Maçonnieke encyclopedie-E.

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !


1V . Moraal als keuze .
1 . Op zoek naar `vastigheid
2. De natuur als moreel uitgangspunt
3. Moraal op gezag. De vrije wil
4. Moraal als keuze
5. De expansie van de moraal
6. Groeiende verantwoordelijkheid







V . Moraal als keuze .
De toename van verantwoordelijkheid
1 . Op zoek naar `vastigheid `
In de vorige twee hoofdstukken is besproken dat moraal verandert onder invloed van zich wijzigende menselijke omstandigheden. Die veranderingen van de moraal hangen samen met het gegeven, dat moraal een middel is om een bepaald doel te bereiken.
Met de zo ontwikkelde visie zijn twee klassieke kenmerken van de moraal overboord gezet . Vanouds geldt de moraal voor vele mensen, ook in onze tijd, als een onveranderlijk geheel, waarvan ten onrechte aangenomen zou worden, dat die verandert of zou moeten veranderen. Het bijzondere van de moraal, aldus deze redenering, is juist dat deze als vast gegeven de mens kan leiden en sturen - elk loslaten van de vanouds geldende moraal zou slechts chaos en ellende veroorzaken.
Meestal treffen we een dergelijke opvatting van moraal aan bij de zogenaamd orthodoxe gelovigen, voor wie het bestaan van God en ‚‚n bepaalde moraal twee kanten van dezelfde zaak zijn. Hierover meer in hoofdstuk V .Een ander, met het voorgaande samenhangend klassiek kenmerk van de moraal is dat deze een waarde op zich zou zijn . Men kent in dat geval de moraal een eigen terrein toe, dat min of meer los van onze werkelijkheid staat en om zichzelf gerespecteerd dient te worden.
Ook in dit geval geldt weer dat vooral bij gelovige mensen een zodanige visie te verwachten is: de moraal wordt gezien als een opdracht van God aan de mens . Het behoort dus tot de plicht van de gelovige om deze moraal te aanvaarden. Men kan zich dan ook nauwelijks voorstellen dat er andere typen van moraal voorkomen: er is ‚‚n `ware', `goede' moraal. Over andere uitgangspunten voor het gedrag valt niet te praten, en zo die zichtbaar worden, dienen ze met kracht bestreden.
Er is nog een manier waarop de eeuwige geldigheid van de (dat wil zeggen, ‚‚n bepaalde) moraal kan worden vastgehouden en verdedigd. Men kan namelijk ook uitgaan van een wetmatigheid in de werkelijkheid zelf, die als een soort `natuur' de mens, de wereld, ja zelfs de kosmos bestuurt.
Men meent in dit geval uit de werkelijkheid de moraal te kunnen aflezen. Echte morele problemen kunnen er dan nauwelijks zijn. De werkelijkheid bevat de uitgangspunten voor het menselijk gedrag. Begrippen als goed en kwaad, zinvolheid en zinloosheid behoeven niet nader door de mens te worden ingevuld, maar worden in en door de werkelijkheid om ons heen (en door onze eigen menselijke werkelijkheid) aan ons gepresenteerd . In deze visie is de mens dan ook niet de zingever: de dingen, gebeurtenissen, ja alles waarmee de mens te maken krijgt heeft in zichzelf betekenis. Het voordeel van deze opvatting van moraal is, dat er geen conflict is dat uiteindelijk niet met een beroep op de werkelijkheid, de `feiten', kan worden beslecht. De moraal is gefundeerd in de werkelijkheid - onzekerheid en twijfels over de moraal zijn onnodig, en worden hoogstens veroorzaakt door onvoldoende inzicht van de mens .
2. De natuur als moreel uitgangspunt
Het beste voorbeeld van een dergelijke opvatting van moraal biedt de theorie van de ` natuurlijke zedenwet' , die ook wel zedelijke natuurwet of zelfs ten onrechte `natuurrechtelijke ethiek' genoemd wordt. Waar het om gaat in deze moraal, is dat er in de natuur (welke dan ook) een moreel principe, of meerdere morele principes gelegen zijn, die door de mens eruit afgelezen kunnen worden. De theorie van de natuurlijke zedenwet heeft dus ten minste deze twee aspecten : er is een algemeen geldende, universele moraal ; de mens is in staat die moraal te vinden, uit te leggen en te interpreteren. De rol van de mens is dus niet gering: al is hij geen `zingever', hij is nog wel zin'aflezer' .
