Maçonnieke encyclopedie-E.

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !


lX. Op weg naar het rijk der vrijheid?
1. Mens-zijn en geschiedenis
2. De weg naar de vrijheid
3. De mens als heerser
4. Een onzekere toekomst
5. De vraag naar de mens het blijft tobben







lX. Op weg naar het rijk der vrijheid?
1. Mens-zijn en geschiedenis

Een terugblik op het ideologisch denken maakt duidelijk dat in dit denken voor een persoonlijke vrijheid van ieder mens geen plaats is Bovendien leidt zo'n denkwijze tot verstarring; juist door haar geslotenheid weet het ideologische denken geen raad met de nieuwe ontwikkelingen en nieuwe, nog onbekende situaties De ideologie zet de mens klem, hij kan geen kant meer op, niet achteruit en vooral niet vooruit. Dat is des te navranter, als we ons realiseren hoezeer de geschiedenis van de mensheid gekenmerkt wordt door ontwikkelingen, veranderingen en vernieuwingen. In de wijsbegeerte heeft zich de laatste eeuwen de opvatting ontwikkeld dat essentieel bij de mens behoort dat hij geschiedenis maakt, geschiedenis is en bovendien in de geschiedenis verwikkeld is.
Hij maakt geschiedenis in die zin dat hij actief en creatief vorm geeft aan zijn bestaan en door steeds anders te reageren en te ageren, de gang der geschiedenis zo niet bepaalt dan toch bečnvloedt .
Dat de mens geschiedenis is, wordt gezegd om aan te geven dat kenmerkend voor de mens is, dat hij niet alleen natuur is, maar evenzeer cultuur en gemaakt wordt tot wat hij is.
Tenslotte is de mens ook verwikkeld in de geschiedenis, waarmee gezegd is dat hij opgenomen is en deels ook stuwende kracht is in de voortgang van de geschiedenis.
De laatste gedachte vinden we bijvoorbeeld bij Hegel, die er vanuit gaat dat de menselijke werkelijkheid geen statisch gegeven is, maar zich in tegendeel ontwikkelt en ontvouwt, waarbij steeds van een hogere trap van ontwikkeling sprake is. Deze ontwikkeling wordt gestuwd en gestuurd door de geest. Een moeilijk te hanteren begrip waarmee wellicht ongeveer bedoeld wordt: het geheel van denken, dat zich, bijna onafhankelijk van de mens, maar niet zonder hem, een weg baant door de geschiedenis en tegelijk die geschiedenis is.
2. De weg naar de vrijheid
Deze gedachtengang krijgt meer helderheid als we ons de ontwikkelingsgang van de westerse mens sinds tweeduizend jaar voorstellen. Bezien we de wereld rond het begin van de jaartelling, dan is duidelijk dat deze er totaal anders uitziet dan de huidige wereld. Dit onderscheid is op vele manieren onder woorden te brengen, maar in ieder geval ook als volgt: aan het begin van de jaartelling was onze menselijke werkelijkheid voornamelijk 'natuur' , dat wil zeggen onderhevig aan machten en krachten die uit zichzelf tot stand komen en die niet (nog niet) door de mens in de hand gehouden worden. De voorbeelden zijn talrijk: ziekte en dood, de voortplanting, hongersnoden en natuurrampen voltrokken zich veel meer dan nu als een onafwendbaar lot aan de mens. In vele opzichten was de mensheid nog machteloos, uitgeleverd aan dit lot. Daartegenover geeft onze tijd een ander beeld. Door de ontwikkeling van wetenschap en techniek is het lot ingeperkt - veel van wat eerder onhanteerbaar en onbestuurbaar was, is nu manipuleerbaar geworden. Daarmee heeft de mens zich - gedeeltelijk aan dat wat vroeger lot was, ontworsteld. Hij heeft zich een stuk vrijheid verworven, die vooral daarin bestaat dat hij door in te grijpen in de natuur zichzelf alternatieven heeft verschaft. Immers wie in staat is de