Maçonnieke encyclopedie-E.

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !


ll Moraal verandert
l. Iets nieuws onder de zon?
2. Moraal verandert
3. Plicht en resultaat
4. Absolutisme en relativisme
lll. Moraal : een middel tot een doel
1. Eigenbelang en menswaardig leven
2. Eigenbelang als egoïsme
3. Het welbegrepen eigenbelang
4. Moraal en het belang van allen
5. Het vermeende belang
6. Moraal als dekmantel.








ll Moraal verandert


l. Iets nieuws onder de zon?


Er is nog al wat aan de hand met de moraal. Hoe we het ook wenden of keren: het valt niet te ontkennen dat de mor verandert, dat mensen van mening verschillen over hun meest juiste handelwijzen, en dat er een gebrek aan eensgezindheid ten opzichte van de moraal zichtbaar is .Is dat nu eigenlijk zo iets bijzonders? Terecht wordt die vraag regelmatig gesteld. We doen wel allemaal zo moeilijk over nieuwe ontwikkelingen in de moraal, maar zijn die wel zo nieuw, of is er alleen maar sprake van een periode van verandering, zoals we die zo vaak tegenkomen in de geschiedenis van de mensheid? Zijn er niet altijd mensen geweest die geroepen hebben dat zij toch echt een totale verandering in de geestesgesteldheid van de mens waarnamen? Denkt niet elke generatie opnieuw dat met haar een nieuw tijdperk aanbreekt, en dat het `oude is voorbijgegaan' ?

In zekere zin is dit waar - in bijna elke periode van de geschiedenis zijn er mensen die hun tijd als uniek beschouwen en denken dat daarin bij uitstek alles anders is dan in alle vorige perioden. Veranderingen in de moraal zijn er ook heel wat geweest. Is het nu wel nodig om onze tijd in dit opzicht als uniek te beschouwen? Is het werkelijk anders, wat er nu gebeurt? Toegegeven, de moraal verandert, maar is dat nu echt zo bijzonder? Ik ben ervan overtuigd dat de mensheid inderdaad een nieuw tijdperk binnentreedt, waarin alles anders is, en in ieder geval onze opvattingen over moraal ongekende ontwikkelingen doormaken. De groei van onze technologie met al zijn nieuwe mogelijkheden levert een andere situatie op, onvergelijkbaar met alles wat er eerder door mensen werd bedacht en uitgevonden. Niet alleen onze wereld, maar ook wijzelf zijn daardoor veranderd. Wij zijn andere mensen geworden, met andere behoeften en verlangens en andere idealen.

Zonder twijfel zijn er nog enkele aspecten aan ons mens-zijn die overeenkomst vertonen met de vroegere mens - hoe zouden we anders hun uitlatingen kunnen begrijpen en zelfs waarderen? Homerus' beschrijving van de liefde tussen Hector en Andromache is nog steeds ontroerend; de angst van hun zoontje voor de krijgshelm van zijn vader nog even voorstelbaar en grappig. De groten van onze geschiedenis zijn nog steeds als mensen herkenbaar in hun kwetsbaarheid en grandeur . Liefde en haat, verdriet en vreugde, leven en dood, zij blijken door alle culturen heen tot het mens-zijn te behoren.

De situatie van de hedendaagse mens lijkt echter in elk opzicht veranderd te zijn, en wat aanvankelijk nog gezien kon worden als een kwantitatief verschil , blijkt nu ook de kwaliteit van het bestaan te betreffen. De menselijke situatie is met andere woorden kwalitatief anders geworden.

De nieuwe economische verhoudingen, de nieuwe technologie, de toename van medisch-technische mogelijkheden, de groei van de wereldbevolking, de slijtage van het milieu, het opraken van de minerale grondstoffen, de gigantische bewapeningswedloop, zij alle maken dat ons bestaan niet meer te vergelijken is met dat van de generaties voor ons. Het is uitgesloten dat de mens van nu nog dezelfde is gebleven. De vraag is zelfs of de mens niet beh¢¢rt te veranderen, in die zin dat hij zich dient aan te passen aan het gegeven dat de nieuwe situatie waarin hij zich bevindt nieuwe verantwoordelijkheden en nieuwe inspanningen vergt .In een wereld als de onze is wellicht een middeleeuwse contemplatieve houding in het geheel niet meer op zijn plaats: hoe kunnen we ons een weg banen in het bestaan in de twintigste eeuw zonder de wereld in ogenschouw te nemen en daarop te reageren?

 

2. Moraal verandert


Moraal hangt samen met onze behoeften en verlangens. Het ligt dus voor de hand dat een veranderende situatie voor de mens ook een veranderend patroon van behoeften met zich meebrengt. In een nieuwe situatie zal een nieuwe vorm van mens-zijn zich ontwikkelen, en zal de vraag hoe goed te leven van een ander antwoord voorzien worden. Dit sluit overigens niet uit dat ook in de huidige situatie behoeften gelden die nooit ophielden te bestaan. We moeten misschien wel erkennen dat er toch, door alle eeuwen heen, iets in het mens-zijn hetzelfde blijft. We hebben en hadden als mensen tenslotte altijd behoefte aan bepaalde zeer elementaire zaken zoals voedsel, rust, bescherming, genegenheid en een stabiele omgeving. Lust- en onlustgevoelens blijken er altijd geweest te zijn, en we herkennen heel goed de beschrijvingen daarvan uit andere tijden. Toch is ook van dit alles de context totaal gewijzigd, en misschien daardoor toch ook de inhoud. Ik vermoed dat de richting waarin moraal verandert de aard van de nieuwe behoeften kan duidelijk