Nu moeten we zeggen dat ieder die het woord `natuur' in de mond neemt, geconfronteerd wordt met de moeilijkheid dat het een onduidelijke zaak is, wat met natuur bedoeld wordt. Er schijnen 60 betekenissen van het woord natuur te bestaan - wie dit word gebruikt zal dus wel een nadere toelichting moeten geven. Gebeurt dat niet, dan is er alle kans dat er alleen maar verwarring en onhelderheid ontstaat.Dit is nu precies gebeurd met de theorievorming rond de natuurlijke zedenwet. De één verstond onder `natuur' de gehele kosmos in zijn wetmatigheid (de Stoa), een ander dacht bij `natuur' aan de mens zelf, en vatte die natuur vooral als redelijk op (Thomas van Aquino). Weer een ander vertaalde natuur in: de biologische aanleg van de mens (Paus Paulus VI in de encycliek Humanae Vitae)
Er is echter één ding dat allen gemeenschappelijk hebben, dat is de behoefte om de moraal een stevig fundament te geven, zodat goed en kwaad voor ieder duidelijke en evidente begrippen zijn. Vanwaar nu toch die behoefte aan `vastigheid en zekerheid'? Vanuit de wijsgerige en biologische antropologie zijn in deze eeuw interessante antwoorden op deze vraag naar voren gekomen.
Daarin wordt vooral duidelijk, dat de mens, anders dan het dier, slechts in geringe mate is `voorgeprogrammeerd' wat betreft zijn gedrag. In tegendeel, de mens wordt gezien als een wezen dat zich kenmerkt door het feit dat hij gedragsalternatieven heeft, die bij het dier nauwelijks aanwezig zijn. Terwijl de handelingsmogelijkheden van een dier beperkt zijn, (weliswaar voor iedere diersoort weer anders, maar toch per dier beperkt), geldt voor de mens die beperking veel minder: hij moet met andere woorden veel meer zelf vaststellen hoe hij zich zal gedragen. Daarbij heeft hij behoefte aan een zekere structuur voor zijn gedrag , die door de moraal geboden wordt .
De mens heeft dus - als soort - belang bij een moraal . ls eenmaal zo'n moraal tot stand gekomen, dan is het voorstelbaar dat men die moraal een zo groot mogelijke kracht wil geven, zodat zoveel mogelijk mensen zich er aan houden. Vooral de groep die het meest belang bij zo'n moraal heeft, zal daar naar streven . E‚n van de manieren om de moraal die kracht te geven, is om de werkelijkheid als basis van de moraal aan te nemen: voor ieder redelijk mens moet dan duidelijk zijn wat hem te doen staat. (Op de redelijkheid in verband met de moraal gaan we nader in in hoofdstuk XI . )
Een andere mogelijkheid is om de moraal te koppelen aan het gezag van een autoriteit: de overheid (de wet), de kerk of God zelf. Hoe vaak zien we niet gebeuren, dat een individu of een groep die bang is dat de moraal in een hem of haar ongelegen richting verandert, zich beroept op één van deze autoriteiten!
Men kan zich afvragen, wat daar eigenlijk op tegen is. Waarom kan men zich niet beroepen op de natuur (de werkelijkheid), de wet, de kerk of God bij het verdedigen van een visie op de moraal ?
In het volgende hoofdstuk gaan we nader in op de betekenis van een beroep op de autoriteit van God in morele kwesties. Nu volstaan we met de bespreking van een beroep op andere gezagsinstanties, om te beginnen de natuur.
Zolang mensen de werkelijkheid om hen heen als onveranderlijk ervaren lijkt een koppeling van de moraal aan de natuur heel plausibel. Die natuur (wat we er ook precies mee bedoelen) is er nu eenmaal altijd, iedereen kan zien hoe die in elkaar zit, dus waarom zouden we ons er niet op beroepen ? Drie problemen ontstaan hierbij . Ten eerste is er de moeilijkheid wat we uit die natuur menen te moeten aflezen. Een voorbeeld is de waardering van agressiviteit: behoort agressief gedrag tot de natuur (en tot de natuur van de mens), of is naastenliefde of medemenselijkheid `natuurlijker' ?
