OVER DE WIJSBEGEERTE IN DE ISLAM


In de tijd dat Mohammed leefde waren de vele Arabische stammen onderling zeer verdeeld en het wemelde van ruzies tussen de stammen, van gevechten op leven en dood en van de bloedwraak, een plicht die van geslacht op geslacht overging. De Arabieren moet men zien als een weinig ontwikkeld volk van eenvoudige reizende kooplieden en trekkende Bedouinen. Mohammed blijkt een leergierig man te zijn, die graag naar wijze mannen luistert en zo krijgt hij heel wat te horen over het doen en laten van vreemde volkeren, Dat brengt hem tot de vaststelling, dat kennelijk elk volk een eigen profeet als leider heeft en dat die profeet de enige is, die contact met de goden heeft. Die God beschikt over een Boek, waarin alle waarheid en wijsheid, die een volk van node heeft staat opgetekend en deze gegevens zijn meestal vervat in de taal van het volk van de leidende profeet. Hij denkt na over hetgeen hij over leiders als Noach, Mani, Mozes, Jona, Jezus en vele anderen gehoord heeft. Dan krijgt hij een Openbaring, waarin de engel Gabriel hem duidelijk maakt dat er maar een God bestaat, t.w. Allah en maakt bekend ,dat deze hem een kopie verstrekt heeft van het ware Boek in het Arabisch. Zoals gezegd, weet Mohammed ,dat vele volkeren ook een kopie van dit Boek hebben ontvangen, maar wat in deze Boeken staat, weet hij alleen maar van horen zeggen,en uit mondelinge overlevering. Hij neemt echter aan, dat de inhoud alleen maar hetzelfde kan zijn als in zijn Arabische Boek. Als dan later blijkt, dat dit niet het geval is en er sprake is van verschillen, verklaart hij ,dat alleen de Koran de waarheid bevat en dat alles wat daarvan afwijkt niets anders dan een vervalsing is. En daarmee zet hij al meteen vijandschap tussen de verschillende volkeren met afwijkende geloven, ondanks de overeenstemming, die in de diverse geloven te vinden is. Zo leerden alle geloven uit die tijd iets overeenkomstigs, namelijk de Joden spreken over de Messias ,de Christenen over de terugkomst van de Heer en de aanhangers van Mozes over de Mahdi, die eens komen zal om recht te spreken over alle leden van de bevolking. De genoemde geloven gaan alle uit van de overtuiging, dat het niet lang meer zal duren, eer de wereld vergaat en op de Dag des Oordeels zal ieder persoonlijk verantwoording over zijn doen , laten en denken moeten afleggen. Daarbij is de mens steeds op zichzelf aangewezen en niemand zal hem kunnen helpen als hij voor de rechterstoel komt te staan. Daarom leert de Koran - en wijkt daarmee nauwelijks af van andere heilige Boeken - dat de mens zich zonder meer moet onderwerpen aan God en diens profeet en dat men getrouw alle godsdienstige plichten moet vervullen als zijnde de enige manier om aan de Hel te ontkomen en om het Paradijs te kunnen binnengaan. In de begintijd van Mohammed's prediking lag de nadruk op het feit, dat er maar een God is en dat Mohammed zijn profeet is en dat er geen ontkomen aan is, dat de wereld vergaat en de Dag des Oordeels nabij is, ook al kon daarvoor nog geen exakte tijd gegeven worden. In de Koran kunnen we eigenlijk niets vinden,dat op wetenschap in theoretische zin duidt dan wel op wijsgerige beschouwingen. Ook van bespiegelende mystiek is geen sprake. Het enige wat ik gevonden heb zijn een paar spreuken, die een zekere Lokman aan zijn zoon geeft en waarover men van een zekere opvoedkundige waarde zou kunnen spreken een. Het Heiligdom van Mekka was al ver voor het begin van Mohammed's prediking de verzamelplaats van de Arabische stammen, waar men kwam om geschillen te beslechten, de goden te eren en te aanbidden En daarom begon Mohammed hier zijn prediking. Maar hij vond hier nauwelijks gehoor en daarom besloot hij in 622 na Chr. om Mekka te verlaten en naar zijn geboortestad Medina te trekken en met dat jaar begint de Mohammedaanse tijdrekening. Een van de waarden die Mohammed leert is ,dat de geloofsgemeenschap ver uitgaat boven stam- of bloedsverwantschap en dat het daarom nuttig is als het Arabische volk er naar toe werkt om een besloten broedergemeenschap te worden. Dat is het ideaal.

Hoewel ook Mohammed bij zijn prediking uitgaat van het naderende einde van de wereld, vindt hij ,dat men zich over die ondergang niet al te druk moeten maken. Volgens hem is de wereld niet de vleugel van een mug waard, maar zeker is dat de wereld als schepping van Allah wel betekenis heeft, want ,zo zegt hij, alleen de wonderen van de natuur getuigen al van een bovenmenselijke kracht, De hemelen en de werelden met planeten, dieren en mensen, met de geestenwereld , t.w. vuurgeesten, luchtgeesten, aardgeesten, engelen en duivelen, vrome geesten en goddeloze demonen, alle zijn het scheppingen van de Almachtige God en het kan niet anders of al die scheppingen moeten een betekenis hebben, want anders zou Allah ze niet geschapen hebben. Allah houdt alles in stand, zolang hij wil en geen mens is bij machte de duur ervan te bepalen. Geen zandkorreltje ontgaat Allah, Mohammed blijft een gewoon mens, hij doet geen wonderen en noemt zichzelf geen heilige. Hij is mens onder mensen, meer niet. Hij voert de opdracht van Allah uit. Soms vraagt het volk hem om door wondertekenen de juistheid van zijn stellingen te bewijzen en hij vindt het niet nodig daarop in te gaan. Hij wijst in zulke gevallen wel op de leiding Gods in de geschiedenis van de volken en de wonderwerken in de natuur. Hemelen en aarde leveren voldoende bewijzen van Allah's macht. Hij wijst op de zon voor de dag, de maan voor de nacht, op de regen die Hij uit de wolken laat stromen in de dorre woestijn om het gras te doen spruiten, het koren te doen groeien en de palmbomen te behangen met trossen dadels. En tenslotte herinnert hij eraan ,dat de mens als zodanig het grote wonder is, de vorming van het embryo in de moederschoot, het opgroeien in kracht en de neergang in de ouderdom, waarin men vergeet wat men vroeger heeft geweten. Het komt alles van Allah en het keert tot Hem terug!

