Maçonnieke encyclopedie-E.

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !


Ea V. Waar blijft God?
1 . Gods wil als moreel! uitgangspunt
2. Alles wat gebeurt is Gods wil
3. Gods wil is te vinden in de bijbel
4. Er is geen christelijke moraal
5. Gods geboden
6. Ruimte voor verandering






V. Waar blijft God?
1 . Gods wil als moreel! uitgangspunt
In het voorgaande is de moraal beschreven als een menselijke aangelegenheid en als onderdeel van de menselijke werkelijkheid. Dit is niet de meest gangbare manier van spreken over de moraal.
Velen denken bij de term moraal vooral aan iets van `hoger orde' , iets dat 'niet alleen van deze wereld' , of zelfs helemaal niet 'van deze wereld' is. Moraal heeft in deze opvatting te maken met de ziel, de geest of het geweten. Voor vele christenen geldt dat moraal boven alles samenhangt met het geloof, Gods wil en Gods geboden. Niet zelden treffen we de overtuiging aan dat moraal en geloof eigenlijk hetzelfde zijn, of in ieder geval twee kanten van dezelfde medaille. Het christelijk geloof zou inhouden, dat er een specifiek christelijke moraal is. Overtreding van een moreel uitgangspunt is een zonde tegenover God . In de katholieke traditie geldt vooral dat Gods bedoelingen met de mens, zoals die blijken uit de gehele schepping, richting geven aan het menselijk gedrag. Die bedoelingen kunnen voornamelijk door de kerk uit de schepping worden afgelezen; de kerk 'vertaalt' Gods bedoelingen en Gods wil. Of zij dat terecht doet en of zij dat op de juiste wijze doet, laten we in het midden. Waar het hier alleen om gaat is uit te komen op het verschil met de protestantse traditie. Daarin is het namelijk meer gebruikelijk dat de gelovige zelf Gods woord hoort en verstaat, en toepast op zijn situatie. Gods woord, de bijbel, is in de protestantse visie dan ook het enige en legitieme uitgangspunt voor de moraal. De schepping, de menselijke werkelijkheid, biedt, anders dan in de katholieke leer, weinig of geen aanwijzingen.
Integendeel, de menselijke werkelijkheid is verdorven, 'gebroken' door de zondeval. Misschien ligt hier wel het diepste onderscheid tussen de katholieke en protestantse visie op de moraal: de katholieke leer houdt meer vast aan de oorspronkelijke door God geschapen en dus op zich harmonieuze werkelijkheid, terwijl voor de protestanten de gebrokenheid van de schepping voorop staat. Vooral in het Calvinisme geldt de wereld als een 'jammerdal ' : de goede schepping is door de mens bedorven. In dit licht is een opmerking van een van de Nederlandse bisschoppen illustratief, dat 'de protestanten zich zo weinig thuis voelen in deze werkelijkheid' .
Tranendal of niet, we kunnen in ieder geval signaleren dat het in de katholieke en protestantse leer uiteindelijk gaat om de wil van God of Gods geboden als uitgangspunt voor de moraal . Dit ogenschijnlijk zo eenvoudige morele principe roept allerlei problemen op. Om te beginnen is er de moeilijkheid om te weten wat Gods wil of Gods gebod is. Weliswaar is er een lange kerkelijke traditie die daarover spreekt, en kan de bijbel dienen als een vindplaats van Gods woord, maar daarmee zijn lang niet alle problemen opgelost. Voor beide geldt dat er op een of andere manier gečnterpreteerd zal moeten worden. Wat wil God van ons? Welke zijn Gods geboden? We kunnen verschillende typen van antwoorden op deze vraag onderscheiden .
2. Alles wat gebeurt is Gods wil
In een aantal protestantse theologieen leeft de opvatting dat niets op deze aarde plaats vindt buiten Gods wil om . De gedachte daarbij is dat de almachtigheid van God niet te rijmen is met een andere visie dan deze .