Wordt moraal zonder meer een doel op zich, dan is de kans groot dat we handelen omwille van de regel, maar niet ter wille van onszelf. De moraal wordt dan een macht op zich, die zich zelfs tegen ons kan keren en ons kan maken. Moraal hangt niet in de lucht. Moraal is een manier van benaderen van onze menselijke situatie, van de werkelijkheid van alledag. De moraal ordent en interpreteert die werkelijkheid. Per definitie kan moraal dan al niet absoluut (losgemaakt) meer zijn, noch eeuwig en onveranderlijk. Wat de mens in de ‚ne situatie behoort te doen, kan in een andere volmaakt ongewenst zijn. Een voorbeeld is het huwelijk van één man met meerdere vrouwen. Als de sterfte onder mannen groter is dan onder vrouwen kan polygamie veel sociaal leed opheffen. Ook om andere redenen lijkt zo'n oplossing voor de organisatie van de samenleving heel redelijk: bij afwezigheid van elke mogelijkheid tot anticonceptie-praktijken kan het meer-vrouwen huwelijk een vrouw de mogelijkheid bieden tot langere rustperioden tussen de zwangerschappen. ln een samenleving waarin anticonceptie wel tot de re‰le mogelijkheden behoort, en bovendien de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen een groot goed is, is polygamie een onding, een aantasting van de waardigheid van de vrouw, en wellicht de veroorzaker van veel nieuw leed .Dan moet geconcludeerd worden dat de regel niet meer werkt en dus veranderd dient te worden. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Want in moslim-samenlevingen is de polygamie door godsdienst, recht en cultuur aanvaard. We kunnen ook zeggen: die is ge‹nstitutionaliseerd. En hoezeer ook polygamie de verlangens en behoeften van vele vrouwen miskent, het opheffen van de regel zal uitermate moeilijk zijn. En wel om meerdere redenen. De behoeften van de mannen kunnen andere zijn; voorts hebben die mannen de macht in handen. Een omwenteling zal pas mogelijk zin indien de behoeften van degenen die een verandering wensen door de anderen als legitiem erkend worden, of wanneer degenen met de nieuwe behoeften die macht verwerven .Waarom nu deze uitvoerige beschrijving van een probleem dat in onze samenleving nauwelijks aan de orde is. Het lijkt mij een voorbeeld van een moreel conflict, dat enerzijds illustreert dat morele problemen en conflicten ontstaan in samenhang met zich wijzigende omstandigheden. Anderzijds laat het voorbeeld zien dat een moreel conflict een belangenconflict impliceert of zelfs is.

Soms maken nieuwe omstandigheden de totale omverwerping van bepaalde morele uitgangspunten noodzakelijk. We zien ook wel, dat een morele regel dezelfde blijft, maar door nieuwe ontwikkelingen anders ingevuld gaat worden . Dit is vooral het geval, als het een morele regel betreft die zeer algemeen geformuleerd is. Te denken valt aan de `eerbied voor het leven'. In zijn algemeenheid een zeer acceptabel uitgangspunt voor het menselijk handelen, zelfs een bijna onweerlegbare norm, die al naar gelang de situatie en mogelijkheden ingevuld wordt. in een tijd waarin het leven schaars is, zal deze norm snel het karakter aannemen van een aansporing tot het behoud van het leven tot elke prijs. Zo is die eerbied voor het leven in ieder geval door artsen en niet-artsen als richtlijn voor het medisch handelen ingevuld. Bij het huidige arsenaal van medisch-technische mogelijkheden blijkt een handhaving van deze invulling tot onhoudbare situaties te leiden. Een nieuwe interpretatie bleek nodig en werd ook gevonden. Men ging nuanceringen aanbrengen in de uitleg van de term `eerbied' en probeerde ook de term `leven' nader te kwalificeren. Ook hier een moreel conflict dat gezien kan worden als een belangenconflict: de toepassing van de oudere interpretatie van de eerbied vond het leven bleek niet in overeenstemming te zijn met de belangen van een aantal pati‰nten. In een redelijk democratische samenleving als de onze kon die groep aan het woord komen en zelfs met kracht van argumenten (!) degenen die nog geen behoefte hadden aan een nieuwe invulling er toe krijgen met hun belangen rekening te houden. Uiteraard speelde ook het machtselement een rol: vertegenwoordigers van de `oude interpretatie' hadden niet voldoende macht om hun opvattingen door te zetten.

Nog een ander voorbeeld, dat de samenhang van een morele norm, de menselijke omstandigheden en menselijke belangen en behoeften illustreert, is de ontwikkeling van de co‹tus moraal in Nederland (en ook daarbuiten).De klassieke situatie was die waarin door gebrek aan anticonceptie-mogelijkheden het in het algemeen niet in het belang van een vrouw was om anders dan binnen het huwelijk te co‹teren. De moraal was dus: géén voor- of buitenechtelijk geslachtsverkeer (om dit gruwelijke woord toch maar te gebruiken). Een vrijwel `waterdichte' anticonceptie kan er toe leiden dat dit belang eenvoudig ophoudt te bestaan. De noodzaak van de regel is niet langer aanwezig: de regel verandert dus, zoals we allen kunnen waarnemen. Er is ruimte gekomen voor andere behoeften, voor andere belangen: bij voorbeeld het vrijelijk genieten van de liefde of zomaar van elkaar. Alleen degenen, die ondanks de nieuwe situatie (de aanwezigheid van voorbehoedmiddelen) toch vasthouden aan de vroegere moraal, gevoelen hier een moreel conflict of maken er een probleem van. Dit heeft vooral te maken met het feit dat de seksuele- en huwelijksmoraal door een aantal mensen in verband gebracht wordt met hun geloof of levensovertuiging. Op dit verband tussen moraal en geloof zal in hoofdstuk V nader worden ingegaan.

 

3. Plicht en resultaat


We kunnen moraal dus beschouwen in samenhang met een doel: namelijk een door ons gewenste manier van mens-zijn. Om deze manier van denken over moraal te verduidelijken nogmaals een voorbeeld.

