Maçonnieke encyclopedie-E.

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !







Xll Cultuur
AANTEKENINGEN
HOOFDSTUK I
HOOFDSTUK 11
HOOFDSTUK III
HOOFDSTUK IV
HOOFDSTUK V
HOOFDSTUK VI
HOOFDSTUK VII
HOOFDSTUK VIII
HOOFDSTUK IX
HOOFDSTUK X
HOOFDSTUK XI





Xll Cultuur


In de voorafgaande hoofdstukken is een paar maal geduid op het begrip cultuur, zonder daar een passende definitie bij te gegeven . Ik wil hier een poging doen het begrip cultuur nader te definiëren, zonder echter de pretentie te hebben dat dit een complete definitie zal zijn. Teneinde het dilemma te vermijden van een gedetailleerde omschrijving van wat cultuur is, wat een nauwkeurige maar onwerkzame definitie oplevert, moet een andere invalshoek gekozen worden. De meest passende benadering is het begrip cultuur niet op zichzelf te bezien, niet te isoleren, maar om te proberen het te laten zien zoals het functioneert, als het patroon van de samenleving.
Cultuur een onderdeel van het patroon van de samenleving, met wortels in de geschiedenis van die samenleving en bečnvloed door o.m. de geografische en klimatologische omstandigheden.

