Maçonnieke encyclopedie-E.

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !


Vl De Mens in het middelpunt
1 . De mens moet het doen
2. De Verlichting
3. De mondigwording
4. Mondigheid en verantwoordelijkheid
5. De mens als zingever






Vl De Mens in het middelpunt
1 . De mens moet het doen
Al het tot nu toe door mij beweerde over de moraal moet wel leiden tot een onweerlegbare conclusie: dat de mens steeds meer centraal komt te staan als 'moral agent', als degene die handelt, zoekt naar de inhoud van begrippen als goed en kwaad, en die verantwoordelijk gesteld kan worden voor datgene wat hij uitvoert Niet alleen ten aanzien van de moraal maar ook op andere levensterreinen wordt een concentratie op de mens zichtbaar. Alles wijst erop dat de mens, als collectief en als individu, het middelpunt van de wereld geworden is. Het ligt vooral voor de hand te concluderen dat de ontwikkelingen van wetenschap en techniek, die meer dan ooit het menselijk bestaan bečnvloeden en die door de mens zijn voortgebracht, dit 'antropocentrisme' veroorzaken. In de geschiedenis van de mensheid, maar ook in het individuele bestaan van grote groepen mensen wordt deze macht van de mens zichtbaar. De maakbaarheid van het bestaan laat zich overal daar voelen, waar wetenschap en techniek in het leven van alle dag zijn doorgedrongen. Die maakbaarheid impliceert een beeld van de wereld en werkelijkheid, waarin voor andere machten dan die van mensen nauwelijks plaats is. Als we zien hoe mensen elkaar bewust en met opzet kunnen afmaken, is er voor het lot geen ruimte meer. De mens zelf zaait dood en verderf. Positieve feiten als de genezing van een ernstige ziekte lijken ook-door mensenhanden te worden bewerkt; voor een goede oogst is eerder de kunstmest en de insectenbestrijding dan God te danken. De zichtbare macht van Goden en demonen, alsmede van lot en noodlot worden in het besef van de meeste mensen geŽlimineerd. Wat betreft de moraal is een overeenkomstige ontwikkeling te signaleren: autoriteiten, het gezag van kerk; staat of samenleving moeten het afleggen tegen de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van het individu. De geschiedenis kan uitgelegd worden als een groot proces van individualisering en van concentratie op de enkeling. Wetenschap en moraal gaan in dit opzicht hand in hand. Als we deze interpretatie van de geschiedenis volgen zijn we aangeland bij de idealen van de Verlichting en bij de visie van de Verlichting op de mens en zijn mogelijkheden
2. De Verlichting
Praten over de mens, over menselijke macht en moraal is nauwelijks mogelijk zonder het ter sprake brengen van die fase in de ontwikkeling van de (westerse) mens die meestal met de term Verlichting wordt aangeduid. Over die Verlichting bestaan heel wat misverstanden. De grootste betreft wellicht de voorstelling dat in de Verlichting het hele westen is aangeraakt door een geest van vrijheid en vrijmoedigheid, waardoor het leven in de 17e en 18e eeuw er totaal anders is gaan uitzien dan in de vorige eeuwen. Het is realistischer om ons voor te stellen dat de idealen van vrijheid toen in een kleine elite naar vuren gebracht zijn, waarbij slechts van een zeer gedeeltelijke verwerkelijking van deze idealen sprake kon zijn. Het grootse van de Verlichting zit daarin dat de vrijheid op zoveel terreinen van mens en samenleving werd opgeŽist. Een ontvoogding op politiek, wetenschappelijk, kerkelijk-theologisch, en ook moreel gebied stond de Verlichting voor ogen. Het individu diende mondig te worden ten opzichte van de overheid, de wetenschap ten opzichte van de kerk en godsdienstige belemmeringen, en de gelovige ten opzichte van de autoriteit van de geloofsgemeenschap.
De mondigwording van de moraal is het best te omschrijven als de toenemende erkenning dat moraal een zaak is van een in vrijheid voor zichzelf kiezende mens, voor wie noch een autoriteit, noch een bevel, noch omstandigheden als verontschuldiging voor zijn daden kunnen gelden.