Stellen we ons voor twee Dorpen met een weg daartussen. Deze weg is er al heel lang, we weten dat hij eens is ontstaan als de op dat moment mogelijk beste verbinding tussen die twee dorpen. Sinds het voorbije punt in de geschiedenis, waarop de weg ontstond, is de ontwikkeling van het vervoer door middel van paard en wagen op gang gekomen. De weg is echter vanouds bedoeld en gebruikt om zich te voet van het ene dorp naar het andere te begeven. Het is duidelijk dat de weg te smal wordt als iedereen zich met paard en wagen voortbeweegt. Bovendien begint het in een bep alde periode van het jaar steeds vaker hevig te regenen. De weg wordt nat, blijft zelfs gedeeltelijk onder water staan, en biedt nog allerminst een geschikte verbindingsmogelijkheid. Een aantal voetgangers, geholpen door ruiters met wagens komt nu op het idee om een nieuwe weg te maken. Met veel moeite vinden ze een hoger gelegen terrein waarlangs een nieuw trac‚ getrokken kan worden.

Hier en daar wordt wat hout gekapt en de grond verhard. De eerste karren kunnen er langs. Langzaam aan wordt de weg `ingeslepen' . De oude weg ligt er verlaten bij en wordt niet meer gebruikt, behalve misschien door een enkeling, die de natte voeten op de koop toe neemt, omdat hij nu eenmaal aan de oude weg gehecht is. Hoewel elke vergelijking zijn bezwaren heeft, kunnen we dit voorbeeld gebruiken om helderheid te krijgen over de functie van de moraal en de redenen, waarom moraal kan veranderen.

Wat is er gebeurd?

De oude weg hield op een gegeven moment op de meest gemakkelijke manier te zijn om het andere dorp te bereiken. De weg `werkte' niet meer: je kreeg er natte voeten van, bovendien was hij te smal om er geriefelijk met paard en wagen langs te gaan. Nieuwe omstandigheden (deels wel, deels niet door de mens bewerkt) maakten dat de weg niet meer functioneerde: het welzijn van de gebruikers werd door de weg bedreigd, zodat ze zich wel gedwongen voelden een nieuwe weg te zoeken. Dat was een hele beslissing en kostte veel energie. Toen echter aan andere weggebruikers getoond kon worden, dat de nieuwe weg wel degelijk een betere manier was om het andere dorp te bereiken, raakte de nieuwe weg steeds meer in gebruik.

Toegepast op de moraal kunnen we een vergelijking maken tussen een morele regel of een morele norm en de weg. Beide dienen om `ergens te komen' ; beide worden gewijzigd als ze niet meer goed functioneren, waarbij een criterium voor dat functioneren is het welzijn van de gebruiker.

Sommige gebruikers zijn zo gehecht aan de oude weg of norm, dat zij er niet van af kunnen of durven stappen.

In het voorbeeld is de weg een middel tot een doel, namelijk het bereiken van het andere dorp. Maar hoe zit dat met een morele regel, met de moraal? Kunnen we wel zeggen dat de moraal een middel tot een doel is? Hebben we de moraal niet altijd als een doel op zich beschouwd? Als iets dat om wille van zichzelf gerespecteerd diende te worden? Inderdaad bestond en bestaat deze opvatting van moraal. Het is echter zeer goed te verdedigen om de moraal als een middel tot een doel te beschouwen. Het doel is te omschrijven als: het bereiken van een optimale vorm van menselijk leven. Anders gezegd: het gaat in de moraal om het leven en welzijn van mensen, om `het goede leven'. De moraal heeft als middel echter ook implicaties voor het welzijn - het is geen `neutraal middel'. Zo complex is de moraal: enerzijds is het een weg tot menswaardig leven, tot leven zoals we bedoelen. Anderzijds is die weg op zich van betekenis voor dat menswaardig leven. Middel en doel hangen nauw , soms onontwarbaar samen .verpletteren.In de roman Tessa of the d'Urbervilles van Thomas Hardy wordt deze werking van de moraal prachtig ge‹llustreerd. Tessa, een meisje van eenvoudige komaf, wordt verkracht door haar werkgever en brengt een kind ter wereld. Het kind wordt ondergebracht bij haar ouders en Tessa vertrekt naar een ander deel van de streek om geld te verdienen. Daar komt zij in contact met een man, die langzamerhand een diepe liefde voor Tessa opvat, die zij wel zou willen beantwoorden.

Zij meent op grond van haar verleden een dergelijke nieuwe relatie niet aan te kunnen gaan. Als na vele andere gebeurtenissen het kind gestorven is, en zij opnieuw staat voor de keuze met deze man te trouwen, geeft zij haar verzet op. Het huwelijk wordt gesloten, en in hun nieuwe vertrouwelijkheid openbaren de jonggehuwden elkaar veel van hun achtergronden. Tenslotte vertelt ook Tessa hetgeen haar overkomen is. 0p dat moment voltrekt zij het vonnis over hun relatie: haar bruidegom vervalt van het ene moment op het andere in een totaal nieuwe houding: hij kan haar niet meer liefhebben, `zij is de zijne niet', en kan dat ook niet worden. Op haar huwelijksnacht slaapt Tessa alleen, het huwelijk zal van nu af aan niet meer dan een schijnvertoning zijn.

Hoewel het verhaal hiermee niet af is, is al voldoende duidelijk geworden hoe zeer hier de moraal om wille van zichzelf geldt. De morele regel wordt gerespecteerd, tegen beter weten in, en zonder dat iets of iemand dan die regel zelf er mee gediend is, en zelfs zonder dat ook maar enigszins met `de feiten' wordt gerekend!In de roman van Hardy zal de hoofdpersoon Tessa uiteindelijk inderdaad bezwijken onder de moraal.

