesloten dat men de premissen zou aanvaarden, de denkregels ook en toch de conclusie zou verwerpen. Dat wil zeggen, ik kan mij geen situatie voorstellen waarin de premissen aanwezig zouden zijn en de conclusie niet. Eigenlijk een lange weg om simpelweg te zeggen dat de conclusie noodzakelijk is gegeven de premissen en de afgesproken denkregels. Dus bestaat deze redenering (in de zin van het verband tussen premissen en conclusie) noodzakelijk. Dus zegt de redenering onvermijdelijk van zichzelf dat ze niet noodzakelijk is, met andere woorden, het kan wl zijn dat de premissen aanvaardbaar zijn en de conclusie niet. Maar dat is dan hetzelfde als zeggen dat de redenering niet correct is. Een nog altijd omslachtige manier om te besluiten dat Humes redenering de interessante eigenschap van zelfweerlegging bezit. Klinkt dit misschien nogal ingewikkeld, een verwant voorbeeld kan het verduidelijken. Neem de regel "Alle regels hebben uitzonderingen". Aangezien dat zelf een regel is, moeten er uitzonderingen zijn op deze regel. Wat is een uitzondering op de regel "Alle regels hebben uitzonderingen"? Een regel zonder uitzonderingen, natuurlijk. Dus bestaan er regels zonder uitzonderingen. Een uitweg lijkt snel gevonden. Verander de regel door "Alle regels, behalve deze regel zelf, hebben uitzonderingen." In de redenering van Hume betekent dit dat we (2) in bovenstaande redenering vervangen door "Geen enkele entiteit, met uitzondering van deze redenering zelf, kan noodzakelijk bestaan." Wat een merkwaardig argumentatief maneuver! Om het bestaan van God te ontkennen, moet het noodzakelijk bestaan van iets anders worden aangenomen. Wie zal zich daardoor laten overtuigen? Dus dit levert ook al niets op. Tot besluit: waartoe dit alles? Dus daar staan we dan: geen n argument dat deugt. En ik kan jullie verzekeren dat, naarmate men dieper op het onderwerp ingaat, de vragen in hopen opduiken: (a) is het wel zo dat ons denken over God op een consistente wijze kan gebeuren?, (b) hebben wij wel de taal en de begrippen om over God te denken?, (c) zelfs indien we een sluitend bewijs voor het bestaan van God zouden hebben, hoe tonen we andere (?) eigenschappen van God aan?, (d) zijn er meta-argumenten om te tonen dat argumenten voor het bestaan of het niet-bestaan onmogelijk zijn of niet?, (e) wat is eigenlijk het statuut van de logica en, bij uitbreiding, de wiskunde in deze discussie?, (f) zijn er verbanden tussen het oneindige in de wiskunde en beschrijvingen van God?.
Dus over de hele lijn negatief? Niets positiefs te melden? Jawel, dit: laat ik de klassieke vierdeling van de filosofie hanteren: ontologie (wat is er?), epistemologie (wat kan ik kennen?), ethica (hoe moet ik mij gedragen?) en esthetica (wat is schoonheid?). De vraag naar het bestaan van God is een ontologische vraag en de epistemologische weg - via bewijzen en argumentaties - levert niets op. Dus blijven maar twee wegen over: de ethische en de esthetische. Aangezien er geen andere mogelijkheden zijn, wordt het dus aanvaardbaar om op basis van ethische argumenten niet te geloven in een god. Of: wordt het mogelijk om niet te geloven in God omdat hij, zij of het zo lelijk is. En daar moet een Vrijmetselaar toch voor gevoelig zijn.
Achtbare Meester en Gij Allen, Mijne Broeders, ik heb gezegd. JPvB