Het volmaakste in de mens is zijn ziel of geest. Alle zielen, die er bestaan, zijn volgens Mohammed gelijk met de ziel van Adam geschapen. Elke ziel wordt bij het embryo met zijn stoffelijk lichaam verenigd, hetgeen volgens Mohammed de "tweede schepping"is. Dan plaatst Allah de ziel in het hart, want dit en niet het hoofd geldt als zetel van de ziel. Vandaar dat de meest gebruikelijke omschrijving van wat men tegenwoordig het bewustzijn of het psychische leven pleegt te noemen. In de Koran zijn : het hart, het gehoor en het gezicht het belangrijkst. In het hart zetelt met name het religieuze weten, geloof of ongeloof .Mensen, die Allah in ongeloof en zonde wil laten, bij die verzegelt, vernauwt en verhardt hij het hart en bij dien sluit hij oren en ogen . Maar de harten der gelovigen maakt hij wijd en ruim, hij opent hun oren voor de goddelijke openbaring en hij ontsluit hun ogen, zodat ze Zijn wonderen kunnen zien. Eigenaardig en opvallend is hier, zoals meestal in religieuze en mystieke psychologie, dat het gehoor bijna altijd voor het gezicht wordt genoemd. Het geloof wordt gevoed door het gehoor en dit geldt voor de Islam wel in zeer bijzondere mate. Allah zelf blijft in het leven onzichtbaar voor de mensen. Zijn stem en zijn woord laat hij vernemen door bemiddeling van engelen en profeten..waartoe ook de priesters gerekend moeten worden.

Wel heeft Allah de menselijke ziel de neiging ten goede, zowel als die ten kwade gegeven. De mens moet bewust zelfstandig kiezen. Toch lijkt mij dit in strijd met hetgeen elders in de Koran gesteld wordt, namelijk,, dat de mens geen vrije wil bezit. Wel heeft de mens de plicht verstandig te zijn en wat verstandig is, horen zij van de priesters.ER IS GEEN ANDERE MANIER OM TE WETEN WAT VWERSTANDIG IS1De mens is, hoe dan ook, de slaaf van Allah. Allah is de Schepper en Heer en Hij kan met Zijn schepselen doen wat Hij wil Over het Hiernamaals spreekt de Koran dikwijls in zeer zinnelijke taal. Sommige filosofen, mystieke en rationalistische theologen van de Islam hebben zich veel moeite gegeven om de zinnelijke voorstellingen van Hel en Paradijs overdrachtelijk op te vatten

In Sure 17 vinden wij de moraal van de Koran kort samengevat. Het zijn om zo te zeggen de moslimische tien geboden, die ik hier vrij en wat verkort weergeef:

1) Probeer niet naast Allah een andere God te plaatsen, want wie dit doet maakt zichzelf te schande:
2) Dien uitsluitend Allah als Uw Heer, wees vriendelijk tegen uw ouders tot ze oud worden, scheldt hen niet en spreek eerbiedig met ze en vol tederheid. Heer, heb medelijden met hen, omdat zij mij hebben opgevoed toen ik klein was.
3) Geef Uw familieleden wat hen toekomt, geef aan de armen en de reizigers en als ge niets geven kunt, schenk dan vriendelijke woorden, Houdt uw hand niet gesloten, maar open die zover gij kunt, opdat ge niet verarmt Verkwisters zijn de broeders van Satan
4) Doodt uw kinderen niet uit vrees voor armoe. Wij willen voor hen en voor u zorgen, want hen doden is een grove zonde.
5) Houdt u verre van hoererij, want dat is schande en een slechte weg
6) En doodt geen mens, tenzij ter wille van uw recht. Wie ten onrechte gedood wordt, diens naaste verwante moeten hem wreken, maar wraak mag niet grenzeloos zijn
7) Raak niet aan het goed der wezen, tenzij voor hun opvoeding tot de tijd der rijpheid
8) Kom uw overeenkomsten na, want daarvan zult gij rekenschap moeten geven.
9) Geef steeds de volle maat en weeg met de juiste weegschaal
10) Vertrouw niet op datgene, waarvan ge geen weet hebt. Gehoor, gezicht en hart zullen daarvan rekenschap eisen en ten jongsten dage. En ga niet trots door het leven, want gij kunt de aarde niet splijten, noch u verheffen tot de hoogte der bergen.
Zo spreekt Allah, die het kwade haat en aan de gelovigen zijn wijsheid openbaart

Ruim, vier eeuwen ontwikkeling en strijd hebben de Islam haar oorspronkelijke eenvoudige karakter doen verliezen en gemaakt tot een wereldbeschouwing, die tal van volkeren voldoende bevrediging en geluk biedt. Nieuw is dit niet, want de geschiedenis kent daarvan vele voorbeelden. Nadat de Romeinen de oude griekse wereld hadden veroverd, hebben zij zich zelf onderworpen aan de invloed van de griekse beschaving. De cultuur van het Hellenisme, zijn kunst, letterkunde, wetenschap en wijsbegeerte, later ook de christelijke godsdienst, dat alles hebben de Romeinen van een overwonnen volk overgenomen, nagevolgd en verder naar het Westen over Europa verspreid.En zo werd dat alles ook het eigendom van onze voorouders, de germaanse stammen, die het West-Romeinse Rijk hebben verwoest; zij zelf hebben, zij het dan ook langzaam, de grieks-romeinse beschaving aangenomen

Iets dergelijks, maar in een veel sneller tempo, is verricht, door de Moslims, die een groot deel van het Oost-Romeinse Rijk en van Oud-Aziatisch cultuurgebied hadden veroverd. In plaats van Mekka en Medina werden nu Damaskus en Bagdad de middelpunten van de moslimische wereld. Te Damaskus, de hoofdstad van het christelijke Syrie met zijn hellenistische beschaving regeerden van 661-750 de Kaliefen uit het Huis van Omajja. En toen Bagdad in 762 gesticht was bleef het ,sedertdien enige eeuwen - tot 1258 - de zetel van het Kalifaat der Abbasieden. Daar werkten hellenistische en perzisch-indische invloeden samen om de Islam tot een internationale geestelijke macht te maken : een aziatische vorm van Hellenisme.