In dit verhaal is het vooral het onredelijke en zinloze dat de lezer verbijstert. Morele inrichten worden niet getoetst, zij gelden eenvoudig, los van de omstandigheden.Het is niet moeilijk om in de twintigste eeuw voorbeelden te vinden van een dergelijk functioneren van de moraal.

Als `goed te leven' alleen nog maar is het leven volgens je plicht, volgens de regel , lopen we vast met onze moraal . Juist ook het aspect van het `goed te leven' in de zin van menselijk menswaardig leven hoort erbij .

In het algemeen kunnen we zeggen dat degenen die moraal voor een doel op zich houden, vooral oog hebben voor `s mensen plichten. Doen wat je plicht is, namelijk je goed aan de regels houden, is vond hen het meest belangrijk. Extreem doorgetrokken levert dit de houding op van de `Prinzipienreiter' , die `rücksichtslos' zijn principes doorzet.

Degenen die moraal meer zien als middel tot een doel , hechten veel meer aan het resultaat van hun handelen: leiden hun handelingen wel tot een menswaardig bestaan?

Voor de eerste groep bestaat juist het menswaardige van ons bestaan in de mogelijkheid om zich aan regels te houden en zo zijn plicht te vervullen. In het algemeen is deze groep minder bekommeren om de nevenwerkingen van hun regels. Het kan echter wel zo zijn dat zij het als hun plicht beschouwen om bij voorbeeld `hun naaste lief te hebben', zodat in de praktijk van hun handelen wel degelijk ook de mensenwaardigheid, de kwaliteit van het leven een rol speelt.
In de ethiek (opgevat als wetenschap van of systematische bezinning op de moraal) wordt in dit verband gesproken van een deontologisrhe denkwijze, waarin de plicht ( = deon) centraal staat en een teleologische, waarin een resultaat ( = telos) centraal staat .
In hun zuivere vorm treffen we deze beide denkwijzen zelden aan, meestal is sprake van een mengvorm. Niettemin kan het zeer verhelderend zijn om deze twee houdingen te onderscheiden.
Beide denkwijzen zeggen overigens op zich nog niets met betrekking tot de inhoud van de morele normen. Zowel de verschillende plichten, als het beoogde resultaat, waartoe moraal een middel zou zijn, dienen nader ingevuld te worden.

 

4. Absolutisme en relativisme


Het onderscheiden van een plicht-ethiek en een resultaat-ethiek is ‚‚n manier van systematiek aanbrengen in morele overtuigingen en denkwijzen. Uiteraard gaat het hier om grove onderscheidingen, die wel iets verhelderen, maar lang niet alles. We zien dan ook dat allerlei andere pogingen ondernomen zijn om moralen te typeren en op essenti‰le punten van elkaar te onderscheiden. Zo zet een geliefde manier van onderscheiden absolutistische en relativistische moraal tegenover elkaar. Absolutistisch is die moraal, die pretendeert eeuwig, onveranderlijk en voor allen geldend te zijn. Losgemaakt van de concrete menselijke situatie zouden morele normen en waarden algemene geldigheid hebben. Meestal zijn in dit denken de regels, waarden, en normen belangrijker dan iets anders_zij gelden om zichzelf . Men kan bij het absolutistisch denken over moraal tenminste een onderscheid maken tussen twee vormen. Er zijn mensen die op basis van een wereld- of levensbeschouwelijke, of godsdienstige overtuiging in volle zekerheid geloven in zulke algemeen geldende waarden. Zij zien in het gehele bestaan een ordening, die alles doortrekt, en die alle mensen in gelijke mate bindt . De nadruk ligt hier op het gemeenschappelijke van alle mensen, niet op wat hen scheidt.
Op grootse wijze heeft een dergelijke visie gestalte gekregen in de ethiek van de Stoa. Het absolutistisch aspect van deze moraal houdt hier verband met een overzichtelijke ordening van het totale bestaan, waarin alles zijn plaats heeft, ook de mens. De rede stelt de mens in staat die plaats te vinden. De rede is hier dus allerminst uitgeschakeld, maar is een gids, `tot het goede'. De rede wijst de mens de weg.
Een niet minder grootse poging om in de ordening (schepping) van de werkelijkheid een moraal te funderen is ondernomen door Thomas van Aquino, de grondlegger van de rooms-katholieke moraaltheologie. Ook bij Thomas speelt die rede een grote rol. De rede verschaft inzicht in de wetten van de natuur (dat is Gods schepping) en wijst evenals in de Stoa de mens zijn weg. De rede heeft in beide systemen een tamelijk grote vrijheid. Dat is niet het geval in een andere vorm van absolutistisch denken. We spreken dan over het denken, dat uitmunt door een kritiekloos handhaven van eens ontstane morele regels, uit luiheid, uit domheid, of uit eigenbelang. Hierbij is allerminst sprake van een goed doordacht wereldbeeld, waarin ook de menselijke rede een plaats heeft - maar is eerder de na‹eve opvatting aan de orde, dat er een voor allen geldend goed en kwaad is, dat niet nader behoeft toegelicht te worden. Op dit denken kom ik in hoofdstuk VI11 uitvoerig terug.
Het absolutistisch denken kan leiden tot verstarring. Als reactie daarop moet men de nadruk zien die een groep denkers legt op een meer relativistische moraal. Deze vorm van moraal biedt ook problemen . Wat is precies een relativistische moraal ? In het algemeen valt te denken aan een moraal die zich geheel laat relateren aan een bepaalde tijd, plaats of situatie. Daarbij zijn allerlei varianten denkbaar: ofwel de moraal staat onder invloed van de `situatie' (een visie waarmee ik gemakkelijk kan instemmen), ofwel de moraal `wordt geboren in de situatie', en laat zich geheel herleiden tot de situatie. Dat laatste is al veel moeilijker - hoe moeten we ons dat voorstellen?
Dat mensen per keer vaststellen wat goed is, welke een aanbevelenswaardige handeling is en welke niet? Dat zou een totale ontkenning van moraal inhouden. Bij moraal denken we immers aan een pakket normen en waarden die een zekere samenhang vertonen en ook min of meer herkenbaar zijn. Dat is onmogelijk wanneer die normen per situatie uitgevonden moeten worden.
Bovendien vereist dit wel bijzonder veel van het improvisatie-vermogen van mensen!
In een in deze zin opgevatte moraal valt er geen pijl meer op het menselijk gedrag te trekken. Het blijft steeds een raadsel hoe iemand nu weer zal reageren. Een zo opgevatte `situatie-ethiek is in feite een ontkenning van alle moraal en kan nauwelijks serieus bedoeld zijn.Beide typeringen van moraal geven dus nogal wat moeilijkheden. Wellicht is dat een reden om aan deze onderscheidingen niet al te zeer te hechten, en ze in ieder geval niet te verabsoluteren!
Overigens zal het meer relatieve denken met betrekking tot de moraal in hoofdstuk VI bij het existentialisme nog aan de orde komen .  