Een geliefde terminologie in dit verband spreekt van Gods voorzienig bestel of Gods soeverein bestel. God wordt beschouwd als heer en meester over leven en dood. het is de mens dan ook niet toegestaan die zeggenschap over te nemen. Deze redenering wordt nogal eens gebruikt in verband met morele problemen als abortus provocatus en euthanasie. In het geval van de abortus is de vooronderstelling dat de conceptie die heeft plaatsgevonden, buiten elke menselijke bedoeling om, Gods wil is. Het is de mens dus niet toegestaan daarin in te grijpen door een abortus provocatus te bewerken. Aan het eind van het leven geldt een soortgelijke vooronderstelling: God heeft deze ziekte of dit lijden gewild en de mens heeft tot taak dat dan ook te aanvaarden en uit te dragen.
De gedachte is blijkbaar, dat alles wat 'vanzelf' gebeurt, of althans buiten het ingrijpen van de mens om, door God zo bedoeld is. Een niet bedoelde conceptie of een ernstige ziekte is een ons door God toebedeeld lot . Een eerste probleem hierbij is, dat in het menselijk leven bijna elke gebeurtenis ook deels voor rekening van de mens komt. Bij de abortusproblematiek is dat goed zichtbaar, maar ook ten aanzien van heel wat ziekten en lijdensgeschiedenissen kan men zeggen dat de mens daar wel degelijk mede een hand in heeft gehad (bij voorbeeld door een ziekte te (laten) behandelen, waardoor de lengte van de ziekte, en wellicht ook de ernst van de ziekte toeneemt). Een volgend probleem is of dat wat de mens doet of nalaat de wil van God is. Als er in principe niets buiten Gods wil omgaat, dan moeten we toch aannemen dat ook alles wat de mens doet, daar onder valt. En zo niet, hoe weten we dan wanneer een menselijke daad wel of niet Gods wil is? Er zijn dus twee mogelijkheden: of alles wat de mens doet is Gods wil, of sommige dingen die de mens doet zijn Gods wil. De eerste mogelijkheid zou inhouden, dat ook alle ellende die mensen te weeg brengen Gods wil is, of althans niet buiten Gods wil om gaat. In dat geval zou zelfs het grootste kwaad dat mensen bedrijven uiteindelijk voor rekening van God komen. Dit klopt weer niet met de opvatting dat mensen zondaren zijn. Dan rest de mogelijkheid dat sommige handelingen van mensen Gods wil zijn en andere niet, waarmee in feite de these van Gods soeverein bestel omvergeworpen is , en waarmee het grote probleem zichtbaar wordt hoe we zullen onderscheiden tussen door God wel en door God niet gewilde menselijke handelingen. Samenvattend kunnen we zeggen dat er veel bezwaren zijn tegen een visie die uitgaat van Gods soeverein en voorzienig bestel. De volgende argumenten kunnen genoemd worden:
a. in zo'n visie worden mensen 'verlengstukken' van God zonder eigen wil.
b. de mens is niet aansprakelijk te stellen voor zijn daden: de morele dimensie van het bestaan verdwijnt volledig.
c. er is een groot probleem met betrekking tot de plaats van het kwaad in de wereld.
d. als de mens 'slechts medewerker is op Gods bijzonder en duidelijk bevel', zal nader aangegeven moeten worden hoe we er achter komen wat Gods bevel is. Hebben we zo'n criterium niet, dan kan iedereen alles voor Gods bevel uitgeven.
e. de leer van Gods voorzienig bestel houdt in dat elk factum, elke gebeurtenis geïdentificeerd kan worden met Gods wil, ongeacht welke de rol van de mens is. Bovendien krijgt de bestaande situatie, omdat die in ieder geval aantoonbaar is, voorrang boven een nieuwe situatie, waarvan immers nog niet bewezen is dat die Gods wil is . Elke verandering kan daarmee weggepraat worden; alleen dat wat er 'is', is legitiem.