De moslimische veroveraars van de 7e eeuw kenden geen beter argument dan het zwaard, Maar eenmaal in het bezit van de macht, van aanzien en rijkdom gekomen, gevoelden ze ook de behoefte aan beschaving van de geest, Ze gingen zich toeleggen op wetenschappen, die van hellenistische overlevering. Het waren meest syrische Christenen en Joden, die daarin als leermeesters voor de Moslims optraden. Op de duur voldeed na eeuwen de mondelinge overlevering van de Profeet en zijn Koran niet meer, want Koran en overlevering gaven geen antwoord op alle, nieuwe moeilijke vragen, die zich vooral in de veroverde gebieden voordeden. In de praktijk van het staatsleven, met name van de administratie, moest men zich in de daar geldende wet of gewoonte aansluiten.De nieuwe heersers, die een militaire autocratie vormde, maakten een verstandig gebruik van geschoolde krachten om de samenleving politiek en economisch in goede orde te houden. Daarom vroegen problemen van recht en zedeleer steeds meer aandacht. Hier kon men zich niet op de wetenschap van Koran en overlevering beroepen, hier was ei gen inzicht of mening nodig (prudentia, jurisprudentia en opinio) De vraag, hoe de Moslim, overal en altijd, zijn levensgedrag in de ruimste zin heeft te regelen, leidde tot de ontwikkeling van het FIGH, de rechtswetenschap.
Tegenwoordig spreken we liever van de plichtenleer.

De grondslagen of beginselen van dit recht hebben reeds in de eerste eeuwen na het ontstaan ervan aanleiding gegeven tot verschillende beschouwingen.Voor de vrome Moslim betekent zijn godsdienst een Wet, die het gehele leven beheerst. Daarom maakt de Moslim geen onderscheid tussen kerkelijk en wereldlijk recht en hij trekt al evenmin een scherpe grens tussen ethiek en politiek.De gelovige Moslim is verplicht zijn leven te richten naar de voorschriften van de Koran en het voorbeeld van de Profeet. Dit wordt hen door de priesters voorgehouden en verklaard. Vaak gebruikten de priesters de z.g. analogie-redenering. De invoering van de analogie als rechtsbeginsel was oorspronkelijk bedoeld als een rem tegen het volgen van willekeurige persoonlijke opvattingen, die hoe langer hoe meer bij de priesters ontstonden. De eigen mening werd hierdoor aan methodische regels gebonden ,Deze methodewas voor tweeerlei toepassing vatbaar. Evenals in de taalwetenschap en in de logika werd nl. de analogie in de rechtswetenschap zowel induktief als deduktief gebruikt, d.w.z. men beoordeelde 1e niet voorziene gevallen volgens hetgeen Koran en overlevering voorschreven of ten tweede men zocht een gemeenschappelijke grond voor verschillende bijzondere bepalingen en leidde daaruit dan nieuwe toepassingen af.
De drie eerste grondslagen van de Plichtenleer : Koran, Soenna en Analogie vinden afsluiting in een vierde - voornaamste - beginsel van het Recht : de Overeenstemming der Gemeente.d.w.z.feitelijke overeenstemming van de meest gezaghebbende Wetgeleerden, die het katholiek instinkt van de Islam tot uitdrukking brengen. Door huldiging van dit beginsel wordt de historische traditie bewaard. Sedert de 13e eeuw is dit beginsel van kracht gebleven.Maar op het moslem- recht wil ik in deze beschouwing niet te diep ingaan

Eeuwenlang hebben er binnen de Islam allerlei theologische twisten tussen de verschillende sekten bestaan. In en door deze strijd verkregen de oorspronkelijk weinig bepaalde dogma's van de Islam een meer stelselmatige vorm. Dit gebeurde ongeveer van de 8e tot de 10e eeuw .
Van grote invloed op de ontwikkeling van het moslem -dogma is geweest de christelijke Kerkvader van het Oosten, Johannes van Damaskus (ca 700-750) een man, die men in betekenis kan vergelijken met de H. Thomas van Aquino en de H. Augustinus voor de Kerk van het Westen. Het is wel merkwaardig dat deze Johannes van Damaskus, die de geloofsleer van de Oosterse Kerk tot afsluiting bracht en tegen de Islam polemiseerde, een hoog ambtenaar was aan het Hof van de Omajjaden. Op een enkele uitzondering na was de politiek van de Kaliefen zeer verzoeningsgezind en te verdraagzaam volgens de opvatting van vele strenge Moslims. Johannes stamde uit een oude ambtenarenfamilie. Eerst tegen het einde van zijn leven veriet hij het Hof en trok zich terug in een klooster. Hij schreef zijn werken ein het grieks en er is veel van in het syrisch en arabisch vertaald, vandaar zijn grote invloed op de Arabische literatuur van theologisch-filosofische aard. Voor de dialektische ontwikkeling van het moslemstelsel zijn vier punten van groot gewicht geweest :

Allereerst Gods rechtvaardigheid in verband met de vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens.Hoe is het dan te rijmen ,dat er mensen voorbeschikt zijn voor Hel of Paradijs.Maar ook: het is het mogeIijk door geloof alleen zalig te worden zonder goede werken.

Ook de eeuwigheid van Gods Woord, d.i.van de Koran als uitdrukking van Allah's eeuwige geest of wil, speelde een rol.

En niet te vergeten de eenheid van Gods Qpperwezen, waaraan toch in de Koran tal van namen en eigenschappen worden toegeschreven.

Tenslotte Gods verhouding tot de wereld in het algemeen en de mensen in het bijzonder.