Daarmee wordt het wezenlijke van de moraal zichtbaar, namelijk dat van de mens gevraagd mag en kan worden, dat hij op redelijke wijze handelt en zijn handelingen overweegt. Elementair voor de Verlichting is de grote nadruk op de redelijke mens, de mens met verstand en andere geestesvermogens, die hem in staat stellen de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. Misschien is het wel een van de meest typerende kenmerken van de Verlichting, dat de verlossing en het heil van de mensheid gezocht worden in een goed gebruik van de rede. Een onuitroeibare gedachte overigens: ook in onze tijd bestaat nog wel een soort ongegrond optimisme, dat in een verdere ontwikkeling van allerlei wetenschappen de oplossing voor :alle mogelijke: problemen ziet. Het wordt overigens wel steeds moeilijker dit geloof vol te houden, nu de negatieve effecten van wetenschap en techniek allerwegen zichtbaar worden. In de Verlichting was het echter noch niet moeilijk aan de voor uitgang te geloven! Naast de grote nadruk op het redelijke aspect van het mens-zijn is kenmerkend voor de Verlichting dat het individu-zijn van de mens een kans krijgt.
Autonomie, vrijheid en mondigheid zijn in eerste instantie attributen van het individu: het individu moet verdedigd worden tegen en bevrijd! van de macht van kerk, staat, geloofsleer vooroordelen, en wat niet al. Emancipatie is vooral persoonlijke emancipatie - een persoonlijke ontsnapping aan de terreur van leven en denken klemzettende machten en instituties Voor de moraal is dit alles, van het hoogste belang. Pas door de bevrijding van het individu kan namelijk de menselijke verantwoordelijkheid het volle pond krijgen. Moraal krijgt daarmee een andere inhoud: moraal is niet meer een geheel van vaste regels die door een autoriteit gehandhaafd worden. Moraal wordt een zaak van persoonlijke overtuiging, een `weten `van goed en kwaad, dat de mens als individu kan ontwikkelen. Moraal komt daarmee ook onder de kritiek van de redelijke mens die gaat schiften en onderscheiden wat hem door anderen als moraal wordt aangeboden en voorgehouden .
De moraal wordt dus zowel voorwerp van kritiek, als een realiteit die door het individu verinnerlijkt kan worden.
We moeten ons niet verbeelden dat van dit alles in de 17e en 18e eeuw al sprake was - hoogstens is in die tijd een begin gemaakt met een ontwikkeling die zich ook nog heden ten dage voortzet.
Bovendien - het zij nogmaals onderstreept - betrof en betreft die vernieuwing in het denken over de moraal niet alle mensen zonder onderscheid, maar alleen diegenen, die werkelijk in staat bleken en blijken tot doordenken en een doordenken van menselijk gedrag en de regels die dat gedrag bepalen.
3. De mondigwording
Een van de voordelen van het kind-zijn is, dat goed en kwaad nog overzichtelijke, eenduidige begrippen zijn. Wat gewenst dan wel ongewenst gedrag is vormt geen probleem. Goed gedrag levert positieve reacties op van de ouders, slecht gedrag heeft allerlei narigheid als standjes, verwijten of straf ten gevolge. Goed en kwaad worden ingevuld door de autoriteit van de ouders.
Zij geven eenvoudig aan wat wel en niet aanvaardbaar is. In de groei naar volwassenheid treedt een toenemende internalisering van goed en kwaad op; het kind maakt zich de gedragsnormen die het krijgt voorgehouden, eigen. Dit proces kan zover gaan dat het kind niet eens meer ziet waar zijn normen en waarden vandaan kwamen - zij zijn een deel van zijn persoon geworden .
Zo kan ook de gewetens-vorming beschreven worden: de mens leert vanuit zichzelf 'weet te hebben van goed en kwaad. Negatieve of positieve stimulansen van buiten zijn niet meer nodig om hem in het gareel te houden. Een verdere groei naar vo1wassenheid is vereist om de inhoud van het eigen geweten aan kritiek te kunnen onderwerpen. Aangenomen kan worden dat zich in de mens een redelijke instantie ontwikkelt, die hem instaat stelt de regels volgens welke hij zich gedraagt te bezien en te evalueren. Dat houdt tevens in een afstand te nemen van de autoriteit van degenen, die hem de regels leerden
Zo moeten we ons voorstellen dat in de gedachten van de Verlichting de morele autoriteit van de kerk en staat wordt doorzien en opzij gezet. De mens wordt als volwassen en mondig beschouwd: de moraal die hij er op na houdt, is ook werkelijk de zijne. In de Verlichting wordt de term mondigheid weinig gebruikt maar de inhoud van de term is op de ideeŽn van de Verlichting geheel en al van toepassing. Meestal spreekt men in dit verband over de ontwikkeling van heteronomie naar autonomie.