lll. Moraal : een middel tot een doel


1. Eigenbelang en menswaardig leven


Doen we het goede om het goede of omdat we er `beter' van worden? In het eerste hoofdstuk heb ik de suggestie gedaan, dat moraal inderdaad zou samenhangen met eigenbelang en een middel zou zijn om een doel te bereiken. Ik maakte daarbij de aantekening dat dit eigenbelang niet te beperkt opgevat moet worden, maar zeer wel kan samenhangen met dat wat wij ten diepste met ons mens-zijn bedoelen.

In het tweede hoofdstuk leidde een bespreking van de veranderingen van de moraal eveneens tot de vaststelling, dat moraal gezien kan worden als een middel om iets te bereiken, dat we kortweg kunnen samenvatten als `een menswaardig bestaan' . Eigenbelang en een menswaardig bestaan als doel van de moraal, hoe is dat met elkaar te rijmen?

Mijns inziens hebben deze beide doeleinden alles met elkaar te maken, mits we bij `eigenbelang' niet onmiddellijk denken aan eg¢isme. Eigenbelang is allerminst een synoniem van eg¢isme. Wij zullen in dit hoofdstuk een aantal verschillende invullingen en niveaus van het eigenbelang nagaan.

Het doel daarvan is om te zien in hoeverre vol te houden is dat in de moraal het eigenbelang zo'n belangrijke rol speelt, en om te zien of en hoe het eigenbelang samenhangt met de menswaardigheid van het bestaan. Wij zullen daarbij tenminste drie niveaus onderscheiden.
Op het eerste niveau is het eigenbelang inderdaad niet meer dan een puur ego‹stische aangelegenheid. Het eigenbelang geldt het `ik' en het `ik' alleen. Een tweede niveau waarop het eigenbelang een rol speelt in de moraal is minder op het `ik' gericht. Hier wordt het eigenbelang in een diepere betekenis opgevat, namelijk als dat waar het in mijn leven en mens-zijn om gaat. Het eigenbelang wordt dus ingevuld als de menselijkheid en menswaardigheid van het (persoonlijk) bestaan.
Een overgang naar het derde niveau wordt hierin zichtbaar: men kan zijn eigen mens-zijn leeg en onwaardig vinden, als niet ook de ander in dat mens-zijn wordt meebetrokken.
Op het derde niveau wordt het eigenbelang overstegen, en gaar het belang van de ander een rol spelen - zozeer zelfs dat een mens zichzelf kan opofferen om het belang van alle mensen.
Men zegt wel dat moraal niet alleen met het eigenbelang in de genoemde varianten samenhangt, maar principieel ten doel heeft het overleven te bevorderen.

Zo wordt de morele regel `Gij zult niet doden' ge‹nterpreteerd als een vorm van een sociaal contract. Indien we als groep willen samenleven, moeten afspraken gemaakt worden om die samenleving mogelijk te maken. Ook in dit geval berust moraal op een `welbegrepen' eigenbelang: de groep kan zich niet handhaven als er niet zekere regels zijn die een min of meer ongestoord voortleven van de leden van de groep garanderen. Om dezelfde reden kan een groep overgaan tot het opstellen van regels die juist wel het einde van het bestaan van sommige individuen beogen. Te denken valt aan het te vondeling leggen van zwakke pasgeborenen of de in sommige culturen ooit gebruikelijke behandeling van bejaarden.
Zo zouden Eskimo's de gewoonte gehad hebben om bejaarden die te oud en te zwak waren om zelfstandig voort te leven, de poolnacht in te sturen om daar hen de bevriezingsdood te laten sterven. Ook in de vroeg-romeinse tijd schijnt van een overeenkomstige traditie sprake te zijn geweest: zestigjarigen zouden zich vanaf een brug de Tiber storten, om zo zichzelf, maar vooral de samenleving niet langer tot last te zijn (het zogenaamde sexagenarii de ponte). Of inderdaad een dergelijke gewoonte algemeen verbreid is geweest laten we in het midden. Duidelijk is in elk geval dat we in deze te maken hebben met een belang, namelijk dat van de groep om zo sterk mogelijk te blijven. Gezien vanuit de groep is hier zonder twijfel sprake van een welbegrepen eigenbelang. Hoe het staat met het individu dat met zijn leven dat belang moet dienen is natuurlijk de vraag! Bij overvloed en welvaart lijken zulke `regels' in ieder geval inhumaan en overbodig, maar het is voorstelbaar dat in tijden van schaarste voorrang wordt gegeven aan de overleving van de sterkeren.
Wellicht is het juist dat moraal in allereerste instantie inderdaad het primaire overleven beoogt.
Pas als dat overleven is gewaarborgd lijken de nu volgende niveaus van `eigenbelang' relevant te worden.