zaken naar zijn hand te zetten (te manipuleren) wordt niet meer meegesleept, maar kan min of meer kiezen hoe hij omgaat met de werkelijkheid, met situaties en gebeurtenissen. De daad is in plaats van het lot gekomen, om een oude terminologie te gebruiken . Naarmate de mens meer vermag, neemt zijn vrijheid toe. Men zou de geschiedenis kunnen interpreteren als een ontwikkeling op weg naar vrijheid. De laatste fase van deze ontwikkeling zou een overwinning zijn van de geest, die een 'rijk der vrijheid' zal vestigen. Dit 'rijk der vrijheid' is te beschouwen als een resultaat van de ontwikkeling en voortgang van het menselijk kunnen . Door de wetenschap en techniek, maar ook door de ontwikkeling van andere vermogens, verwerft de mens zijn vrijheid Zo maakt hij zichzelf immers tot heer en meester over zijn eigen lot. Ook hier een verband tussen de geest (rede) en de vrijheid! Inderdaad komt in elke theorie over de mens en het menselijkbestaan, waarin op enigerlei wijze over de vrijheid gesproken wordt, ook de geest (de rede) ter sprake. We hebben in de vorige hoofdstukken ook een samenhang tussen vrijheid en moraal kunnen constateren . De rede (geest) , de moraal en de vrijheid, zij zijn voorwaarden tot elkaars bestaan en horen bij elkaar. Weliswaar zijn de begrippen vrijheid en geest meervoudig invulbaar, feit blijft dat hoe dan ook, met welke invulling dan ook, zij bij elkaar en bij de mens behoren. Op een of andere wijze geven zij aan dat de mens iets bijzonders, iets eigens heeft dat hem wezenlijk doet verschillen van al het overige dat leeft. Nog meer: dat de mens niet vastzit aan en in een gegeven situatie, maar 'op weg' is. De mens heeft een transcenderend vermogen, dat wil zeggen : een de situatie overschrijdend vermogen . Dit maakt het hem mogelijk alternatieven te bedenken en ook uit te voeren. Daarbij heeft hij moraal nodig: een ordening in de veelheid van mogelijkheden die hij principieel (dat is niet hetzelfde als feitelijk) heeft.
3. De mens als heerser
Het is duidelijk dat met het bereiken van het 'rijk der vrijheid' de mens zich onttrokken zal hebben aan de greep van het lot, en heer en meester van zijn situatie zal zijn. Immers: de overwinning van de geest laat geen ruimte meer voor iets dat zich aan de macht van de geest onttrekt. De totale heerschappij over de werkelijkheid, niets dat zich nog keert tegen de mens, dat is de utopie van het rijk der vrijheid. Een utopie, inderdaad. Een luchtkasteel, dat in onze tijd meer dan ooit verdwijnt in nevelen. Een onhaalbare zaak, naar het !ijkt. Toch hebben ook uiterst realistisch denkende filosofen als Marx zich bezig gehouden met het rijk der vrijheid. Ook voor Marx is dit het einddoel van de geschiedenis van de mens. Marx zet dit rijk der vrijheid tegenover het rijk der noodzaak. Die noodzaak, die de mens onvrij maakt is volgens Marx niet zozeer een algemeen 'lot', maar de situatie waarin de mens gedwongen wordt zich in leven te houden door een hevige strijd om het bestaan, door arbeid en door geploeter. Daardoor ontgaan hem de essenties van het leven. Een betere organisatie van de materiČle produktie (van het rijk der noodzaak) zou het rijk der vrijheid moeten mogelijk maken. Het rijk der noodzaak blijft - maar er komt ruimte voor de zelfverwerkelijking van de ware mens . Zo wordt bij Marx concreet ingevuld wat bij eerdere filosofen (Hegel) nog vaag bleef. Maar allen hebben de gedachte voor ogen dat er voor de mens en de mensheid meer zou kunnen zijn dan ellende, schaarste en onderdrukking.