Heel mooi is de omschrijving die Kant geeft van autonomie (met betrekking tot de moraal): 'de autonomie van de wil is het enige principe van alle morele wetten en de daarbij behorende plichten
- elke heteronomie daarentegen is niet alleen in het geheel niet verplichtend, maar heeft zelfs niets met dit principe (de verplichting) en de zedelijkheid van de wil te maken.
Kant bedoelt te zeggen dat morele keuzen die uit ons gedrag blijken, alleen kunnen berusten op het feit dat we ons zo wensen te gedragen. Regels die ons door anderen opgelegd zijn kunnen nooit een moraal opleveren. Van moraal is pas sprake als we (natuurlijk niet onbeinvloed door anderen) zelf onze gedragsregels bepalen, of althans die ons werkelijk eigen gemaakt hebben en bewust kunnen hanteren. Moreel gedrag is dat gedrag waaraan een wilsbesluit van degene die handelt ten grondslag ligt.
Morele verplichtingen berusten niet op het feit dat iemand anders, een ,situatie of omstandigheid ons drijft. Morele verplichtingen berusten enkel en alleen op onze wens en de innerlijke noodzaak om op een bepaalde wijze te handelen.
Dit is de reden, waarom het beruchte `Befehl ist Befehl ` niet als morele verontschuldiging gebruikt kan worden. Aan een bevel kun je geen morele verplichtingen ontlenen. (Zie hierover ook hoofdstuk 1V)
Mensen behoren alleen dat te doen, wat zij zelf na redelijke toetsing menen te moeten doen. Het zou wel zo kunnen zijn, dat iemand anders mij een bevel geeft, waarvan ik denk : 'niet zo gek, ik doe het'. Op dat moment komt de daad die het gevolg is van dat bevel, echter geheel en al voor mijn rekening.
Hier draait het in de autonomie van Kant om - mensen dienen alleen die dingen te doen, die naar hun eigen inzicht en redelijkheid toelaatbaar zijn. Mensen zijn geen robotten, die klakkeloos anderen volgen. Mensen hebben, om het moderner te zeggen, een eigen, onvervreemdbare verantwoordelijkheid voor hun gedrag. Het is duidelijk dat het pas sinds deze ontdekking van Kant zinvol is om over moraal te spreken en te denken. Ook de wetenschap van de moraal, de ethiek, krijgt door Kant pas echt bestaansrecht en gaat ,zich feitelijk ontwikkelen. Het heeft immers pas zin om met moraal bezig te zijn en moraal aan een onderzoek te onderwerpen als mensen zich realiseren dat zij het zelf zijn die morele keuzen te maken. Is dit niet het geval dan een ethiek slechts een opsomming van deugden voorschriften of regels zijn. Inderdaad zijn er veel voorbeelden van zo'n heteronome moraal waarin voor die keuzemogelijkheid eenvoudig geen plaats is. Voor degenen die slechts van moraal spreken, als de menselijke autonomie erkend wordt, mist zo'n moraal elke zin en mag ook eigenlijk die naam niet dragen. Niettemin zijn er serieuze pogingen ondernomen om een moraal vast te stellen waarin elke menselijke autonomie is uitgesloten. In de opvatting van veel mensen, ook vandaag nog, blijft met betrekking tot de moraal een onverwoestbaar autoriteitsdenken doorklinken. De moraal geldt voor deze mensen als een opdracht door een daartoe bevoegde autoriteit (meestal god) gegeven. Oude handboeken van de moraal laten dat ook zien: er worden regels opgesomd waaraan de mens zich dient te houden . Als hij dat doet, handelt hij goed. In dergelijke handboeken ontbreekt een zekere logica overigens niet: vanuit de ene regel leidt men de andere af, om zo tot een overzichtelijk geheel van voorschriften te komen. De mens, weet wat hem te doen staat. Het niet volgen van de regels heeft straf tot gevolg - in godsdienstige termen: de zondaar wacht hel en verdoemenis. Men leze Dantes Divina Comedia er maar op na: uitgebreid wordt in het eerste deel , De hel , beschreven hēe allerlei ondeugden en overtredingen van Gods geboden bestraft worden de ene nog wreder dan de andere.
In feite verkeert de mens van Dante in de positie van het kind: ruimte voor een eigen moreel oordeel, voor een zelfstandig afwegen van goed en kwaad lijkt nauwelijks aanwezig. De rede, later zo belangrijk bij Kant, speelt al helemaal geen rol. De mens wordt dan ook niet als mondig of e autonoom beschouwd - hij dient God te gehoorzamen.