Laten we eens bij het begin van de mens beginnen.
Een kind wordt geboren en heeft dan, in potentie, een aantal eigenschappen zoals een zekere aanleg voor motoriek, een aanleg voor een goed gehoor, potentiČle fysieke eigenschappen, etc.
Verder zijn aanwezig bepaalde potentiČle karakter eigenschappen als zekerheid, eerlijkheid, doorzettingsvermogen, zorgvuldigheid etc.
Allemaal eigenschappen die al bij de geboorte aanwezig zijn. Ze zijn ingebouwd en berusten op de fysieke kwaliteiten van delen in de structuur van het lichaam, de mate waarin bepaalde klieren en organen functioneren b.v. in de hersenen en hoe bepaalde delen van die hersenen zelf zijn opgebouwd. In grote lijnen zijn mensen gelijk, maar in kleine details verschillen we en die details bepalen een kleurschakering.
Dit is het uitgangs punt. Dit is te benoemen als A
Hierop volgt de
B De omgeving waar het kind geboren wordt.
De subcultuur van de ouders ( die voor een deel weer een vorming hebben gehad door de subcultuur van hun ouders)
C : De Gezinszamenstelling waarin de baby arriveert Is het kind de oudste, de jongste of ergens daartussen
We hebben nu al de formule A*B*C = het produkt ABC
Op de zelfde wijze kunnen andere factoren worden in gevoegd als de school, de omgeving, arm of rijk gezin etc. De totale formule zal dan iets worden van A*B*C*D*E*F*G*H*X.
Maar daarmede is niet alles gezegd. Er is geen differentiatie in gebracht van de mate waarin iets is. Een kind wat op groeit als dakloos straat kind en een kind wat opgroeit in een arme maar liefde volle omgeving zijn beide arm. Daarom moet er een machtsfactor aan toegevoegd worden en de eind formule zal dan eruit zien als volgt ; AxBxCxDxExFxGxXx.
Hieruit volgt dat een mens uniek moet zijn en dat de kans om 2 gelijke mensen te ontmoeten nihil is. Een andere vergelijking is het maken van een gecompliceerd gerecht. Indien de ingrediČnten niet allemaal altijd exact gelijk zijn maar min of meer van een toeval afhangen, komt per keer een gerecht op tafel wat steeds weer in nuances anders zal zijn.
Dit produkt zal dan op een gegeven moment geconfronteerd worden met de buiten wereld waar een aantal machten aanwezig zijn die zijn leven verder zullen bečnvloeden. Naast de reeds genoemde geografische en klimatologische omstandigheden zijn daar b.v.: uitgeoefende rijkdom, militaire blokken, burgers, ambtenaren, de clerus, wetenschappers, bezitters van informatie . Kortom, mensen met macht die deze macht gebruiken om iets van de bevolking af te dwingen Dit kan zijn d.m.v. fysieke overreding of d.m.v. psychische overreding.
Deze machten zijn niet alleen verantwoordelijk voor de druk naar cultuur veranderingen. In de meeste gevallen kunnen wij constateren dat een macht dominant is, maar dat hij gesteund moet worden door een of meer andere machten. Verder valt uit de geschiedenis te constateren dat binnen de dominante groep het meestal een
(1) mens of een zeer kleine groep mensen is die hierbinnen de dienst uitmaken.
De volgende factor binnen dit cultuurvormend patroon is de basis van de voedsel voorziening d.i. dat waar de activiteiten van de meeste mensen binnen een gebied op gericht zijn teneinde hun voedsel c.q. een ruilmiddel voor het verkrijgen van voedsel, te verwerven, zoals b.v. de jacht, landbouw, veeteelt, en industrie.
Onderworpen aan deze structuur ontwikkelt de mens een overleving strategie. Mensen moeten leven met deze structuur en zullen daar het best van willen maken om te overleven, voor de gezinnen te onderhouden etc. De menselijke psyche is er opgericht problemen te vermijden. De mens zal zich daarom aanpassen en er het beste van proberen te maken, echter met behoud van zoveel mogelijk van het eigene, het vertrouwde, het veilige bekende. Dit kan een wijze van potten bakken , een wijze van samenleven, een manier van bouwen of alles te samen zijn. De mate waarin dit mogelijk is hangt af van de bovenliggende structuur.
In een cultuur kunnen we nu een paar groepen onderscheiden;
1. Mensen die te arm zijn om zich over iets anders te bekommeren dan het naakte leven.
2. Mensen die in hun formule niet de structuur hebben om zich bezig te houden met ethische onderwerpen.
3. Mensen die de tijd hebben en de structuur hebben om zich met dergelijke zaken bezig te houden.
4. Mensen die zelf tot het machtsblok behoren en dat ook zo willen houden.
Vanuit deze structuur kunnen we zien hoe waarden zich gaan ontwikkelen. Dat wil zeggen, de onder drie genoemde groepen, plus de verandering in b.v. de aard van het werk maken dat de omgeving bečnvloed wordt. De waarden zijn er dan al, ze zijn er zelfs altijd al geweest, maar de plaats van deze waarden wordt nader bepaald. Er zijn waarden waar je maar beter niet te veel de nadruk op kunt gaan leggen en andere waarden die in een bepaalde tijd weer extra belangrijk worden. Bij de waarden behoren de normen. De norm is a.h.w. het punt op een waarde waarboven de waarde als positief wordt ervaren en waar beneden de waarde negatief wordt ervaren.
Een voorbeeld hiervan is de waarde gerechtigheid. We kunnen ons voorstellen dat, in een gegeven situatie, iets door de een als rechtvaardig wordt ervaren en door de ander als onrechtvaardig. E.e.a. zal er in veel gevallen van afhangen waar men zichzelf ziet, hoeveel afstand er bestaat tussen het machtsblok en de persoon (het produkt ) die betrokken is, en of de betrokkene zelf degene is die ondergaat of doet ondergaan. etc.
Dit complexe geheel van waarden en normen noemden we ethiek. Ethiek was dan dat, wat aan de handeling vooraf ging en de cultuur is het totaal van het produkt, de ethiek en de handelingen die daarvan zijn afgeleid.
Een deel van het probleem is nu dat omdat de mens het produkt is van zoveel factoren en de ethiek deels verborgen is in de vroegste indrukken die een mens opdoet in zijn leven, indrukken die zo verinnerlijkt worden, dat we ons niet meer voor kunnen stellen dat we ze ooit hebben moeten leren. Dat is gewoon zo, iets in mij zegt dat dit zo is b.v. het doden van een mens, stelen etc.
Een ander deel van de ethische waarden en normen leren wij op een latere leeftijd, zo na ons 6e levensjaar. Deze waarden en normen zijn duidelijk niet verinnerlijkt zoals die welke wij leren voor die tijd. Deze waarden en normen zijn ook de waarden en normen die het eerste worden "vergeten" en het meeste vervat zijn in vastgelegde regels die wij wetten noemen. Wetten zijn dan ook niets anders dan de in regels gevangen grootste gemene deler van normen.
Tevens kunnen we constateren dat de uitleg van wat waarden en normen zijn, van wat ethiek is, per cultuur anders is. Dit wisselende beeld van wat ethiek kan weer verklaard worden uit het wisselende mens beeld binnen culturen.
De Grieken kenden in hun cultuur het beeld van de "goede mens" Voor iedereen gold dat er een vaste omschrijving was van de ideale mens die het lukte om te voldoen aan de waarden en normen van die tijd. De weg naar die goede mens was strak omschreven met vaste waarden en normen. Niet vrije mensen , kleine luiden en mensen van buiten de stad konden dit doel- per definitie- nooit bereiken. De bovenliggende laag achtte zichzelf zo bijzonder dat zij zich niet konden voorstellen dat anderen ook een goed geestelijk leven konden leven. Ongeveer zo als in latere tijden mannen spraken over vrouwen, met name b.v. in het Groot Oosten. en in gereformeerde kringen.
Een heel belangrijke vormer en uitings vorm van cultuur is de spraak. Zonder spraak waren wij geen mensen maar gelijk aan dieren. Wij denken in de spraak, wij uiten ons in de spraak, slaan informatie op met spraak en geven dit door met spraak. Spreken is dus een sleutel voor de vorming van een cultuur.
Door alles heen loopt de macht van de clerus. In tijden dat deze onderdeel is van het dominante machtsblok zal zij ook die macht willen uitoefenen op de waarden en normen, zodat die niet op een natuurlijke wijze kunnen ontstaan als reactie op een uitgeoefende fysieke macht, maar opgelegd zullen gaan worden o.m. met behulp van geestelijke chantage. Indien de omstandigheden daarvoor rijp zijn, b.v. in een tijd van grote onzekerheden ( al of niet mede gecreëerd door die clerus) heeft de bevolking behoefte aan zekerheden. Onzekerheden geven een angst gevoel, het vaste beoordeling patroon is weg en een clerus kan dan daar op inspelen door het opleggen van ritten en waarden met normen, die zekerheden moeten geven. Verder speelt deze natuurlijk ook in op de grote angsten van de mens zoals doodsangst, angst voor honger, etc. De mate waarin de clerus die macht kan gebruiken hangt dus ,mede, af van de plaats die zij heeft in het machtsblok.
De structuur van een machtsblok heeft geen eeuwigheid waarden maar zal steeds aan verandering onderhevig zijn. Een beeld om dit te vergelijken zijn fractels. Als we een fractel laten uittekenen op de computer dan kunnen we het beeld steeds een beetje laten veranderen door de waarden van de wiskundige formule steeds iets te wijzigen . In grote lijnen blijft de tekening gelijk , tot een bepaald moment waarop de formule kennelijk te veel is gewijzigd.. Dan wordt het tijd voor een nieuwe variatie en kunnen we weer van voor af aan beginnen.
Deels zullen deze veranderingen komen door de invloed die een machtsblok zelf uitoefent op de cultuur. Een voorbeeld hiervan kunnen we zien in de geschiedenis van Rusland. Daar was, voor de revolutie, een machtsblok van hoge ambtenaren (edelen) die, gedwongen door de buurlanden, steeds meer fabrieken moesten toelaten om hun welvaart te consolideren.
Op deze wijze ontstond een toenemende verschuiving van de wijze waarop de bevolking zijn inkomen verdiende, steeds meer mensen gingen hun brood verdienen door de handel en de industrie. Bij dit patroon van handel en industrie behoorde een bevolking met meer ontwikkeling en een grotere vrijheid van denken, die echter, uit angst voor aantasting van de bestaande structuur van het machtsblok, steeds meer ingedamd en onderdrukt moest worden, net zo lang tot de druk zo groot was dat de ketel ontplofte, de bestaande macht structuur werd opzij gezet en er ontstond ruimte voor een nieuwe structuur.
Een zelfde beeld kunnen we vinden b.v. in de Franse geschiedenis met de Franse revolutie, waar na enige tijd, net als in Rusland, het militaire macht blok de macht heeft gehad (Napoleon).etc.
Dat het niet altijd zo hoeft te gaan kunnen we vinden in de Japanse cultuur. Daar hadden de edelen, mede gedreven door een grondig wantrouwen voor de westerse macht, al vrij snel de behoefte om zelf te gaan of te laten produceren en werden zo al snel zelf de nieuwe of vernieuwde macht, al kunnen we daar zien dat het daar weer op een andere manier uit de hand liep omdat zij weer de militairen in de arm namen om markten te veroveren en zo de tijger moesten gaan berijden.
Een structureel verschil is dan te constateren in de culturen van de beide landen. Waar Rusland, gedwongen door het westen, een militaire macht moest blijven, waarin het industriële alleen was om het land te dienen, de bevolking niet gestimuleerd werd om zelf eigen initiatieven te nemen en alles door de militairen c.q. hun plaatsvervangers, gecontroleerd moest worden, kwam in Japan de industriČle macht geleidelijk meer op de voorgrond en werd a.h.w. ingeruild tegen de edelen als machtsblok. Vanuit deze optiek is het verklaarbaar dat de nieuwe edelen ( de industriëlen) zo goed met de ambtenaren konden opschieten dat zij tezamen het nieuwe machtsblok werden, slecht in schijn gecontroleerd door de democratie, die hen tenslotte slechts opgelegd was door de Amerikanen, maar geen deel uitmaakten van de bestaande cultuur. De Ambtenaren immers waren al een machtsblok onder de vroegere edelen die zelf immers een soort ambtenaren waren en daar deel uitmaakten van het bestaande machtsblok.
De bevolking hier werd wel geschoold en kreeg een zekere vrijheid, maar binnen de cultuur bleef het beeld van de trouw aan de edelen (directeuren) die de beschikker waren over "leven en dood."