Een tweede moeilijkheid hangt samen met de omstandigheid dat altijd al, maar nu meer dan ooit, de natuur manipuleerbaar is. Hoe kan een werkelijkheid waarin de mens voortdurend veranderingen aanbrengt, normatief zijn? Welke werkelijkheid bedoelen we dan? Er zijn artsen die graag spreken over een natuurlijke dood, die beter zou zijn dan een onnatuurlijke dood door middel van euthanasie. Maar wat is hier natuurlijk? Is de medische behandeling voorafgaande aan het sterven `natuurlijk'? Is in feite niet het gehele menselijk leven (althans in de westerse landen) tot op grote hoogte onttrokken aan de natuur?
Daarmee komen we dan op de derde moeilijkheid van een beroep op de natuur: is in het leven van de mens de cultuur, dat wil zeggen de omvorming van de natuur niet essentieel? In hoeverre is de mens nog een natuurwezen`' Heel de geschiedenis van de mensheid laat zien, dat de mens voortdurend bezig is te ontsnappen aan de natuur.
Een beroep op de natuur (in welke zin ook) lijkt dus onhoudbaar. Dan rest een beroep op ‚‚n van de andere genoemde gezagsinstanties.
3. Moraal op gezag. De vrije wil
Kunnen we ons bij het verdedigen van een bepaalde moraal wellicht beroepen op het gezag of de autoriteit van een ander, de overheid, de kerk, of van zomaar iemand die ons bepaalde bevelen gaf? We kunnen deze vraag ook anders stellen: vinden we iets goed en aanvaardbaar, omdat iemand anders dat (ook) vindt? Voor het antwoord op deze vraag is essentieel, wat we voor visie hebben op de vrije wil van de mens. Is het zo dat mensen in hun opvattingen `bepaald' worden door factoren van buiten af, of door anderen?
Het punt waarom het gaat is of we mogen of moeten aannemen dat mensen in principe zelf hun wil bepalen, en dus ook aansprakelijk gesteld mogen worden voor hun handelingen.
Of moeten we er van uit gaan, dat zoveel factoren het menselijk willen en handelen be‹nvloeden, ja zelfs determineren, dat van een vrije keuze geen sprake is? In dat laatste geval kan elke menselijke daad in principe verontschuldigd worden met een beroep op de omstandigheden en factoren die bij die daad hebben meegespeeld. Daarmee is dan tevens ontkend dat de mens in dat geheel van hem be‹nvloedende factoren het laatste woord heeft. De vraag is hier of het nog wel zinvol is over moraal te spreken en met ethiek bezig te zijn. Wat heeft het voor zin over goed en kwaad te spreken, over verantwoordelijkheid en verandering in de moraal, als het morele element niet meer is dan een som van alle determinanten, waarbij degene die handelt geheel uit het gezichtsveld verdwijnt? In navolging van de filosoof Kant gaan de meeste ethici er tegenwoordig van uit dat, hoe groot ook de be‹nvloeding van buiten af bij het menselijk handelen is, toch in laatste instantie (bij de redelijke, volwassen mens) een vrijheid van de wil aangenomen moet worden. Deze vrijheid van de wil geldt als een postulaat, dat wil zeggen: hij kan niet bewezen worden, maar hoogstens aannemelijk gemaakt.
De vrijheid van de wil impliceert dat de mens in principe in staat is tussen alternatieven te kiezen.
Omgekeerd kan een mens zich, in deze opvatting, ter verontschuldiging van zijn handelen nooit beroepen op de omstandigheden, de wil van een ander (een bevel) of wat dan ook.