Een visie als deze veronderstelt een ongebreideld vertrouwen in de uiteindelijke mogelijkheden van de mens. Als hij maar eenmaal het echt voor het zeggen heeft, als hij werkelijk meester is over de situatie, lijkt de heilstijd te kunnen aanbreken. Maar voorlopig is het nog zover niet. Weliswaar neemt de macht van de mens toe, maar of dat voor zijn vrijheid geldt is de vraag. Men kan natuurlijk de opvatting verdedigen dat de mens meer mogelijkheden heeft gekregen om zich te weren tegen 'het lot' . Men kan de maakbaarheid van het bestaan als een stuk vrijheid beschouwen. Maar bijna elke winst aan vrijheid heeft zijn tegenkanten. Groot probleem is bijvoorbeeld dat de vrijheid die ontstaat door de maakbaarheid van het bestaan niet gelijk over allen verdeeld is. Terwijl hongersnoden en epidemieČn in de westerse wereld of nauwelijks voorkomen, of tenminste hanteerbaar zijn, geldt _ voor andere delen van de wereld dat nog alles mogelijk is: te sterven aan ondervoeding, of aan in feite 'overwonnen' ziekten. Maar ook binnen een samenleving geldt, dat de opbrengst van wetenschap en techniek - want daar hebben we het steeds over niet voor allen eenzelfde winstpunt is. Terwijl de een geniet van vele mogelijkheden van een prive-auto, wordt een ander gek van het lawaai van de snelweg voor zijn huis. Terwijl de een in het ziekenhuis verlost wordt van ziekte en pijn, loopt een ander via een infuus een dodelijke infectie op. Zelfs ondanks onze goede bedoelingen is er een groot verschil in de mate waarin alleen al de verschillende Nederlanders van allerlei nieuwe uitbreidingen van de menselijke macht profiteren . Het heer en meester zijn van de mens is dus maar betrekkelijk. We moeten dat erkennen. We weten meer, we doorzien meer, we ontdekken stapje voor stapje hoe het hee al, de aarde, de dieren en de mens in elkaar zitten, we krijgen weet van de gecompliceerdheid van de materie en hebben veel van wat vroeger nog wonder was gereduceerd tot grijpbare werkelijkheid.
Nieuwe verten worden zichtbaar bij elk stapje dat de mens zet bij zijn ontdekking van de werkelijkheid. Een onontkoombare en niet te stuiten ontwikkeling.
In een vorig hoofdstuk wees ik al op de morele verantwoordelijkheid die groter wordt naarmate kennis en inzicht van de mens groeien. Daarin nu zit tegelijk een stuk nieuwe onvrijheid. De dreiging is immers, dat sommigen zich niet van die verantwoordelijkheid bewust zijn en blijven handelen en denken alsof er sinds het begin van de mensheid geen essentiČle veranderingen zijn opgetreden. Daarmee kunnen zij onoverzienbare schade berokkenen: wie leeft in de tijd van de auto, en zich nog gedraagt als was het de tijd van de draagstoel , maakt brokken. Met de moraal van een slak kun je het als hazewind niet redden, om een animaal voorbeeld te gebruiken. Een groter gevaar nog vormen degenen, die zich wel bewust zijn van de menselijke mogelijkheden en verantwoordelijkheden, maar die vastbesloten zijn om die in hun eigen voordeel en alleen daartoe aan te wenden of om anderen te vernietigen en ,kapot te maken
In al deze gevallen gaat het om min of meer bewust handelende mensen. We constateren echter ook dat door de ontwikkeling van wetenschap en techniek bepaalde structuren in de samenleving blijken te ontstaan, die beperken dat de individuele, ja zelfs de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid lijkt te worden uitgeschakeld of ook feitelijk uitgeschakeld wordt. Dit is het verschijnsel van de wetenschap die zich zelf reproduceert, en die zich onttrekt aan sturing of beheersing. Uiteraard gaat het hier niet om een onstuitbare ontwikkeling - een samenleving die dat wenst zal zeker middelen kunnen vinden om de richting waarin wetenschap en techniek voortgaan te sturen zo niet te bepalen. Of het nu om nieuwe medische technieken, wapens of communicatiemiddelen gaat, op elk terrein moet het mogelijk zijn research en de toepassingen daarvan binnen de beslissingsmacht van de samenleving te trekken. Het bestaan van een militairindustrieel, een farmaceutisch-industrieel of enig ander machtscomplex doet daar in principe niets aan af.
Men kan met goed recht verdedigen dat veel van de ontdekkingen die de mens in principe een stuk vrijheid geven (omdat zij hem van 'het lot' verlossen) gebaseerd zijn op het belang van bedrijven en ook individuen. Er zijn slechts enkele voorbeelden van een hele samenleving, die zich sterk maakt voor een bepaalde ontwikkeling op wetenschappelijk gebied en die bewust moeite doet en gelden voteert om een bepaald doel te bereiken. Helaas zijn de voorbeelden niet al te vrolijk: men denke aan de manier waarop de Verenigde Staten onder president Truman de atoombom met uiterste krachtsinspanning in korte tijd ontwikkelden; voorts aan Nazi-Duitsland, waar de Vl- en V2-raketten bewust gepland en ontwikkeld werden. In tijden van oorlog blijkt het dus wel degelijk mogelijk dat de techniek bestuurd wordt. In hoeverre daarbij nog sprake is van een vorm van bevrijding laten we maar in het midden.