Op eigenaardige wijze, maar wel onder christelijke invloed, zijn deze punten uitgewerkt door de eerste grote theologische school in de Islam, die der Moetazilieten.
Afgescheidenen, afgezonderden van de wereld betekent hun naam, omdat ze begonnen met nadruk te leggen op asketisch leven, gewijd aan goede werken. Men zou ze kunnen vergelijken met de Pelagianen van de oud-christelijke Kerk of met de Remonstranten uit de latere kerkgeschiedenis. Behalve voor christelijke dogmatiek werden ze ook al spoedig door griekse wijsbegeerte beinvloed. Zij noemden zichzelf in de eerste tijd graag het volk der Rechtvaardigheid van Allah, omdat ze Allah beleden als de Rechtvaardige en Heilige, die de misdaden van de mensheid vergeldt al naar schuld of verdienste. Zij beschouwden dus de mens zelf als oorzaak van zijn handelingen, als vrij en verantwoordelijk en in staat om uit en voor zichzelf hemel of hel te verdienen. De Koran is in dit opzicht niet duidelijk, maar is toch op de hand van die mensen, die de vrijheid van willen en handelen ontkennen en hen rechtstreeks en geheel afhankelijk maken van Allah's almachtige wil. In deze in hebben de oudere generaties van de Islam de mens opgevat. De positieve instelling dat Allah iedereen recht doet, vindt men dus niet in de Koran's almachtige wil. In deze in hebben de oudere generaties van de Islam de mens opgevat. De positieve instelling dat Allah iedereen recht doet vindt men dus niet in de Koran. Dit nu leerden de Moetazilieten wel.Hij, de Heilige kan NIMMER DE OORZAAK ZIJN VAN HET KWAAD.Voor alles dus wat slecht of kwaad is in de wereld kan Allah niet verantwoordelijk worden geacht. Het is de mens, die het kwaad veroorzaakt of mogelijk ook de duivel

Dit heeft weer aanleiding gegeven tot wijd uiteen lopende beschouwingen. En ook hierop wil ik verder maar niet ingaan Ook de eeuwige waarde van de Koran is voor moslimische theologen een buitengewoon belangrijk vraagstuk. De Moetazilieten noemden hem geschapen, omdat alleen Allah eeuwig is, maar de orthodoxen hielden aan de eeuwigheidswaarde van de Koran vast. Voor hen was niet alleen Allah, Zijn wezen en Zijn woord eeuwig, maar de Koran ook. Ook hierover werd weer eindeloos gediskussieerd en getwist, want ook onderling kregen de Islamieten het vaak met elkaar aan de stok over geloofspunten en dan gold alleen het recht van de sterkste. Die heeft altijd gelijk, ook wat het geloof betreft.

De Islam stelt dat de gehele wereld door God is geschapen als bestaande uit een groot aantal zelfstandige atomen, die niets met elkaar te maken hebben en dus niet op elkaar kunnen inwerken. God is de oorzaak van de wereld, maar in de wereld zelf is geen band van oorzaak en gevolg, daar bestaat geen natuurlijke wisselwerking tussen de atomen. Deze atomen denkt men zich als punten in de ruimte, die op zichzelf geen uitgebreidheid bezitten. Doordat nu Allah zulke punt-atomen samenvoegt of scheidt ontstaan en vergaan de ruimtelijk uitgebreide lichamen. En wat dus van de uitbreiding in de ruimte geldt, geldt ook voor de tijdsduur. Evenals het enkele atoom bestaan alle atomen samen, d.i. de gehele wereld, op dit ogenblik als in een tijdloos moment. Het tijdelijk gebeuren is dus slechts schijnbaar een geleidelijk voortvloeiende stroom, het is, met een modern beeld, een kinematografische voorstelling, van opeenvolging van volstrekt gescheiden ogenbikken. Zo ligt dus niet in het heden het verleden en in het nu wat worden zal`En dit, dat bijna alle atomen samen slechts voor een ogenblik zonder duur bestaan, betekent dat de gehele wereld telkens opnieuw door Allah geschapen moet worden. Doordat hij scheppende wereldmomenten samenvoegt ontstaat er wat wij tijdsduur noemen. Maar op elk moment van ons bestaan zijn wij volstrekt nieuwe wezens en leven wij in een geheel nieuwe wereld. Dit is naar mijn mening wel de meest konsekwente sprookjesfilosofie, die er op de wereld bestaat!

Deze theorie werd natuurlijk ook toegepast op het wezen van de menselijke geest en op het menselijk handelen. Omdat de wereld geheel uit atomen bestaat, kan de menselijke ziel ook niets anders zijn dan een atoom of een verzameling van atomen. Sommigen nemen een zielenatoom aan, anderen leren dat een aantal fijne zielenatomen tussen de lichaamsatomen gemengd zijn. In allen gevalle moet het denken aan een atoom eigen zijn.

Alle eigenschappen en werkingen van lichaam of geest worden accidenties van de zelfstandige atomen genoemd. Zo ook de handelingen van de mens, waarvan hij evenmin de oorzaak is als van zijn wezen. God schept de atomen, maar ook hun accidenties. Wat gebeurt er dus, wanneer ik de een of andere werkzaamheid verricht, wanneer ik, volgens het gewoonlijk hierbij gebruikte voorbeeld, iets schrijf? Allah schept dan in mij als hoofdmomenten elk ogenblik opnieuw eerst de wil om te schrijven, dan het vermogen om dit te doen, verder de beweging van de hand, eindelijk, buiten mij, de beweging van de pen enz. De onderdelen van dit gebeuren hangen niet als oorzaak en gevolg met elkander samen, maar worden onafhankelijk van elkaar door Allah's almachtige wil geschapen.Dat is naar onze ervaring gewoonlijk in dezelfde orde op elkander volgen, is derhalve geen natuurlijke noodzakelijkheid, maar niets anders dan de wil van Allah, die gemakkelijk een andere volgorde zou kunnen kiezen. Het is waarlijk een uitgesproken fantastische leer, die ik graag aan elke Moslim gun, als ze mij maar niet dwingen de sprookjes van Moeder de Gans als wetenschappelijke waarheden te aanvaarden.