Hij is het zelf die handelt en kiest hoe te handelen, welke ook zijn achtergronden zijn. Sterk doorgetrokken zou de vrijheid van de wil inhouden dat geen verzachtende omstandigheden mogen gelden, die een mens minder aansprakelijk maken. Het is duidelijk dat —it onhoudbaar is. We weten hoe mensen al naar gelang de groep waarin ze verkeren, dan wel door hun opvoeding en onderwijs (en vooral door het gebrek daaraan) , of ook door fysieke omstandigheden (voortkomend uit henzelf of van buiten af) tot daden kunnen worden aangezet . De vraag is alleen of uiteindelijk de mens zelf toch niet - in hoe beperkte mate ook - aansprakelijk gesteld dient te worden. Zou dit niet het geval zijn, dan wordt het menselijk leven op deze aarde wellicht helemaal onmogelijk en zou er geen rem meer zijn op welke wandaad dan ook. Elke daad zou immers verontschuldigbaar zijn. De essentie van moraal is juist het postulaat dat dit niet het geval is, en dat het goed is om bepaalde gedragingen wel, en andere niet of minder aan te moedigen.
Een ontkenning van de vrije wil zou betekenen dat de vraag naar het goede leven niet gesteld kan worden, omdat het een zinloze vraag is: het goede leven zou zich dan laten afleiden uit de omstandigheden, zonder dat er iets aan te doen is . De uitdrukking `goed te leven' heeft in dat geval geen enkele zin meer: wie leeft omdat hij zo moŠt leven (zoals het dier?) heeft geen gelegenheid om de termen `goed en kwaad' als morele en menselijke kwalificaties zinvol te gebruiken. De vrijheid van de wil houdt ook in dat men zich bij het rechtvaardigen van een daad nooit kan beroepen op een bevel. Toch is dat iets wat in de moraal zeer vaak voorkomt. Hoeveel mensen geven niet aan op grond van de autoriteit van een medemens (of van God) te handelen?
De effecten van het beruchte `Befehl ist Befehl' illustreren voldoende wat de gevolgen van het handelen op gezag van een ander kan inhouden. Het betekent dat de mens zelf niet kritisch bekijkt of een bepaalde daad wel aanbevelenswaardig is, maar dit aan een ander overlaat. Zo degradeert een mens zichzelf tot een verlengstuk van een ander, tot een robot, een automaat, een wezen zonder eigen oordeel. Vanuit het standpunt van de moraal is deze houding vooral ongewenst, omdat de persoonlijke verantwoordelijkheid van het individu weggevaagd wordt en er geen mogelijkheid meer is een handeling met degene die handelt inhoudelijk ter discussie te stellen. We moeten dus concluderen dat een beroep op een autoriteit evenzeer problemen oplevert als een beroep op de natuur.
4. Moraal als keuze
Dan rest nog slechts de mogelijkheid dat moraal principieel een kwestie van persoonlijke keuze is.
Dit betekent nog niet dat ieder individu elke keer opnieuw zou moeten beslissen hoe te handelen.
Gelukkig niet! Het betekent wel dat de individuele mens zich kritisch kan opstellen ten opzichte van de in zijn groep, familie of volk heersende moraal, en kan beslissen of hij die zich eigen maakt of niet.
Niemand ontwerpt voor zichzelf een geheel nieuwe moraal - moraal behoeft niet permanent uitgevonden te worden. Het behoort echter wel tot de mogelijkheden van de volwassen mens, dat hij zich een aantal om hem heen functionerende morele gedragsregels al of niet eigen maakt. Dit zich eigen maken van morele regels vindt niet geheel op het niveau van het bewustzijn plaats.
Zoals we uit de psycho-analyse weten, begint op zeer jonge leeftijd een proces van internalisering van gedragsregels: dat wat door anderen wordt uitgesproken en voorgeleefd zet zich vast in het kind en vormt zo zijn geweten. Soms kan een dergelijke vorming van het kind van dien aard zijn, dat er weinig of geen ruimte over blijft om op latere leeftijd nog de vrijheid te vinden van het pakket normen en waarden, dat zich als geweten heeft vastgezet , afstand te nemen.
Zelfs kunnen de g‚internaliseerde normen en waarden de latere volwassene ernstig duperen bij het `zichzelf' te zijn. In zo'n geval kan een hevig conflict ontstaan tussen dat wat zich als moreel bewustzijn in een mens heeft vastgezet en het nieuwere `ik' dat zich daaraan tracht te ontworstelen.
Hoezeer ook deze processen bekend zijn, toch doen ze geen afbreuk aan de these van de vrijheid van de wil .