Het zou te ver gaan om te zeggen dat zonder de theorie van de vrije keuze en de vrije wil geen moraal kan bestaan. Een heteronome moraal ziet er echter totaal anders uit dan een moraal gebaseerd op de zelfstandigheid van de mens. Een heel mooi voorbeeld levert dat onderdeel van de moraal, dat met een wat ongelukkige term vanouds medische ethiek heet. Die benaming op zich illustreert trouwens al een bepaalde visie, namelijk die van de arts als autoriteit in medische en morele aangelegenheden. We zien ook in de medische ethiek een ontwikkeling van autoriteitsdenken naar mondigheid. Kantiaans gezegd: van heteronomie naar autonomie .
Vanouds verstaat men onder medische ethiek in de eerste plaats een plichtenleer, een deontologie, dat wil zeggen een opsomming van regels en plichten bestemd voor de arts. We kunnen ook zeggen: een reglement, aan de hand waarvan iedere arts kan uitmaken wat hem in welke situatie te doen staat. Bezig zijn met of je verdiepen in de medische ethiek houdt in: het je eigen maken en leren hanteren van die regels. Tot de feitenkennis waarover een arts dient te beschikken behoort ook de kennis van deze medische ethiek .
Of de regels juist zijn, volgens welke uitgangspunten en criteria ze opgesteld zijn, of hun effecten inderdaad zo bedoeld zijn, welke argumenten kunnen gelden te hunner ondersteuning, dat alles komt niet ter sprake. De regel dient om zichzelf gerespecteerd te worden, of beter gezegd, vanwege de autoriteit van degenen die hem opstelden. Wat de arts (of de patiŽnt) zelf van die regels denkt doet er niet toe. De regels staan niet ter discussie. Individuele gewetensuitingen of varianten zijn ongewenst, en worden dan ook met kracht bestreden. lk beschrijf geen verleden tijd. Het is curieus te zien hoe 180 jaar na Kant nog hele contingenten artsen zo over hun medische ethiek denken
Overigens geeft juist dit autoriteits denken aanleiding tot opstellen van een beroeps ethiek.
De basis van een beroepsethiek is immers altijd die overtuiging dat de groep in kwestie met problemen te maken heeft die voor 'gewone mensen' , leken, of onbegrijpelijk of niet van belang zijn. ln de geschriften van klassieke artsen lezen we dan ook inderdaad dat de medische wetenschap morele problemen oproept, die alleen door artsen opgelost kunnen worden.
Daartegenover staat een tegenwoordig veelvuldig verdedigde nieuwere visie op de medische ethiek. Hierbij spreekt men zelfs niet eens meer van medische ethiek omdat men de indruk wil vermijden dat het om een eigensoortige gedragsleer zou gaan, die losstaat van de algemene ethiek. In deze visie zijn bijvoorbeeld euthanasie en abortus geen medisch-ethische problemen, maar medische en ethische problemen, soms zelfs meer ethisch dan medisch. ln ieder geval zijn het e problemen, waarover ieder weldenkend mens kan meepraten. Indien hem voldoende medische informatie ontbreekt, dan dient die gegeven te worden. ln plaats van de oude plichtenleer komt een algemene reflectie op het medisch handelen en de gezondheidszorg, waaraan alle betrokkenen deelnemen. Vraag is niet meer, welke regels er gelden, maar hoe een probleem geanalyseerd kan worden, en welke criteria en argumenten er zijn voor de verschillende oplossingen. Het autoriteitsdenken heeft plaats gemaakt voor het recht van allen om mee te denken en mee te beslissen.
Tot zover dit voorbeeld.