4. Een onzekere toekomst
Het is een tragisch verschijnsel dat in 'normale' tijden in een samenleving geen overeenstemming lijkt te kunnen worden bereikt over de manier waarop men de toekomst zal inrichten. Daardoor wordt het uiteraard ook onmogelijk om ten aanzien van wetenschap en techniek als samenleving het heft in handen te nemen.
Dat is de keerzijde van de gang van de mens op weg naar het rijk der vrijheid: enerzijds nemen zijn technische mogelijkheden om dat te bereiken toe - anderzijds ontbreekt hem het vermogen om die tot zijn voordeel aan te wenden. Inderdaad, wie heeft nog het vermogen zelfs maar te bedenken in welke richting de mensheid als geheel, met alle individuen daarin, koers zou moeten zetten om tot een zelfverwerkelijking te komen? Waar ligt het rijk der vrijheid en wat houdt het in? Zo we al hopen op een betere bestemming van de mens, het wordt steeds moeilijker om die bestemming helder te krijgen of op enigerlei wijze te bepalen. Dat heeft gevolgen voor de moraal: 4. zonder een beeld van de toekomst is het niet makkelijk uit te maken, wat nu in het belang van de mens is. Dat kan betekenen dat het ook moeilijk wordt om uitgangspunten voor de moraal te definiëren.
Bovendien: kunnen we wel spreken van een gemeenschappelijke toekomst voor alle mensen? Is die er niet, dan is er ook geen gemeenschappelijke basis van de moraal mogelijk. Misschien moeten we dan ook afstappen van al die visies waarin voor alle mensen tezamen een gemeenschappelijke bestemming wordt voorzien. Dat zou trouwens ook meer recht doen aan de veelvormigheid van opvattingen over wat goed is voor de mens. Of moeten we toch aannemen dat in het mens-zijn principieel iets gelegen is dat allen niet alleen door de bouw van het lichaam of door de genetische structuur, maar ook in zaken van zingeving en moraal met elkaar verbindt of tenminste aan elkaar verwant doet zijn ?
Welke overwegingen men bij de beantwoording van deze vraag aanvoert - het antwoord blijft onzeker. Een argument v6or is dat wezens die qua biologie en fysiologie zozeer overeenkomen, die met elkaar kunnen spreken op een min of meer bewust niveau en die ook in andere opzichten overeenkomstige eigenschappen en vermogens hebben, in grote lijnen dezelfde idealen en verwachtingen zouden kunnen hebben. Zij zouden daarom ook in staat moeten zijn om overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke bestemming. Tegen pleit het argument dat sommige mensen zich zo 'onmenselijk' kunnen gedragen, dat het voor anderen nauwelijks nog mogelijk is om hen als verwante wezens te beschouwen. De beulen in de concentratiekampen en hun gemartelde en doodgeknuppelde slachtoffers zijn althans in die situatie niet dezelfde wezens . Sterker nog , het zou best zo kunnen zijn dat de diepste oorzaak van het gedrag van de beulen gelegen is in het feit dat zij hun slachtoffers niet als mens herkennen, en dat het daarom toegestaan is alles, maar dan ook alles met hen te doen. Vanuit de waarneming van de beul behoort het slachtoffer tot een andere categorie dan de menselijke. Omgekeerd noemt het slachtoffer de beul onmenselijk. Beiden werken op dat moment blijkbaar met een andere opvatting van mens-zijn. Mensen interpreteren hun mens-zijn, en het is duidelijk dat die interpretaties niet dezelfde behoeven te zijn. Dat kan een argument zijn om het spreken over de mens op te geven. Een andere conclusie kan zijn dat het juist goed zou zijn om elkaar te leren dat op basis van een overeenkomstige biologische uitrusting mensen toch tot geheel verschillende dingen in staat zijn. Daarbij kan gelden dat ieder van ons onder invloed van omstandigheden in principe tot alles in staat is. Zo kan de beul veranderen in het slachtoffer en kan de gemartelde de rol van zijn kweller overnemen. Dat kan leiden tot bescheidenheid.