3. Gods wil is te vinden in de bijbel
Waarom zoveel woorden gewijd aan een opvatting die toch niet bij vele christenen meer in volle ernst zal bestaan? Mijn bedoeling ermee is om aan te tonen dat ook binnen de meest orthodoxe geloofsleer plaats moet zijn voor de morele dimensie van het bestaan, dat wil zeggen voor de eigen verantwoordelijkheid van de mens, wil zo'n geloofsleer niet aan innerlijke inconsistentie bezwijken. Ook degenen die God de grootst mogelijke plaats in de wereld toedenken, ontkomen niet aan de noodzaak criteria te ontwikkelen, aan de hand waarvan een onderscheid gemaakt kan worden tussen datgene wat wel en wat niet Gods wil is.
In feite zijn we daarmee aangekomen bij het probleem dat ieder heeft die zich bij zijn handelen op een of andere wijze door God wil laten leiden. Dat probleem is: hoe weten we wat Gods wetten, geboden en bedoelingen zijn? Een naïef antwoord kan luiden: we hebben toch de bijbel. Maar wie even doordenkt moet inzien, dat;
a. de bijbel ten eerste niet op elke menselijke vraag een pasklaar antwoord heeft ,
b. de bijbel bovendien verschillende visies toont, afhankelijk van de tijd en plaats waarin het desbetreffende deel van de bijbel geschreven is,
c. de hedendaagse mens met totaal nieuwe problemen te kampen heeft die in bijbelse tijden nog ondenkbaar waren, en
d. de bijbel is bepaald door andere tijden en culturen waarin voor ons ontoelaatbare zaken gewoon waren (bijvoorbeeld de slavernij).
Er moet dus vertaald, geïnterpreteerd en geselecteerd worden. Voor wie hen zoekt, zijn wel richtlijnen voor ons hedendaags gedrag in de bijbel te vinden, maar dan moet wel de aantekening gemaakt dat er heel wat zoek- en vertaalwerk nodig is . Dit zoeken vertaalwerk doen we vanuit onze menselijke vooronderstelling en vanuit onze hedendaagse menselijke situatie. We schiften en onderscheiden en kunnen dat ook omdat we al opvattingen over goed en kwaad , nut en onnut er op na houden . Zelfs kan de beslissing om zich bij het handelen door God te laten gezeggen, als een morele beslissing gezien worden. We kiezen immers God te volgen en niet bij voorbeeld Hitler, welke keuze wij doen op grond van dat wat wij voor goed houden. Nu zou een gelovige christen dit kunnen weerleggen en zeggen: de keuze is niet de mijne, ik ben daarin door God geleid. Dan zijn we weer terug bij Gods voorzienig bestel, dat we nu juist als een onverdedigbare zaak bestempeld hebben .
Kiezen wij mensen er dus voor om de wil van God te doen, dan is dat inderdaad onze keuze, en als voor elke menselijke handeling is de mens ook voor deze keuze verantwoordelijk. Deze keuze is ook een morele keuze, die als elke andere morele keuze gerechtvaardigd dient te worden.
Als wij dus aan iemand die zegt Gods gebod te volgen, vragen waarom hij dat doet, kan hij niet meer antwoorden: omdat het Gods gebod is; hij zal nader moeten argumenteren. Daarmee is de conclusie gerechtvaardigd dat Gods gebod als moreel argument geen argument uitspaart. We kunnen immers doorvragen en zeggen: waarom volg jij Gods gebod, en waarom dan in deze situatie juist dit gebod?
Gods gebod 'spreekt niet vanzelf' . Dit geldt op twee manieren er moet gečnterpreteerd worden wat nu precies dat gebod inhoudt, en vervolgens spreekt het ook niet vanzelf dat wij Gods gebod zouden willen volgen, maar zullen wij dat nader moeten argumenteren. Dit alles neemt niet weg dat iemand in volle overtuiging en te goeder trouw zich kan beroepen op de bijbel, als hij voor een moreel probleem staat. Niet als dooddoener van elke discussie, maar omdat het zijn authentieke overtuiging is dat het zo moet en niet anders. Uiteraard dient zo'n beroep gerespecteerd te worden, als maar degene in kwestie zich realiseert dat hijzelf het is die daarvoor kiest, en bovendien in het oog houdt dat dus hijzelf op die keuze aangesproken mag worden. In laatste instantie blijft hij het die spreekt.