 

2. Eigenbelang als egoïsme


Het valt niet te ontkennen dat er mensen zijn met een moraal die zonder meer `egoïstisch' genoemd kan worden. Hoevelen geven niet voor moraal uit wat hen eenvoudig goed te pas komt en waar ze een direct eigenbelang bij hebben? Denkers als Marx en Nietzsche hebben ieder op hun eigen wijze onweerlegbaar aangetoond dat veel van wat wij voor goed, rechtvaardig en legitiem houden in feite onze comfortabele positie in de samenleving ofwel bewerkt, ofwel bevestigt. Zonder twijfel hebben zowel Nietzsche als Marx in dit opzicht de moraal ontmaskerd. Zeer illustratief hierbij lijkt de kritiek van Marx op de idealen van de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Marx zegt hiervan dat voor een gevestigde bourgeoisie deze waarden inderdaad van grote betekenis zijn in hun specifieke situatie. Echter niet voor de zogenaamde vierde stand, het proletariaat, dat met zulke idealen niets kan doen: noch de vrijheid noch de gelijkheid hebben betekenis zolang niet ook de arbeidende klasse een basis om te leven heeft.
Maar ook dichter bij huis zijn er talloze voorbeelden van moraal die een dekmantel lijkt van egoisme en het pure eigenbelang. Ik denk aan de houding van de VVD bij de discussie en stemming in de Eerste Kamer over het initiatief abortus-ontwerp, waarbij het toekomstig belang om te kunnen regeren werd vertaald in een (zogenaamd) moreel bezwaar tegen het ontwerp van wet! Overigens kunnen ook van andere grote politieke partijen soortgelijke handelingen zonder veel moeite genoemd worden. We kunnen mijns inziens volhouden dat het in een aantal gevallen mogelijk is om dat wat voor moraal wordt uitgegeven, te ontmaskeren als het pure eigenbelang.
Vooral in deze nauwe relatie tussen moraal en eigenbelang wordt duidelijk hoezeer moraal een middel is tot een doel. Het doel is daarbij te omschrijven als de vermeerdering van welstand, macht of geluk. Als moreel goed geldt dat wat dit eigenbelang bevordert.  

3. Het welbegrepen eigenbelang


Het eigenbelang kan echter ook een veel diepere betekenis hebben. In `De mens in opstand' van Albert Camus zien we een manier van spreken over de moraal, waarin dit eigenbelang in de diepere betekenis beoogd wordt. Het eigenbelang heeft hier te maken met het bevestigen van de menswaardigheid van het bestaan. Camus voert op een gegeven moment de slaaf ten tonele, die in opstand komt tegen zijn lot. Door in opstand te komen, door neen te zeggen, bevestigt de slaaf (dat is: de mens) zijn eigen bestaan. Op het moment dat hij roept `Dit gaat mij te ver', geeft hij aan waar de grenzen van zijn mens-zijn liggen. In zijn protest zijn moraal en menswaardig bestaan niet uit elkaar te halen. Het in opstand komen is zowel een morele daad, als de bevestiging van een manier van mens-zijn.
Het kan zijn dat in een moraal niet direct zichtbaar is dat het mens-zijn zelf op het spel staat. Dat is onder meer het geval bij moraliseren, waarin de deugd of meerdere deugden centraal staan. Zo gelden in een aantal Griekse filosofieën bezonnenheid, gematigdheid en onverstoorbaarheid als een groot goed. Bij Aristoteles vinden we een pleidooi voor het houden van het midden: tussen lafheid en vermetelheid in situeert hij de deugd `dapperheid ` .
Een deugden-moraal als deze komt men veel vaker tegen. Een ander voorbeeld biedt de Stoa, de school der sto‹cijnen, waar als hoogste deugden de ataraxia (onverstoorbaarheid) en de apathie (de passieloosheid) nagestreefd werden. Het is wel verdedigd dat deze deugden gezien moeten worden als een doel op zich. Het moreel goede ligt in dat geval in het onderhouden van de deugden. Ik zou er meer voor voelen om te vragen of achter die deugden niet een doel ligt.
Waarom zouden mensen zich wat aan deugden gelegen laten liggen als niet daarmee uiteindelijk bereikt kon worden, dat het leven leefbaarder wordt De deugden gelden in dat geval niet om zichzelf, maar om de mens, en zijn een manier van spreken over het mens-zijn. Dan is het niet te ontkennen dat ook in een moraal van deugden inderdaad het eigenbelang een rol speelt.
Of we hier spreken van eg¢isme is een kwestie van definitie. In ieder geval is zowel de klassieke deugdenleer, als het verzet van `de mens in opstand' nobeler en edeler dan het najagen van het directe platte eigenbelang. het goede doen, goed te leven, overschrijdt echter nauwelijks de grenzen van het individuele bestaan.
De christelijke moraal heeft aan de klassiek deugden onder meer de naastenliefde toegevoegd. De naastenliefde als deugd geeft aan, dat het medemens-zijn essentieel tot ons mens-zijn behoort.
Geformuleerd in termen van eigenbelang: het is het diepste belang van de mens dat hij mede-mens, is . De medemenselijkheid is een intrinsiek bestanddeel van de menselijkheid. Zodra de liefde tot de medemens een plaats krijgt in de moraal, komt echter ook een overschrijding van de grenzen van het eigenbelang in het zicht. We hebben daarmee een ander niveau van moraal bereikt.  