Juist het feit dat er conflicten kunnen ontstaan in de mens zelf, vooronderstelt de mogelijkheid dat er een (tot op zekere hoogte) vrij kiezend ik is. Waar het in de moraal om moet draaien - wil moraal moraal blijven - is dat mensen in redelijkheid zichzelf en hun handelen kunnen bezien en beoordelen, en dat dat ook van hen gevraagd mag worden.
Vooral in tijden waarin zich veranderingen in de moraal aandienen, kan het belang van het kritisch bekijken van de eigen morele uitgangspunten en gedragingen niet genoeg onderstreept worden.
5. De expansie van de moraal
Behalve een verandering in morele inzichten zien we in onze tijd ook een uitbreiding van de moraal.
Daarmee bedoel ik dat er steeds m‚‚r morele problemen komen die om een oplossing vragen. De meest voor de hand liggende oorzaak hiervan is de groei van onze technische mogelijkheden: wie meer kan, komt ook voor meer problemen te staan. Elke nieuwe mogelijkheid om te manipuleren met onszelf, onze medemensen of de wereld om ons heen roept de vraag op: hoe en waartoe gebruiken we die mogelijkheden?
Laten we vooral niet denken dat alleen natuurwetenschappers, artsen en anderen die hoog ontwikkelde wetenschappelijke mogelijkheden in handen hebben, voor de vraag staan hoe ze zullen handelen. Het geldt voor ons allen dat de toegenomen mogelijkheden van de mens op elk terrein van het leven nieuwe verantwoordelijkheden met zich meebrengen. Wie zich als voetganger door het verkeer begeeft, kan zijn mede-weggebruikers bijzonder weinig schade toebrengen: de voetganger `verliest' immers elke aanrijding. Zijn verantwoordelijkheid is daarmee ook beperkt: hij heeft eenvoudig de mogelijkheden niet anderen gewelddadig om te brengen. Heel anders ligt het met de automobilist, die met zijn 1000 kilogram wegend stalen gevaarte met een voetbeweging een mens dood of invalide kan maken. Zijn verantwoordelijkheid is enorm: de minste of geringste fout van zijn kant is al voldoende voor een ramp.
Nog dichterbij huis blijven we als we bedenken hoe een eenvoudig apparaat als een warmwatergeyser, indien niet tijdig schoongemaakt of fout bediend, een soort bom in huis is. Ook de beschikking die bijna iedere inwoner van Nederland heeft over gevaarlijke stoffen (spiritus, zoutzuur, gifstoffen voor de tuinbouw) levert een uitbreiding van de verantwoordelijkheid op.
Hoe gebruiken we ze, wanneer, onder welke veiligheidsvoorwaarden? Ook onszelf kunnen we schade toebrengen, alleen al door te veel aspirinen te slikken. En wat voor een enorme verantwoordelijkheid is niet op de schouder van de `gewone burger' gelegd door de nieuwe anticonceptie-technieken? Zal hij w‚l of geen kinderen nemen, hoeveel, en wanneer?
Allemaal vragen die in vroeger tijden nauwelijks of niet gesteld werden, omdat ze niet gesteld konden worden.
Wie meer kan, is meer verantwoordelijk. Dat is ‚‚n reden voor de expansie van de moraal. We hebben vragen en problemen op te lossen door het eenvoudige feit dat we voor keuzen staan.
Maar dat is nog niet de enige oorzaak van de uitbreiding van de moraal. Minstens evenzeer wordt die bewerkt door de groeiende pluriformiteit in onze (westerse) samenleving. Onder een pluriforme samenleving verstaan we in het algemeen een samenleving waarin meerdere overtuigingen naast elkaar voortbestaan, waarin mensen met verschillende behoeftes en belangen met elkaar moeten leven, en waarin niet langer ‚‚n van bovenaf opgelegd en instandgehouden systeem van waarden de mensen samenhoudt. In een samenleving waarin de kerk , de overheid , of ‚‚n klasse het voor het zeggen heeft, wordt ook de moraal van die kerk, overheid of klasse beleden. Meestal vindt die moraal zijn neerslag in het recht, en kan dus ook opgelegd worden aan eventuele `dissidenten' . Het klassieke beeld van de moraal is dan ook het volgende: de kerk, geholpen door de staat, of de staat geholpen door de kerk geeft een aantal gedragsregels voor goed en aanvaardbaar uit. Deze gedragsregels blijken in het algemeen vooral de belangen te dienen van de groepen die het in die kerk of staat voor het zeggen hebben. Afwijkende opvattingen hebben bijzonder weinig kans . Nog aan het eind van de achttiende eeuw wordt Immanuel Kant, ‚‚n van de grote filosofen aller tijden, door de koning van Pruisen op de vingers getikt naar aanleiding van hetgeen hij over moraal en godsdienst meende te moeten zeggen.