4. Er is geen christelijke moraal
Als we er vanuit gaan dat ons begrip van wat goed en kwaad is vooraf gaat aan onze keuze om Gods gebod te volgen, heeft dat consequenties voor de vraag of er een christelijke moraal bestaat.
Daarover valt dit te zeggen. Het is duidelijk dat in het christendom bepaalde waarden en bepaalde opvattingen over goed en kwaad te zien zijn. We kunnen echter allerminst zeggen dat er sprake is van een christelijke moraal. Evenals andere mensen kunnen ook christenen hopeloos met elkaar van mening verschillen over de meest aanbevelenswaardige handelwijzen. Met een beroep op de bijbel worden totaal tegengestelde opvattingen verkondigd . Maar allen menen in de bijbel te herkennen wat zij bedoelen. Zo is het inderdaad: we herkennen in de bijbel onze opvattingen.
Geheel in de lijn van het betoog van de vorige paragraaf ligt de constatering dat bij onze morele keuzen blijkbaar andere criteria meespelen, die met onze vooronderstellingen, met onze tijd en cultuur (ons eigenbelang!) te maken hebben. Er is dus geen christelijke moraal in de zin van een christelijke moraal.
Verder is het de vraag of een christelijke geloofsleer aan de moraal op zich iets nieuws toevoegt. Kunnen we niet ook stellen dat het christelijk geloof juist daarom te verkiezen is, omdat het mogelijk de meest menselijke waarden in zich heeft opgenomen? Er is dan ook geen christelijke moraal in die zin, dat in het christendom een specifieke moraal te vinden is die niet ook elders aangetroffen kan worden. Wel kan gezegd dat voor christenen de moraal binnen een eigen context is opgenomen. Een identificatie van bepaalde morele normen en waarden met het christelijk geloof lijkt me dus moeilijk houdbaar - bovendien een belediging voor degenen die geen christen zijn.
Christenen hebben geen bijzondere, eigen moraal, ook geen moraal die beter is dan een andere, tenminste niet vanwege het feit dat het een christelijke moraal is. Ik vermoed eerder, dat het wel eens zo zou kunnen zijn dat er christenen zijn die 'minder moraal' hebben dan anderen .
Deze voor sommigen zonder twijfel onaangename uitspraak behoeft toelichting. Ik bedoel er mee, dat het feit dat de christelijke geloofsleer zo gemakkelijk met een moraal gečdentificeerd kon worden, christenen vaak in de veronderstelling bracht, dat zij over moraal niet meer behoefden na te denken: het zat immers wel goed. Vele christenen vertoonden (en vertonen) niet zelden neigingen tot autoriteitsdenken: het staat allemaal keurig in de bijbel, de dominee of pastoor zegt het ook, dan is het wel in orde. Men voelde zich niet verplicht en genoodzaakt nog verder over morele normen na te denken; met het geloof stond ook de moraal vast .
Pas nu de meeste christelijke kerken meer oog krijgen voor de zee van variaties en mogelijkheden met betrekking tot de geloofsbeleving, en het geloof een minder dogmatisch karakter krijgt, komt er ruimte voor het besef dat hetzelfde ook wel eens zou kunnen gelden voor de moraal.  
5. Gods geboden
Het is duidelijk dat uit het voorgaande geconcludeerd kan worden dat Gods wil of Gods gebod op zich geen moreel argument is. De vraag is of we nu ook ervan zouden moeten afzien nog langer over Gods wil of gebod als moreel uitgangspunt te spreken.
Mijns inziens is deze laatste conclusie niet nodig. Het blijft immers zeer wel mogelijk, dat voor een aantal mensen Gods geboden toch iets aangeven dat voor hen van het hoogste belang is. Ik zou er in dit verband voor voelen om Gods gebod als een morele inspiratie te zien, een aansporing om die normen en bewerken. In die zin kunnen we rustig blijven spreken van Gods geboden als moreel uitgangspunt, onder voorwaarde dat we niet pretenderen dat die christelijke waarden ook niet algemene morele waarden (kunnen) zijn.