4. Moraal en het belang van allen


Wie verder ziet dan zijn eigenbelang en oog heeft voor de naaste, de medemens, wordt in onze westerse samenleving niet zelden als een `moreel beter' mens beschouwd. Daarmee wordt aangegeven dat we de moraal van zo iemand hoger aanslaan dan van degene die `slecht,' zichzelf en zijn belang najaagt . Men brengt dit oog krijgen voor de mede-mens wel in verband met een volwassenwording van de mens. Zowel in ieder individu als in de mensheid als geheel zou een ontwikkeling te zien zijn van op zich-zelf-betrokkenheid naar medemenselijkheid. Deze evolutie van het alleen maar bezig zijn met het eigenbelang naar een betrokkenheid op het belang van anderen zou zowel door de psychologie als door de ethiek kunnen worden aangetoond. Met achterlating (voor dit moment) van een beschouwing over de waarschijnlijkheid van deze ontwikkeling kunnen we in ieder geval vaststellen, dat het een aantrekkelijk en hoopvol gegeven is, als de moraal ,zich van het niveau van het pure eigenbelang naar een niveau van het belang van allen zou ontwikkelen. We kunnen ook vaststellen, dat het inderdaad voor de meeste mensen in onze samenleving bijna evident is, dat de altru‹st een beter mens is dan de egoïst.
Opvallend is, dat naarmate de abstractie van het eigenbelang verder gaat, ons respect toeneemt.
Iemand die opkomt voor zichzelf, zoals de slaaf van Camus, oogst ons respect, maar minder dan diegene die zich opoffert of wegcijfert voor het belang van een medemens en naaste
Nog dieper respect roept de mens op die zonder het belang van ‚‚n mens of een specifieke groep mensen in het bijzonder voor ogen te hebben, zich opwerpt als verdediger van de mens in het algemeen. Meestal hebben we voor zo'n daad een andere term: we spreken van een mens die opkomt voor idealen zoals rechtvaardigheid of menswaardigheid Het gaat hier in feite echter niet om dat ideaal op zich, maar om `de mens in het algemeen', die gered moet worden van onrecht en demonie.
Het verzet van de Duitse Hans en Sophie SchoII tegen het bewind van Hitler is é1n van de talrijke voorbeelden van zo'n verregaande bewogenheid om de mens in het algemeen. Met veronachtzaming van hun eigenbelang kwamen deze studenten op voor de menswaardigheid van het bestaan.
Zo kunnen we concluderen dat zelfs de meest hero‹sche daden van mensen niet het goede om het goede zelf nastreven, maar een doel hebben. Naarmate het doel zich verder afbeweegt van het directe eigenbelang, en zelfs met voorbijgaan aan het eigenbelang het belang van allen beoogt, neemt onze bewondering terecht toe .  

5. Het vermeende belang


We hebben gezien dat moraal op velerlei niveaus kan samenhangen met een belang: met eigenbelang in de zin van ego‹sme met een `dieper' eigenbelang, en met het belang `van de mens in het algemeen' .
Zijn nu alle morele uitingen van mensen onder ‚‚n van deze noemers te vatten?
Hoe zit het bij voorbeeld met opmerkingen als: `zoiets hoort niet', `zoiets doe je niet', `dat past niet'? het treft mij altijd weer hoe vooral met het oog op de moraal van relatievormen en seksualiteit het `dat hoort niet veelvuldig klinkt. Van een moord of verkrachting zal men niet snel zeggen dat zoiets `niet hoort'. Daarvoor zijn er krachtiger termen. Maar juist menselijke gedragingen op het gebied van seksualiteit lijken met een `behoren' en een `passend in verband gebracht te worden.
De grootste morele opwinding ontstaat eerder over afwijkend gedrag in dit opzicht dan over allerlei andere ellendige zaken. Zo heeft men er wel op gewezen hoeveel deining er in Nederland ontstaat als zich op de televisie een blote man of vrouw vertoont; de talrijke gruwelijke misdaden, mishandelingen en moorden die normaal geworden zijn in de vele politiefilms laat men passeren.
Over een valse belastingaangifte zijn we meestal niet bereid ons op te winden, daarentegen is voor-, buiten- of helemaal niet echtelijk (homofiel) geslachtsverkeer voor velen een vreselijke zaak.
Welke belangen staan hier nu op het spel - of gaat het hier helemaal niet om belangen? Wat zit er precies achter het `dat hoort niet' , als het ons seksueel gedrag betreft?
Ik meen dat er drie mogelijkheden zijn:
Het kan zijn dat men het niet in het belang van een mens acht, als hij zich niet houdt aan een aantal regels met betrekking tot de seksualiteit. Hier kan sprake zijn van een reële bezorgdheid voor de ander, die zichzelf zou schaden door bij voorbeeld promiscue gedrag.
Een volgende mogelijkheid is, dat men opkomt voor een medemens, die in zijn belang geschaad zou zijn door het verwerpelijk gedrag van degene, die wij verwijten maken: de gedachte is dan dat een bepaald seksueel gedrag (overspel, homofilie) altijd een slachtoffer maakt - men meent voor dit slachtoffer te moeten opkomen.
Tenslotte is er de mogelijkheid dat men bezwaren maakt tegen een seksuele moraal omdat men nu eenmaal hecht aan bepaalde regels: zo'n regel kan bij voorbeeld zijn, dat alleen binnen een zeer hechte relatie van een man en een vrouw een co‹tus dient plaats te hebben, of: je kunt alleen maar van ‚‚n ander houden, dus is het ontoelaatbaar om er meerdere liefdespartners op na te houden.
Zoals geldt voor alle regels kunnen we ten aanzien van deze laatste mogelijkheid zeggen, dat regels op zich niets zijn, en dat ieder die zich beroept op bepaalde regels altijd zal dienen door te denken en ,zich af te vragen, waarom hij zo hecht aan een regel en of het reëel is die regel te handhaven.
Anders gezegd - regels die niet getoetst worden aan het belang van mensen zijn waardeloos en dienen in morele discussies achterwege te blijven.
Dan zijn we weer terecht bij de eerste twee mogelijkheden: iets is onbehoorlijk, omdat de `moral agent' zichzelf of een ander schade toebrengt. Hier zit echter een groot probleem aan vast:
kunnen we het belang van anderen wel beoordelen? Hoe gemakkelijk mogen we ervan uitgaan dat een medemens zichzelf of een ander benadeelt?
Ik vermoed dat naarmate de priv‚-sfeer dichter genaderd wordt, dit moeilijker te beoordelen is.
De conclusie kan gerechtvaardigd zijn, dat een uitspraak over het belang van een ander mens wel eens zou kunnen neerkomen op een uitspraak over dat wat en zelf voor zijn belang houdt. iemand die het ondenkbaar vindt dat hij een homofiele relatie zou aangaan, zal wellicht de neiging hebben om homofiel gedrag in het algemeen af te keuren. En wie zich niet kan voorstellen dat hij of zij een meervoud¡ge relatie zou aangaan, zal razend worden over degenen die dat wel lukt. De vraag is natuurlijk of we voetstoots moeten aannemen dat alle mensen in dit opzicht gelijk zijn.
Overigens raken we hier een ander precair probleem. Als we ervan uitgaan dat mensen niet altijd elkaars belang goed kunnen taxeren, omdat mensen niet gelijk zijn, moet eveneens gezegd dat het omgekeerde ook gevaren heeft. iemand anders a priori een ander belang toekennen dan je zelf is dubieus: men komt dan snel in een dubbele moraal terecht. Het meest bekende voorbeeld daarvan is de klassieke opvatting, dat een man voor het huwelijk seksuele ervaring dient op te doen, de vrouw daarentegen slechts als maagd het huwelijksbed mag betreden. Deze wel heel doorzichtige hypocrisie komen we gelukkig nauwelijks meer tegen. Andere lijken er echter voor in de plaats gekomen, nog steeds de man-vrouw verhouding betreffend, maar ook andere terreinen van het leven (de inkomenspolitiek!). Het inzicht dat mensen verschillende belangen kunnen hebben kan zeer verhelderend werken, maar ook een oplossing van een probleem blokkeren. Werkloosheid wordt in het algemeen ervaren als een ellendige zaak. Toch zullen er onder de werklozen zeker ook zijn, die op zeer gelukkige wijze zonder werk kunnen leven. Wat is dan `het belang' van werklozen?
Heus niet altijd teruggaan naar een stinkende fabriekshal of een te snel lopende montage-band! Ook hier geldt weer dat men het belang van anderen zeer genuanceerd dient te bezien. Het beste is uiteraard om de ander over wie men het heeft zelf aan het woord te laten en de kans te geven zich over zijn belang uit te spreken. De conclusie kan zijn dat hoezeer ook het opkomen voor de belangen van anderen een goede zaak kan zijn, een zekere terughoudendheid en voorzichtigheid bij de taxatie van dat belang noodzakelijk zijn. Dit om aan de ene kant hypocrisie (jezelf een ander belang toekennen dan een ander) en anderzijds te grote vlakheid (alle mensen hebben dezelfde belangen) te vermijden.  