Ik wil nu nog enkele personen uit de geschiedenis van de Islam naar voren brengen, die met hun theorieen een eigen stempel aan hun stelsel gaven. In de eerste plaats is dat Nazzam van Basra, gestorven in 845. Hij behoorde tot de Moetazilitische theologen en uit wiens denkbeelden blijkt ,dat hij goed op de hoogte was van de griekse wijsbegeerte. Dat laatste paste vele van zijn collega's niet en hij werd erom verketterd. Hij moet echter wel een origineel en eerlijk mens geweest zijn. Wat ik van hem weet, is afkomstig uit diverse geschriften van zijn tegenstanders. Hij zou in zijn jeugd verkeerd hebben met aanhangers van Zoroaster en op rijpere leeftijd het heidendom hebben aangehangen.Hij voelde zich aangetrokken tot de leer der Brahmanen, want hij loochende de scheppingsleer en de openbaring. Hij zou een zondig leven vol uitspattingen hebben geleid Ik drink zoveel ik kan en zolang ik het lust, want ik ben niet bezorgd over hetgeen met mij na de dood zal geschieden. Nu, dit zijn algemeenheden die van duizenden mensen kunnen worden gezegd.
Ik zou zijn leer op grond van hetgeen ik van hem te weten ben gekomen als volgt willen samenvatten: Er bestaat een natuurlijke godsdienst.zoals een vergelijking van de drie openbaringsgodsdiensten de perzische, de indische en de griekse levensbeschouwing leert.Die gaat uit van de natuur ofwel van het redelijke menselijke verstand, dat hem is aangeboren Krachtens ons ingeboren natuur worden we tijdens het opgroeien bewust van het bestaan van een God, de schepper van de wereld, die de mens met rede begaafd heeft, zodat hij zijn Schepper en goed den kwaad kan leren ontdekken. De mens heeft dus een aangeboren religieus gevoel en dan zijn de dogma's van de openbaringsgodsdiensten eigenlijk maar bijkomstigheden, hoewel ze we waarde hebben.
Met ons natuurlijk verstand kennen wij dus God en zien in dat Hij het beste met ons voor heeft. Hij heeft alles met wijsheid en een doel geschapen`.Hij kon misschien wel, maar wilde niet meer doen. Want door middel van onze wil kunnen wij een weg vinden. Het is voor de mens een behoefte om zijn wensen - en daaronder ook het kennen van God - te bevredigen .
Maar aan God ontbreekt niets. Bij Hem vallen dus wil en macht en daad samen, want waarom zou Hij niet de volmaaktheid van Zijn Wezen ten volle verwerkelijken? Het ware wezen van God is weten, zijn scheppen is denken. Als de Koran hem willend noemt, betekent dit, dat Hij de oorsprong der dingen is op grond van Zijn weten. En als de openbaring zegt dat Hij zekere godsdienstige handelingen van Zijn dienaren wil, dan is die wil niets anders dan een bevel
God kan niet anders handelen dan goed en rechtvaardig. Straf en beloning in het toekomstige leven, die de mensen zichzelf waardig maken, kan hij dus niet vermeerderen of verminderen.

Als God werkelijk goed is, vanwaar komt dan het kwaad? Het antwoord van Nazzam is of niet duidelijk overgeleverd of het is inkonsekwent. Soms schijnt hij op stoicijnse wijze het Godsbestuur te rechtvaardigen.Het kwaad, slechts aan de onderdelen d.z. de bijzondere dingen en wezens eigen, zou zich dan oplossen in de harmonie van het Heelal. Soms zou men hem echter een aanhanger van perzisch dualisme willen noemen volgens hetwelk de wereld twee beginselen heeft., het ene: licht, god , leven,'t goede, de bovenwereld, het andere : duisternis, satan, dood het boze, de onderwereld. De betrekkelijke vrijheid van de mens om goed of slecht te handelen zou dan daaruit volgen dat het menselijk wezen een mengsel van licht en duisternis is. Inderdaad wordt deze leer aan hem toegeschreven..

Over de schepping leert Nazzam o.a.dit: God schiep alle dingen, mensen, dieren, planten, mineralen voor alle tijden tegelijk door een handeling, maar zo dat het meeste verborgen is (koemoen) B.v. Adam is niet geschapen voorzijn kinderen, maar in hem verborgen bleef heel zijn nageslacht, dat dan vroeger of later uit die verborgenheid tevoorschijn treedt. Hoe daarmee te rijmen is de ook aan Nazzam toegeschreven bewering, dat God elk ogenblik opnieuw de wereld schept, is mij niet duidelijk.

Wel is het zeker, dat hij de leer der atomisten verwerpt. Elk atoom, zegt hij, is totin het oneindige deelbaar. En alles is in beweging, niets staat werkelijk stil, rust bestaat slechts schijnbaar in de lichamelijke wereld.Hoe kan men zich dan echter voortbewegen door een oneindig deelbare ruimte, dus een oneindig ver weg verwijderd doel bereiken? Door te springen, leert Nazzam en bovenal met deze leer van de Sprong heeft hij in de arabische wereld zijn naam aan de vergetelheid ontrukt.

In overeenstemming met de atomisten, maar op een wijze die aan de Stoa herinnert, neemt Nazzam deel aan dat de gehele wereld uit niets dan stoffelijke lichamen bestaat, waarvan dan, volgens hem, de beweging het enige onlichamelijke accidens is. Geen lichaam is in volstrekte rust, maar altijd bezit het lichaam een zekere spanning (tonos) als begin van beweging. Het is daarbij mogelijk dat twee lichamen op een en dezelfde plaats zijn, omdat de lichamen de eigenschap bezitten elkaar te kunnen doordringen.
v Deze levensgeest is een lichaam.Maar de ziel dan? Zij wordt een zuivere geest genoemd en heet het eigenlijke wezen van de mens. Van het lichaam wordt als van haar orgaan gesproken, maar ook wordt gezegd dat zij dit orgaan geheel doordringt en dat gedachten en strevingen bewegingen van de ziel zijn. De ziel denkt Nazzam zich waarschijnlijk wel als een nog fijner zuiverder lichaam dan de levensgeest, die hij ook het instrument van de ziel noemt.
In zijn kennen en handelen is de mens onvrij, volstrekt gebonden aan God, diens natuurlijke of bovennatuurlijke openbaring of werking van de natuur. Dat alles behoort tot het gebied der noodzakelijkheid, alleen in zijn willen is de mens vrij. Zijn wis is eigendom van de mens, Maar zodra deze overgaat in een lichamelijke handeling, is hij onderworpen aan de door de Schepper in de na tuur gelegde wetten.
Het waarnemen en denken is behalve Gods werking, natuurlijk afhankelijk van de voorwerpen der kennis.Het uitvoerigst behandelt Nazzam de waarnemingen van de zeven zintuigen (gezicht, gehoor, smaak, reuk, tastzin, het hart of het inwendige zintuig en de sexuele zin) Het horen komt tot stand doordat er kleine lichaamsdeeltjes van geluidgevende voorwerpen afkomstig, binnendringen in de levensgeest.Daarom hebben twee mensen nooit hetzelfde geluid gehoord. Omdat er namelijk verschillende deeltjes bij hen binnenkomen.Men stelle zich het geluid voor als een straal water uitgegoten over een menigte mensen, allen krijgen iets gelijksoortigs, maar de ervaringen zijn verschillend.
Voor Nazzam is de overlevering geen werkelijk betrouwbare bron van kennis De mensen die een toespraak van de Profeet hebben gehoord, zullen die verschillend ervaren hebben als gevolg van het binnenkomen van uiteenlopende deeltjes, die niet bij iedereen gelijk waren. Vast staat dat Nazzam een denker is geweest, die getracht heeft een antwoord te vinden op vele zaken die hem raadselachtig voorkwamen.