Het kan wel zo zijn dat die waarden door het christendom bevorderd, meer uitgewerkt of meer uitgedragen zijn. Dat is allemaal waar. Het christendom mag mijns inziens alleen niet het monopolie van bepaalde morele opvattingen voor zich op eisen.
Er is nog een voorwaarde bij het verantwoord spreken over Gods gebod als moreel uitgangspunt. Men zal zich goed moeten realiseren, dat er niet een gebod is, maar meerdere (ook onderling tegenstrijdige), en dat zo'n gebod altijd een nadere interpretatie, invulling en toepassing behoeft. Naast de principiČle keuze om zich door God te laten gezeggen is hier sprake van nog eens een dubbel keuzemoment: enerzijds moet er gečnterpreteerd worden, anderzijds is er de keuze van de toepassing; namelijk van de handelwijze die men zal volgen. Juist omdat een bijbelse richtlijn vaak algemeen is, zal niet alleen een interpretatie, maar ook een toepassing in de gegeven situatie nodig zijn. Niet elke interpretatie impliceert immers een bepaalde handelwijze.
Nemen we het gebod tot naastenliefde.
We kunnen dat op vele wijzen interpreteren. Vooral is van belang bij de uitleg, wie met 'naaste' bedoeld wordt. De vaststelling daarvan berust op een keuze - er zijn immers meerdere mogelijkheden. De praktische toepassing van dit gebod vergt opnieuw een keuze. Stel dat we tot de uitleg komen, dat alle onderdrukten onze naasten zijn. Wat betekent het dan concreet, dat we hen zullen 'liefhebben' ? Welke daden zullen wij verbinden aan dit gebod? Ook hier kunnen we een keuze niet ontlopen.  
6. Ruimte voor verandering
Tenslotte. Het laat zich gemakkelijk begrijpen dat onze afwijzing van een identificatie van christelijk geloof en een bepaalde moraal ruimte maakt voor mogelijke veranderingen in de moraal. Wie immers zijn moraal en zijn levensovertuiging als een en dezelfde zaak beschouwt, moet wel diep ongelukkig worden als de behoefte of noodzaak blijkt om een morele regel aan te passen of te veranderen. Nogmaals een voorbeeld uit de seksuele moraal. Wie meent dat het monogame huwelijk een door God gewilde instelling is, moet wel beroerd worden bij de gedachte dat er ook andere vormen van omgang tussen mensen voorkomen. Hij wordt immers niet alleen in zijn moraal aangetast, maar ook in zijn geloof, waarmee wellicht zijn gehele bestaan op haar grondvesten schudt. Een loskoppeling van de inhoud van de moraal en het geloof, of althans een minder grote identificatie zou een dergelijke schok voorkomen! Juist zo iemand zal roepen: 'Waar blijft God dan?', omdat het wegvallen of gerelativeerd worden van een morele regel voor hem ook God en zijn bestaan relativeert .
De vraag 'waar blijft God' is begrijpelijk, wellicht ook buiten de context van de moraal. Voor zover we die hier beantwoorden kunnen we zeggen dat de hier verdedigde visie op de moraal en het geloof in een God die zich met deze wereld bezighoudt, elkaar niet uitsluiten. De loskoppeling van moraal en geloof betekent wel dat er een eigen domein voor de mens ontstaat, waarvan overigens ook weer niet beweerd kan worden, dat God er niets mee te maken heeft. Wie leeft in de hoop en verwachting, of wellicht ook in de zekerheid dat God om deze wereld en de mens bekommerd is, zal ook handelen in de context van de relatie God-mens. De gelovige zal zoveel mogelijk die vorm aan zijn mens-zijn geven, waarvan hij denkt of weet dat God die bedoelt.
Er blijft dus alle mogelijkheid voor het geloof in God, ook als we volhouden dat het terrein van de moraal in eerste instantie een zaak en keuze van de mens is.