Het zal inmiddels duidelijk zijn, dat de hele kwestie van de autonomie in de moraal draait om en berust op een zaak, namelijk het redelijk vermogen van mensen, dat wil zeggen het vermogen om zelfstandig na te denken en beslissingen te nemen. Dit is de kern van de morele autonomie en de mondigheid van de mens

4. Mondigheid en verantwoordelijkheid
Naarmate meer individuen in staat en bereid zijn om zich rekenschap te geven van hun daden, wordt de mensheid als geheel mondiger. Het lijkt er op dat hier geldt wat in de biografie heet: de parallellie tussen de ontwikkeling van een individu en de ontwikkeling van de soort. Dat wil zeggen dat de (morele) ontwikkeling van het individu overeenkomst vertoont met die van de gehele mensheid. Zoals een kind groeit naar volwassenheid en mondigheid (juridisch zijn dit bijna synoniemen) zo groeit de mensheid naar een morele mondigheid toe. Als het meest wezenlijke van de moraal wordt immers meer en meer gezien , dat de mensen niet klakkeloos dienen te handelen, maar, maar met inzicht en overleg hun daden tot stand behoren te brengen. Anders geformuleerd: in de loop van de geschiedenis van de moraal neemt het besef toe dat individuen op hun gedrag kunnen worden aangesproken en verantwoordelijk zijn voor hun daden. De begrippen mondigheid en verantwoordelijkheid zijn, met het oog op de moraal gebruikt, vanouds dan ook vrijwel synoniem. Toch heeft het begrip mondigheid een extra dimensie gekregen. Men gebruikt deze term nog al eens in verband met de positie van de twintigste eeuwse mens, die in de confrontatie met de opbrengsten van het menselijk kunnen stelling moet nemen, meer nog: moet heersen en besturen. We hebben hierover uitvoerig gesproken in hoofdstuk IV. De vraag die nu aan de orde is betreft de gevolgen van deze situatie voor de mens als enkeling en als groep, die zoals de titel van dit hoofdstuk beweert, in het middelpunt zijn komen te staan. Kan men daar inderdaad van spreken`! En zo ja, wat betekent dat dan voor individu en samenleving?
Heel algemeen gesproken zou men kunnen zeggen, dat de toenemende verantwoordelijkheid van enkeling en samenleving beide een grote morele en psychische draagkracht vraagt. Mijns inziens is de consequentie hiervan, dat 'vorming en toerusting' steeds belangrijker worden. Tegen deze achtergrond moet ook de inmiddels weer wat afgenomen belangstelling voor 'āducation permanente' gezien worden - degenen die hiervoor warm liepen beseften zonder twijfel hoezeer het leven in deze tijd het nodig maakt mensen tot informatieverwerking en reflectie aan te zetten. Uiteraard is het onderwijs ongelooflijk belangrijk -- het is ondenkbaar dat er nog iets van een westerse samenleving terecht zou komen zonder een behoorlijk onderwijs, waarin ook plaats is ingeruimd voor het leren nadenken over de vele vraagstukken waarvoor de hedendaagse mens staat. Dat alles neemt niet weg, dat er altijd individuen zullen zijn, die zich meer aangetrokken voelen dan anderen tot een meedenken met de cultuur, en die dat ook kunnen. Evenzeer is het denkbaar, dat voor sommigen de problemen dermate groot(lijken te ) zijn, dat hun vermogen er mee om te gaan eenvoudig onvoldoende is: het kritisch beoordelen van informatie, het mee kunnen laten wegen van de belangen van anderen, het `logisch `denken, dat alles mag niet van ieder mens verwacht worden ! Wellicht ten overvloede zij gezegd, dat we dergelijke capaciteiten niet alleen bij zogenaamd intelligente en ontwikkelde mensen mogen zoeken. De zojuist beschreven houding lijkt eerder een kwestie van attitude te zijn, die evenzeer eigen kan zijn aan minder- of laag geschoolden. Onredelijkheid, botheid en een onkritische houding ten opzichte van zichzelf en anderen treffen we in alle lagen van de bevolking aan. Complicerend is het echter wel, dat voor het overzicht over bepaalde problemen (kernenergie, volksgezondheid, milieuvervuiling) een grote kennis noodzakelijk is, die voor leken wel mogelijk is, maar die grote aandacht en toewijding vergt bij het leren doorzien van de mogelijkheden. Gaat het hierbij om technische vraagstukken met een morele dimensie, nog moeilijker zijn wellicht de specifiek morele kwesties, die al of niet in de gestalte van politieke vraagstukken aan de mensheid opdringen. De vertrapping van de meest primaire mensenrechten in vele delen van de wereld, de ontoelaatbare uitbuiting van hele volken, de machtswellust en agressie, de verspilling en de armoede, de bevolkingsexplosie, de godsdiensttwisten en de onverdraagzaamheid: zij zijn overbekend en lijken niet te bestrijden. Het is om moedeloos van te worden. Wie is nog in staat ook maar een van deze op te lossen ?