Zo gezien ontstaat er een cirkel van opeenvolgende gebeurtenissen van machtsblokken die invloed uitoefenen op de cultuur en culturen die weer machtsblokken doen ontstaan met daar tussen door de invloeden van buitenaf wat dan, zo gezien, opzichzelf ook weer een machtsblok kan zijn.
Een grote factor in dit mechanisme is de clerus. Deze kan veranderingen stimuleren en tegenhouden. Een voorbeeld hiervan is Europa in de middeleeuwen waar de kerk de macht was en de naburige culturen zo anders dat er weinig behoefte tot uitwisselingen ontstond, tot het reizen werd ontdekt door de kruistochten en de handel, waardoor mensen in direct contact kwamen met andere culturen. Ik denk dat, dat, op den duur, een van de factoren geweest is die heeft geleid tot een openbreken van de westerse cultuur van die tijd. Een ander voorbeeld is de cultuur van de schaapherders bij de Arabieren. Tot het westen geen belangstelling voor hen had was het voor de clerus vrij eenvoudig op de bevolking te isoleren en zo hun geestelijke en wereldlijke macht te behouden. De vraag is nu hoe deze macht zich verder zal gaan ontwikkelen of de clerus vrijwillig hun macht zal afstaan aan de industriële cultuur of dat het hier ook onderdrukt zal worden en het op den duur ook hier tot een uitbarsting zal moeten komen voor de ruimte gecreČerd zal worden voor en nieuw machtsblok etc.