6. Moraal als dekmantel.


Een apart soort eigenbelang wordt gediend in het geval dat een moreel argument gebruikt wordt om een ander soort argument te verhullen. Zo kan moraal als dekmantel van emoties functioneren: onder het voorwendsel dat men tegen een bepaalde handelwijze morele bezwaren heeft, probeert men een ander van die handeling af te houden.
Ook hier klinkt het `dat hoort niet' en `dat past niet' , uitdrukkingen die meestal een oppervlakkige overtuiging demonstreren. In morele discussies is het `dat hoort niet' en `dat past niet' vaak een dooddoener, of een poging om heel iets anders te maskeren. Voorbeelden zijn gemakkelijk te vinden: men neme de reactie van een echtgenoot die niet wil dat zijn vrouw een functie buitenshuis aanvaardt, en die zich beroept op het onbetamelijke karakter van een dergelijke handelwijze. `Zoiets doe je niet want dat hoort niet'. Dat klinkt ijzersterk, maar is het niet. Dat blijkt al meteen bij de tegenvraag: waarom het dan niet hoort. Heel vaak is dat trouwens de beste manier om op een dergelijke algemene uitspraak te reageren_door te vragen, wat dan wel de inhoud van het `niet behoren' is.
Of er ontstaat dan een werkelijk morele discussie, waarbij de uitgangspunten die achter het niet behoren staan ter sprake komen en getoetst worden. of - en dat is wellicht vaker het geval - het blijkt dat niet moraal, maar bepaalde emoties tot het `dat hoort niet' geleid hebben.
Emoties gelden in het algemeen echter niet als voldoende argument voor of tegen een handelwijze, zodat men zijn toevlucht neemt tot de moraal. De vooronderstelling is dan uiteraard, dat over moraal niet verder gesproken behoeft te worden! Wie echter over moraal spreekt op de wijze waarop dat in deze hoofdstukken gebeurt, zal begrijpen dat het morele argument allerminst een finaal argument behoeft te zijn en zeker ook niet geschikt is om een discussie af te sluiten. In tegendeel, men zou kunnen zeggen dat een moreel standpunt uiteindelijk meer voor een rationele doorlichting vatbaar is dan een emotie. In het voorbeeld: de man voelt zich in zijn eer aangetast door het buitenshuis werken van zijn vrouw. Hij kan het niet hebben, maar dat is natuurlijk niet zo gemakkelijk als steekhoudend argument naar voren te brengen. Hij zoekt dus een ander, een moreel argument. Zonder ons te verdiepen in de waarde van emoties (en uiteraard hebben emoties hun waarde en betekenis) geldt dat een dergelijk gebruik van een moreel argument oneigenlijk is . Ze dient immers niet als inzet tot een morele discussie, maar als dwangmiddel. Zo kan moraal een middel tot manipulatie worden.