De klassieke uniformiteit (eenheid) van de moraal kan moeilijk anders dan als kunstmatig beschouwd worden. Het ligt dan ook voor de hand dat de opkomst van de democratie als staatsvorm enorme betekenis heeft voor de moraal . Het principe van de democratie is immers (onder andere) dat alle groepen in de samenleving voor hun belangen mogen opkomen, en dat naar iedereen geluisterd wordt. In de democratie geldt principieel het recht op vrije meningsuiting, dus ook het recht op het hebben van een eigen mening. De democratie maakt verschil van mening over de moraal mogelijk en heeft de mogelijkheid uitgehold dat met kracht ‚‚n mening naar voren wordt gebracht. In een democratie kan de moraal zich vrijer ontwikkelen. De democratische samenleving maakt het ook mogelijk dat iedereen gaat meepraten over alle problemen. Ook daardoor ontstaat een expansie van de moraal: meer mensen doen mee als het er om gaat morele regels te bespreken. We hebben nu drie verschillende oorzaken van de expansie van de moraal genoemd: de toenemende mogelijkheden van de mens tot het doen van keuzen; het wegvallen van een (opgelegde) overeenstemming over de moraal en de grotere participatie en medezeggenschap van groepen, die eerder moesten zwijgen. Een volgende oorzaak is het best te omschrijven als de toenemende interdependentie (onderlinge afhankelijkheid) van het menselijk handelen.
De gedachte hierbij is, dat door de toename van wetenschap en techniek het handelen van de moderne mens steeds verderreikende gevolgen heeft. Verderreikend naar twee kanten: dieper ingrijpend in het bestaan, maar ook in de zin van: meer mensen betreffend. Ook de toenemende communicatiemogelijkheden spelen hierbij een rol . Wij weten in Nederland wat er in Zuid-Oost Azië gebeurt - en zijn op dat moment betrokkenen. De wetenschap dat er vluchtelingen op boten dreigen om te komen maakt ons mede verantwoordelijk. Wij kunnen als Nederlanders niet meer zeggen dat `het onze zaak niet is wat daar gebeurt' . De omverwerping van het regime van de sjah van Perzi‰ heeft voor ons gevolgen in verband met de toevoer van energie; de verdrukking van de niet-blanke bevolking in Zuid-Afrika stelt ons voor weer andere problemen. Als de graanoogst in Rusland mislukt moet er in Canada graan gekocht worden. We hebben als mensen op deze wereld met elkaar te maken - of we het leuk vinden of niet .
Daardoor worden we geconfronteerd met nieuwe problemen, die om een oplossing vragen. Dit is de expansie van de moraal. Moeten we de sandinisten in Nicaragua steunen of juist niet?
Proberen we Chili te boycotten of zijn onze handelsbelangen van groter gewicht? De verantwoordelijkheid is letterlijk zonder grenzen.
Het is dan ook geheel niet verbazingwekkend dat bij veel mensen in West-Europa op het ogenblik een ontkenning van die onderlinge samenhang van het menselijk handelen te zien is.
Er zijn eenvoudig te veel problemen en ook te grote problemen, waardoor een gevoel van machteloosheid ontstaat zodat elke inspiratie om er nog wat aan te doen verloren gaat . De grote matheid van de jaren zeventig lijkt me dan ook geen gedachtenspinsel van journalisten, maar een zeer juiste betiteling van dit fenomeen.