Bob Bakker


AANTEKENINGEN


Ter wille van de leesbaarheid zijn aan de tekst geen noten toegevoegd Voor degenen die ge_nteresseerd zijn in de door mij gebruikte bronnen of die zich verder in een bepaald thema willen verdiepen volgt hier een aantal aantekeningen en opmerkingen.Leidraad voor dit boekje waren de studie boeken van Dr.Dupuis, mijn scriptie "Vrijmetselarij en ethiek" en teksten in het verleden door mij gemaakt terwille van diverse "lezingen " e.d.

HOOFDSTUK I


Voor een inleiding in de ethiek zie:
J.de Graaf, Elementair begrip van de ethiek, Haarlem 1972.
A.van Haersolte, Kleine wijsgerige ethiek, Deventer 1977.
Moeilijker maar zeer precies is W. K. Frankena, Ethics, Englewood Cliffs 1963.
Een meer inhoudelijke verkenning van de hedendaagse moraal geeft H: J, Heering, Ethiek der voorlopigheid, Nijkerk 1969.
Over de ontlastingsfunctie van de moraal: A. Gehlen, o.a. Der Mensch, Wiesbaden 1978

HOOFDSTUK 11


Over verandering van de moraal: H. I. Heering, aangehaald werk.aanbevelenswaardig is verder Nauta, Argumenten voor een kritische ethiek, Amsterdam 1975 'Verandering van de moraal, Uitgave Nederlands Gesprek Centrum, Baam 1972. De ethiek van de Stoa wordt (met andere ethische stelsels) besproken door R. Bakker, Lot en daad, geluk en rede in het griekse denken, Utrecht 1969. W. Banning, Typen van zedeleer, Haarlem 1972.