Maar ook in het dagelijks leven wordt de gecompliceerdheid van ons bestaan zichtbaar en er is sprake van vrijwel onhanteerbare morele dimensies. Bijna al ons handelen involveert wel iemand anders of anderen. Het vergt een uitermate grote geestkracht om daar permanent bedacht op te blijven. Wellicht is de onhanteerbaarheid van onze problemen een groter struikelblok dan ons verschil van mening over vele zaken. Er gaan zelfs wel stemmen op die zeggen, dat het nog wel meevalt met de diversiteit van hedendaagse morele opvattingen. Eerder zou sprake zijn van een grote grijze massa, die het zelfde voor ogen heeft en helemaal niet een nieuw revolutionair bestaan wil, het huis, een auto en veel drank.
Hoe het zij - er is veel voor te zeggen de situatie van de hedendaagse mens te vergelijken met die van de tovenaarsleerling die krachten ontketende die hij niet meer in de hand kon houden. In moreel opzicht zijn mensen vrijwel altijd in de situatie van de leerling : van elke nieuwe ontdekking, van elke nieuwe vondst likt eerst te moeten blijken wat de mogelijkheden en effecten ervan zijn - zodat de moraal altijd achteraan loopt.
Het vereist dan ook een voortdurende waakzaamheid en soepelheid om alleen al te volgen wat er allemaal aan de hand is. Zo kan men dus zeker verdedigen dat de mens idealer wel het middelpunt is geworden van alles - maar met de aantekening daarbij dat het wellicht een te grote en te moeilijke taak voor hem zou kunnen zijn, om inderdaad het middelpunt te blijven.
5. De mens als zingever
Over de steeds meer centrale positie van de mens is in de twintigste eeuw door meerdere nagedacht. Allerlei filosofische ontwerpen zijn daarvan het resultaat, waaronder Sartre`s existentie filosofie een opvallende plaats inneemt. In deze filosofie valt de dramatische positie van de mens op , die, in de wereld geworpen, maar moet zien aan zijn bestaan vorm te geven. Dit bestaan is `leeg`, nog niet ingevuld . Tegen het Rooms-katholicisme en het Marxisme in beschrijft Sartre de mens als geheel vrij, dat wil zeggen als niet van tevoren bepaald of vastgelegd. De mens heeft geen `ware aard` , geen vaste natuur; kenmerkend voor hem is juist dat hij zelf bepaald hoe en wie hij zal zijn. Noch de schepping, noch de natuur, noch de structuren van de samenleving zijn daarbij doorslaggevend. Het is de opdracht van de mens zich een bestaan te ontwerpen. Zijn vrijheid is zijn `lot` - er is geen ontkomen aan . Dit is de aanvangspositie van de mens- hij is veroordeeld tot vrij-zijn. In eerste instantie is de mens ( dat wil zeggen de mensheid) daarbij alleen: `wij zijn alleen zonder verontschuldigingen`. De mens dient zich zelf `uit te vinden `, er is geen andere mogelijkheid. Daarbij schept hij zijn eigen normen, waarvoor hij verantwoordelijk is.
Zich verschuilen achter de normen van anderen is niets anders dan zijn eigen mens- zijn verloochenen.
Het aanhangen van normen van anderen. of het doen voorkomen dat er eeuwige algemene normen zouden zijn, geeft blijk van `kwade trouw `. Mensen die zo redeneren krijgen er van Sartre uitvoerig van langs: het zijn de lafaards en de smeerlappen, die zich steeds weer beroepen op bestaande normen. Het is duidelijk dat vooral gezeten burgers bij die bestaande normen het meest belang hebben - de bourgeoisie , die schermt met grote woorden en grote normen , met plicht en moraal, met recht en fatsoen, om vooral maar de eigen positie te beschermen. In wezen ontkennen zij daarmee echter de menselijke werkelijkheid, namelijk vrij en totaal verantwoordelijk te zijn.
Sartre heeft zelf, overigens, in zijn latere werken zich wat minder absoluut over die vrijheid uitgelaten. Zijn hier beschreven verwoording van de menselijke situatie blijft echter als een baken in de filosofie van de twintigste eeuw staan. Veel van wat nu in de ethiek ter sprake komt is niet denkbaar zonder de visie van de jonge Sartre.
Men kan in Sartre`s theorie van de vrije mens een voortzetting van Kant zien: voor beide geld dat zij belang hechten aan de onontkoombare morele verantwoording van de mens. Wat bij Kant de autonomie van de wil heet, is bij Sartre de autonomie , dat is de vrijheid, van het gehele menselijke bestaan. Het is het lot van de mensheid die vrijheid te moeten dragen. Zonder Sartre zou dit zesde hoofdstuk niet op deze wijze geschreven zijn. Meer dan wie ook heeft hij de aandacht gevraagd voor een visie op de mens als middelpunt van onze werkelijkheid