Een ander zeer opvallende figuur in de Islam is Moeammar uit de tweede helfti der 0e eeuw. De overleving maakt hem tot tijdgenoot van Haroen al-Rashied (gest. 809), die hem naar Indie zond om als man in alle wetenschappen doorkneed te worden tegen de sceptische wijsgeer van het Hof om daar het Moslimgeloof te verdedigen. Ook deze moetizilitsche theoloog heft naam gemaakt

Het meest bekend geworden is zijn Ideeenleer, een leer van geestelijke werkelijkheden, waarmede onze begrippen overeenstemmen. Wij schrijven namen aan de dingen allerlei eigenschappen toe en daarbij gaat het meestal ook om geestelijke werkelijkheden, ideeen waaraan de begrippen van onze geest beantwoorden. Het bestaan van relaties is echter geen zelfstandig bestaan, maar veronderstelt een tweede hogere orde van ideeen en zo tot in het oneindige. Wij komen dan tot de zonderlinge tegenstrijdigheid, dat God een eindige, stoffelijke wereld geschapen heeft, maar dat deze eindige wereld in haar relaties een oneindigheid van ideeen of geestelijke werkelijkheden voortbrengt. Een oneindige wereld, niet door God geschapen, en voor hem zelf onkenbaar, en omdat het oneindige ontelbaar is, terwijl Allah volgens de Koran alle dingen telt. Ja, zo voegen de orthodoxe tegenstanders van de ideeenleer hieraan toe, volgens Moeammar kan God zelf zich niet kennen, omdat in alle kennis een subjekt en objekt zijn te onderscheiden. Inderdaad was Moeammar in zijn leer van de eenheid van het goddelijk wezen zover gegaan te zeggen dat men aan God e eigenschap van het kennen niet kan toekennen, omdat daarin de veelheid van de kenner, het gekende en het kennen is geteld. Blijkbaar werken hier nieuwplatonische denkbeelden. Maar ook, stelt Moeammar, mag men niet zeggen dat God eeuwig is, wel dat Hij een begin heeft. Slechts negatieve bepaling van het ene wezen is geoorloofd.
Toch heet God de Schepper van de lichamelijke wereld.Hij heeft deze geschapen door middel van een wilshandeling, die niet God zelf is en ook niet samenvalt met het scheppingsbevel, het scheppen zelf, enz. en waarvan Moeammar dan ook moet zeggen, dat ze onkenbaar en onbekend iets is. Dus behalve God is ook die oorspronkelijke wilshandeling slechts negatief te omschrijven Als het enig eigenaardige in de mens beschouwt Moeammar cvenals Nazzam de wilshandeling, wat in verband staat met zijn moetazilitische leer vsn de wilsvrijheid.De ziel, wier eigen daad allen het willen is, is een idee of geestelijke werkelijkheid. Hoe haar verhouding tot God, die gezegd wordt slechts lichamelijk te hebben geschapen, is niet duidelijk.
De pogingen van Nazzam en Moeammer moeten gezien worden as onbeholpen pogingen om griekse wijsheid met moslem- dogma's tot een samenhangend tracht te brengen..

Een zeer bijzonder man in de geschiedenis van de Islam was ongetwijfeld ook de vierde Kalief van het oudste moslimrijk, t.w. Ali, de schoonzoon van Mohammed, die vooral door de Sjíeten als rechtmatig opvolger van de Profeet wordt beschouwd. Ali was niet alleen een dapper krijgsman, maar vooral ook een wijze, die de meest geheime wetenschappen kende. Volgens de overlevering heeft hij gezegd: "de wereldse wijsheid is eigenlijk het verdwaalde schaap van de gelovigen, neem het dus op, waar ge het ook vindt"
Inderdaad hebben de geleerde Moslims dat vanaf de 8e eeuw ook gedaan. Ze vonden overal zogenaamde oosterse wijsheid, voor een klein deel oud-babylonisch of perzisch, maar voor het grootste deel zeker door het Heellenisme in vroeger eeuwen van Egypte tot India door het Oosten verspreid. In de syrische stad Harran leefde, zelfs nog in de eerste eeuwen van de moslimheerschappij, een hellenistische gemeente met een heidense mysteriedienst. Vele leden daarvan beoefenden astrologie, alchemie enz. en hielpen mede om de syrische werken in het Arabisch te vertalen. De taal der oosterse kerken was overwegend syrisch, maar in de kloosterscholen werd ook grieks geleerd. Naast de wetenschappelijke werken van Hippokrates en Galenus, Ptolemaeus en Euklides werden de geschriften van Aristoteles, Plato, Plutarchus en vele anderen in het Arabisch vertaald De werkzaamheid van de vertalers duurde van de 8e tot en met de 21e eeuw