6. Groeiende verantwoordelijkheid
Als we de twee gegevens, enerzijds dat de moraal verandert anderzijds dat de moraal uitbreidt, bij elkaar optellen, ontstaat een nogal somber beeld. Er zijn m‚‚r problemen, maar er is ook minder houvast dan ooit bij het oplossen van die problemen. In een situatie waarin een duidelijke en overzichtelijke moraal een grote hulp zou kunnen zijn, lijkt elk zicht daarop afwezig
Zekerheid en houvast, tot voor kort kenmerken van de moraal zijn ver te zoeken. Juist nu het zo buitengewoon handig zou zijn om als mensen een serie duidelijke opdrachten en plichten te hebben, een paar aardige vuistregels voor het handelen, blijken die er niet te zijn of niet erkend te worden. Wat heet goed en wat heet kwaad? Degenen die daarover een duidelijke mening hebben, oogsten lang niet altijd bijval en lopen vooral de kans voor fanaten aangezien te worden.
Er is minder zekerheid, minder houvast, en m‚‚r verantwoordelijkheid. Op het eerste gezicht lijkt deze zin een dilemma te bevatten. Ik zou graag willen aantonen, dat mààr verantwoordelijkheid en minder zekerheid wellicht twee kanten van hetzelfde zijn.
Wat is eigenlijk eigen verantwoordelijkheid? Deze geliefde morele term sticht meer verwarring dan dat ze helderheid cre‰ert. Het best kan verantwoordelijkheid omschreven worden als: de plicht of morele noodzaak om verantwoording af te leggen, dat wil zeggen een daad voor zijn rekening te nemen of te rechtvaardigen.Als we spreken van een groeiende verantwoordelijkheid (doordat meer keuzen gemaakt moeten worden), betekent dat, dat we er van uitgaan dat er meer en vaker de noodzaak is om het eigen handelen te rechtvaardigen of er rekenschap van af te leggen. De verantwoordelijkheid heeft twee kanten: men is verantwoordelijk met oog op de moraal, de normen en waarden, die men heeft, en men is verantwoordelijk tegenover de hij het handelen betrokken mensen (en eventueel tegenover God). Als we uitgaan van een toenemende samenhang van het menselijk handelen, neemt het aantal mensen dat bij ons handelen betrokken is toe, en groeit daarom onze verantwoordelijkheid. Met de verantwoordelijkheid met het oog op de moraal zit het weer anders: daarbij kan men een onderscheid maken in enerzijds de verantwoordelijkheid met het oog op de regels of waarden die men als geldig aanneemt; anderzijds met het oog op het resultaat en doel dat men wenst te bereiken. Dit onderscheid levert twee typen van verantwoordelijkheid op, overeenkomstig het denken in termen van plicht en het denken in termen van een te bereiken resultaat. Met die verantwoordelijkheid ten opzichte van de plicht of regels die men meent te moeten volgen is iets bijzonders aan de hand. Het is namelijk mogelijk om zo star vast te houden aan een bepaalde plicht of een bepaalde regel of norm, dat het persoonlijk rekenschap afleggen in feite achterwege blijft. Men beroept zich dan direct op die regel of norm, en meent daarmee voldaan te hebben aan de plicht om rekenschap af te leggen of zijn daad te rechtvaardigen.
Volledig rechtvaardigen zou men zijn handelen pas als men ook die regel of norm ter discussie zou stellen: is het wel een goede norm, ‚‚n die het waard is gevolgd te worden?
Zodra men echter bereid is zijn eigen normen te rechtvaardigen of te toetsen, komt onmiddellijk de vraag op waaraan die norm dan wel getoetst zal moeten worden. Het kan zijn dat men zo - met een omweg - toch weer terecht komt op de vraag wat eigenlijk het effect of resultaat van die regel of norm is !
Ook is het mogelijk dat men de herkomst van een bepaalde regel benadrukt en zich daarop beroept. `Het staat in de Bijbel', `God wil het', `Dat zegt de eed van Hippocrates'. In hoeverre dit een voldoende argument is komt in het volgende hoofdstuk ter sprake. Het valt in ieder geval niet te ontkennen, dat het wegvallen van bepaalde zekerheden en vaste normen, meer ruimte biedt voor het zelf bedenken waarom men iets doet. Men staat er zelf voor en moet zichzelf rekenschap geven van zijn moraal . Daarom kan een wegvallen van de houvast in de moraal de verantwoordelijkheid verruimen