5. De vraag naar de mens het blijft tobben
De grote verscheidenheid aan situaties waarin mensen terecht komen doet verschillende eigenschappen bij hen naar voren treden. Welke is de meest werkelijke, de meest wezenlijke? Is het wezen van de mens dat hij beul is, of juist dat hij zijn naaste lief heeft? Het is moeilijk daarover in algemene zin te spreken. Dat is een onbevredigende situatie . Indien we immers niets definitiefs over de mens kunnen zeggen hebben we geen criterium om de moraal te toetsen. Hoe weten we wat goed is voor de mens, als we dat begrip mens niet nader kunnen invullen? Het verbaast dan ook niet dat steeds weer in ethiek en wijsgerige antropologie men op zoek gaat naar het humanum, naar dat wat wezenlijk is voor de mens , naar dat wat de mens wezenlijk is . Vooral in tijden waarin een gebrek aan overeenstemming over de moraal ontstaat, zien we dat de vraag naar de mens vaker gesteld wordt. De wijsgerige literatuur van de twintigste eeuw houdt niet op de mens aan de orde te stellen. Dat moet betekenen dat de vraag naar de mens niet eenvoudig te beantwoorden is. Sommigen ontdekken dan ook tot hun schrik dat het speurwerk naar 'het humanum' de moraal niet verder brengt: het wezen van de mens is geen voor allen evident gegeven, maar een kwestie van interpretatie
Anderen daarentegen brengen hoopvol naar voren, dat alleen al het feit dat alle mensen moeten eten, drinken, slapen en misschien ook paren, zich voortplanten en willen leven, al iets belangrijks zegt over het wezen van de mens. Er zouden basisbehoeften zijn , waarvan de bevrediging voor ieder mens essentieel is. Deze basisbehoeften vormen dan als het ware de bodem van alle moraal.
Dat wil zeggen dat moraal waarin met die basisbehoeften geen rekening wordt gehouden, geen 'goede moraal' is, omdat zij negeert wat goed is voor de mens. Dit is op zich een aantrekkelijke visie, die echter in conflict kan komen met de opvatting dat zelfs de menselijke basisbehoeften op totaal verschillende manieren kunnen worden bevredigd. De menselijke zelfexpressie kan in de basisbehoeften in vele vormen tot uiting komen: wat men eet en drinkt, hoe men vrijt en zich voortplant, kan zo verschillend zijn, dat het bestaan van de basisbehoefte ondergeschikt wordt aan de manier waarop aan die basisbehoefte wordt vormgegeven.
Alle mensen moeten eten, maar mogen zij ook hun medemensen opvreten? Alle mensen hebben rust nodig, maar is het geoorloofd om aan die rust te komen door je buren te lynchen? Alle mensen hebben wellicht een vorm van een seksuele drift, maar dat is nog geen reden om de eerste de beste tot seksueel contact te dwingen. De bevrediging van de basisbehoeften heeft gevolgen voor medemensen en is daardoor begrensd en beperkt. Daarmee worden die binnen het bereik van de veelvormige moraal getrokken. Wat voor 'hardheid' geven die basisbehoeften dan aan de op totaal verschillende manieren kunnen worden bevredigd. De menselijke zelfexpressie kan in de basisbehoeften in vele vormen tot uiting komen: wat men eet en drinkt, hoe men vrijt en zich voortplant, kan zo verschillend zijn, dat het bestaan van de basisbehoefte ondergeschikt wordt aan de manier waarop aan die basisbehoefte wordt vormgegeven.
Alle mensen moeten eten, maar mogen zij ook hun medemensen opvreten? Alle mensen hebben rust nodig, maar is het geoorloofd om aan die rust te komen door je buren te lynchen? Alle mensen hebben wellicht een vorm van een seksuele drift, maar dat is nog geen reden om de eerste de beste tot seksueel contact te dwingen. De bevrediging van de basisbehoeften heeft gevolgen voor medemensen en is daardoor begrensd en beperkt. Daarmee worden die binnen het bereik van de veelvormige moraal getrokken. Wat voor 'hardheid' geven die basisbehoeften dan aan de moraal? Hoogstens kan gezegd worden dat het immoreel is die basisbehoeften aan een ander te onthouden . Ik vermoed dat we wel een eindje maar niet veel verder komen, als we in de basisbehoeften in beginsel een criterium voor de moraal willen zien. Het blijft tobben.