De meest wetenschappelijke man onder de eklektische moslem- denkers was zeker de arts Razi (gest. 923) Hij werd in de Noordperzische stad Raj geboren, daar studeerde hij en werd te Bagdad Hoofd van het ziekenhuis. Hij schreef veel medische werken, waarmee hij naam maakte Hij schreef ook werken over alchemie. De toenmalige vorst van Kirman en Chorasan eiste dat Razi de proeven die hij beschreef ook zou uitvoeren, zodat de vorst de beschikking over de stoffen die hij wenste kon krijgen. De proeven mislukten jammerlijk, waarop de vorst Razi met een zweep het licht uit de ogen joeg. Niettemin beef Razi ook na zijn dood een beroemd man en vele van zijn werken zijn in het latijn vertaald en uitgegeven in Europa. Hij vertegenwoordigt in elk geval de eerste eklektische periode van het moslim-denken.
Eklekticisme veronderstelt altijd enige zelfstandigheid van oordeel, ook al blijkt die hoofdzakelijk ui t de keus van de autoriteiten. Het leven van de enkeling is kort, leerde Razi, maar de wetenschappen van de elkaar opvolgende geslachten is lang. Daarom is de duizendjarige wijsheid der boeken hoger te schatten dan de ervaring van een enkel mens of zijn nog niet beproefde oordelen.
In de metafysika nam Razi vijf eeuwige beginselen aan t.w. God de Scheper, de Wereldziel, de Oerstof, de absolute Ruimte en de absolute of eeuwigdurende tijd. Dat waren voor hem de vijf noodzakelijke voorwaarden voor het bestaan van deze wereld. God is voor hem licht, zuiver licht en het eerste wat hij schept is geestelijk licht, de oerstof van alle bijzondere zielen in de wereld (=wereldziel) Dit bovenzinnelijk lichtschepsel heet ook de Rede. Minder sterk en zuiver dan het goddelijke licht is er met het tweede licht een schaduw verbonden, waaruit ten dienste van de redelijke ziel ,de dierlijke ziel ,ontstaat ofwel de levensgeest. Alles gebeurt van eeuwigheid af, want God is eeuwig en Hij kan nooit zonder werkzaamheid bestaan.
In het middelpunt van alles staat de ziel. Alle zielen vormen de wereldziel, zij gaan door aardse lichamen tot na loutering de volmaaktheid wordt bereikt en ze weer in God worden opgenomen. Dit was voor die tijd wel een heel bijzonder gedachte en ook voor de Moslim iets geheel nieuws, dat uiteraard stof tot diskussies gaf. Veel aanhangers voor zijn theorie kreeg Razi niet. Hij leerde dat de redelijke ziel bevrijd moest worden van de verbinding met de onredelijke, bijzonderlijk van de heerschappij der zinnelijke lusten.

Een van de vele politieke genootschappen, die in het Oosten tevens als religieus-filosofische stelsels plegen op te treden was de Broederbond van Basra Leden van deze Bond hebben in het midden der 10e eeuw in een Enzyklopaedie de wijsgerige wetenschappen van hun tijd op eklektische populaire wijze bijeengebracht en getracht die met behulp van overdrachtelijke exegese in vrijzinnige geest in overeenstemming te brengen met de leer van de Koran en de overlevering. Ik ga hier niet dieper op in, maar zeg alleen nog dat hun naam "de Getrouwen", zoals ze zich noemden, veel indische verhalen voor hun doel in het Arabisch hebben "vertaald".
De Broeders streefden meer naar volledigheid dan naar eenheid van stelsel, want zij pasten de wijsheid van alle volkeren, voorzover ze die kenden, in hun systeem in. Wel verheffen ze steeds de Moslim boven de jood, die te fanatiek is in zijn leer en boven de Christen, die als monnik door het leven gaat en dus buiten de wereld staat. Ze eren naast Henoch en Abraham ook Socrates en Plato, Zoroaster en Jezus, maar hoger dan deze staan toch Mohammed en Ali.
In grote trekken is de hele filosofie gebouwd om de ziel. Het s dus om de ziel te doen Kennis van de ziel of zelfkennis gekend als de hoogste wijsheid in dit stelsel, want - zo zeggen zij - wie zich zelf kent, kent zijn Heer en wie zich zelf, d.i. zijn ziel, het beste kent, kent ook het best zijn Heer.
Wat de kennende ziel betreft, is deze te onderscheiden tussen aanleg en ontwikkeling. In de ziel van de leerling is het weten potentieel aanwezig, maar aktueel wordt het door de onderwijzende werkzaamheid van een leermeester, die het weten als iets werkelijks in zijn ziel heeft En doorgaans is dat alleen met priesters het geval, zo menen zij.De lagere, stoffelijke werkelijkheid leren we kennen door onze zintuigen, het bovenzinnelijke o.a. door logische redenering en ons zelf alleen maar door onmiddellijke waarneming.
De mens wordt op velerlei wijzen geleid tot weten, maar zijn hoogste doel moet de verwerkelijking van zijn wezen zijn. Zoals het stoffelijk lichaam streeft naar bezit, zo zoekt de ziel zich te voeden met wetenschap. Daarom heeft Allah zijn dienaren bevel gegeven de wetenschap te bestuderen. Immers zegt de overlevering dat de Profeet zei: Laat u onderwijzen in de wetenschap, want zij is van God, studeren is Hem loven, navorsen is Hem dienen, anderen onderwijzen is weldaas (aalmoezen geven) enz. enz. De ware geleerde is Gods dienaar, zoals altijd uit zijn zeven eigenschappen blijkt : a) hij weet te vragen b) hij kan zwijgend luisteren c) hij kan nadenken d) daarnaar weet hij te handelen e) hij streeft naar waarheid uit en door zich zelf; f) daarbij bedenkt hij steeds dat kennis een genade van God is; g) zodat hij nederig blijft en niet praalt met de door hem bereikte resultaten.