HOOFDSTUK III


Over de moraal schrijft Marx op diverse plaatsen, o.a. in K. Marx, Fruhschriften, Stuttgart (Kroner Verlag) 1964.
Zeer boeiend is ook F. Nietzsche, Jenseits von Gut und Bose en Zur Genealogie der Moraal, Stuttgart 1964
Van Camus is genoemd: A. Camus, L'homme revolte, ned. De mens in opstand, Amsterdam 1962.

HOOFDSTUK IVOvcr de natuurlijke zedewet: H. De Vos, Beknopte geschiedenis van het begrip natuur, Groningen 1970.
W. Luypen, Fenomenologie van het natuurrecht, Hilversum 1966.
De autonomie van de wil bespreekt Kant in I. Kant, Kritik der praktischen Vernunft, diverse uitgaven.

HOOFDSTUK V


Over deze vraagstelling: H. M. Kuitert, De wil vun God doen, in Ad interim, Opstellen over eschatologie, apocalyptiek en ethiek, Kampen 1975.
H. M. Terborgh-Dupuis, Medische ethiek in perspectief, Leiden 1976.
R. Young, Freedom, Responsibility and God, Londen 1975.

HOOFDSTUK VI


Een zeer oorspronkelijke visie op de Verlichting geven Th. Adorno, M. Horkheimer, Dialektik
der Aufklarung, Frankfurt am Main 1969 (oorspr. 1944).
Over de mondige mens: D. Bonhoeffer, Widerstnnd un:i Ergebung, Manchen 19652 (Ned. vert. Verzet en overguve, Baarn 1978)
Over de verantwoordelijkheid M. Weber, Politik uls Beruj, Berlijn 19685 (oorspr. 1919).
H. R. Niebuhr, The responsible Self, New York Londen 1963.
H. M. Terborgh-Dupuis, a. w.
Het citaat over de autonomie van de wil is uit I. Kant, u. w. Sartre is geciteerd uit J. P. Sartre, Het existentiulisme is een humanisme, Den Haag 1956.
Zie verder: K. Struycker Boudier, Vervreemding en bevrijding, Bilthoven 1972.
A. Peperzak, Vrijheid, Bilthoven 1972.

HOOFDSTUK VII


Over de lichaam-geest relatie: K. R. Popper, J. C. Eccles, The self und its bruin, Berlijn 197'7.
De marxistische mensvisie wordt besproken o.a. door E. Fromm, Murx' visie op de mens, Den Haag 1969.
E. Fromm, Marx, Freud en de vrijheid, Utrecht 1970.
De visie op de mens in het structuralisme komt vooral voor rekening van M. Foucault, De woorden en de dingen, Bilthoven 1973.
Over het structuralisme: R. Bakker, Het unonieme denken, Baarn 1973.

HOOFDSTUK VIII


In dit hoofdstuk wordt genoemd: E. Fromm, De angst voor vrijheid, Utrecht 1961 (oorspr. 1941).
Over de aard van (geloofs)overtuigingen: M. Rokeach, The open und closed mind, New York 1960.

HOOFDSTUK IX


Een goede introductie in het dialektische denken geeft R. Heiss, Hegel, Kierkegaard, Marx. De grote dialectische denkers van de negentiende eeuw, Utrecht 1969. Over de mens als maker van de geschiedenis K. R. Popper, The poverty of historicism, Londen 1976 (oorspr. 1957).

HOOFDSTUK X


Over het thema van de gelijkheid zie l. Rawls, A theory ofjustice, Cambridge, Massachusetts 1971 .
H. M. Vos, Gelijkheid onder voorbehoud, Bilthoven 1973.

HOOFDSTUK XI


De omkeerbaarheid en de universaliseerbaarheid van morele regels worden besproken door
R. M. Hare, Freedom and Reuson, Londen 1970.
Over de herrschaftsfreie Diskussion: J. Habermas, Legitimationsprobleme im Spatkupitalismus, Frankfurt am Main 1973.
Een zeer toegankelijke bespreking van deze problematiek is te vinden bij G. M. van Asperen, Het ongedwongen gesprek, rede Groningen 1976.

; ;