Deze beginselen van alle wetenschap liggen - volgens de pythagorese-platonische traditie) in de wiskunde, getallenleer, meet kunde, sterrenkunde, muziek, algemene proportieleer en aardrijkskunde.
Omdat de natuur over het algemeen door getal en maat bepaald is, beginnen we met arithmetiek en geometrie.
Het getal is het meest wezenlijke, het meest geestelijke.Getal is de eenheid (= samenvatting) van de vormen der dingen in de ziel van de tellende; het gestelde, dat zijn de dingen zelf. Alle getallen van 2 af komen voort uit de 1, zelf geen getal maar oorsprong van de getallen, zoals God de opperste Eenheid, oorsprong van alle dingen is. Alle getallen hebben hun eigenaardigheden, maar sommige zoals 4, 7, 8 en 10 hebben een bijzondere betekenis en er gaat van die getallen, in verband met sommige figuren, een magische kracht uit Ook heeft de getallenleer, die zich zuiver uit het denken dat van alle dingen abstraheert, laat afleiden, deze betekenis, dat ze de ziel opmerkzaam maakt op haar geestelijk wezen en tevens de voorbereiding is voor de beoefening van de natuurwetenschap.
Is de getallenleer zuiver geestelijk, de meetkunde is deels zinnelijk, deels geestelijk. De zinnelijke meetkunde, die van het gezicht en de tastzin, heeft slechts paedagogische en praktische waarde, maar de eigenlijke geometrie werkt met punten, lijnen, vlakken en lichamen als zuivere abstrakties van het denken, die met de stoffelijke en als zodanig deelbare lichamen niets te maken hebben. Deze geestelijke meetkunde opent de ogen van de geest voor de kennis van een hogere wereld, ze is het element van alle wijsheid en de wortel van alle kennis,

De eerste en voornaamste toepassing der wiskunde vinden we in de astronomie en astrologie.Ptolemeus is hier de bron, maar aangevuld met veel astrologie. Geleerd wordt hoe wij uit de stand en de beweging der hemellichamen kunnen besluiten wat hier op aarde door hun invloed zal gebeuren als wij nl. hun nat uur en wijze van werken kennen. Zij zien de zon als een mannelijke planeet, heersend bij dag, warm, droog, lichtend en gelukbrengend; de maan daarentegen is een vrouwelijke planeet. Koud, vochtig, nachtelijk, hoewel met de zon lichtend en ook gelukbrengend. Uit de maan kan men voorspellen t.o.v. de toestand der dingen en het lot der mensen in deze wereld. Van de gelukssterren Jupiter en Venus verkondigt Venus het aardse geluk, Jupiter het toekomstige enz. De waarde van de astrologie wordt zeer hoog aangeslagen omdat ze de sterren als door God geschapen hemelse geesten beschouwen, middelaars van de goddelijke inwerking enz.

Van de menselijke kunsten, die de ziel naar de hemelse sferen kunnen opvoeren, staat de muziek bovenaan. Haar wezen is maatvol gezang en van de begeleidende instrumenten is het meest volmaakte de luit, die met haar vier snaren het beeld is van de natuur der dingen. Muziek geneest de zieke ziel, vrolijkt de geest op en wekt in de mens de herinnering aan zijn hemelse afkomst, want onze muziek is een navolging van de muziek der sferen.

De taal is gesplitst in een inwendige geestelijke taal en de uitwendige of lichamelijke, het woord. Ter ere van de Arabische taal wordt gezegd dat ze uit 28 (4 x 7) letters bestaat. Verder worden voor de analyse der gedachte griekse begrippen overgenomen.

De mens wordt als een makrokosmos gezien, die in verbinding staat met alle dingen en wezens van de wereld.Zijn lichaam is een symbolische afbeelding van de wereld, lichaam en geest beide worden bij hun groei en ontwikkeling door de sterren beinvloed. De embryologie wordt geheel astrologisch behandeld, elke maand staat onder invloed van een planeet. Zo is het ook met de verschillende levensperioden van de mens. De eerste 4 jaren staan hoofdzakelijk onder heerschappij van de Maan, dan 10 jaar van Merkurius, 8 jaar van Venus, 10 jaar van de Zo, 7 jaar van Mars, 12 jaren van Jupiter, 11 jaren van Saturnus .Pas met 62 jaar is de mens volkomen.
Het lichaam is niets dan een tijdelijk huis, een oefenschool voor de ziel. Deze maakt daarbij gebruik van haar vijf uitwendige en vijf inwendige zintuigen.
Er zijn drie lichamelijke zintuigen t.w. tastzin smaak en reuk en twee geestelijke zintuigen t.w.gehoor en gezicht.. De mens heeft 5 inwendige zinnen en dat zijn geestelijke krachten : voorstellingsvermogen, denkvermogen, het geheugen, het vermogen tot spreken en het vermogen om te schrijven wat gedacht en gesproken wordt Met behulp van deze vermogens kan de ziel zich tot volmaaktheid ontwikkelen.

Zo wordt eigenlijk zo'n beetje alles onder de loupe genomen. Liefde wordt gezien als het sterke verlangen een te zijn met het geliefde voorwerp. De ziel is overeenkomstig haar liefde, De plantenziel of het zinnelijk-begerende in de mens streeft naar spijs en drank en zinnelijke liefde, de dierlijke ziel naar geweld en heerschappij, beide dus naar goederen van deze wereld, waarin ze wel altijd zouden willen blijven. De redelijke ziel echter streeft naar wijsheid en goedheid, die alleen te bereiken zijn door de vrome askese en het zuivere denken, de voornaamste vermogens van de priesterkaste

God kan niet besproken of beschreven worden, hij is boven de wereld van geest en stof verheven. Over zijn wezen kan slechts negatief iets worden gezegd. Wij weten alleen van zijn scheppende werking en vooral dat zijn eerste schepping die aan de redelijke geest in de mens was. In hun wijsbegeerte plaatsen de Getrouwen tussen God en diens Geest een nieuw zelfstandig wezen de Namoes (o.a. bekend uit Plato's definitie van de heilige goddelijke wet in zijn "Nomoi". Ik denk hierbij ook aan de "Nomos"bij de Stoa.) Namoes is de goddelijke Wereldwet De Getrouwen hebben alle bestaande godsdiensten bestudeerd en komen tot de conclusie, dat de meerderheid der mensen een zinnelijke godsdienst nodig hebben met symbolische voorstellingen en gebruiken De reden daarvan is dat de zielen van de meeste mensen diep in het stof verzonken zijn en niet veel hoger staan dan de zielen van het dier. Tussen hen en God staan de drie hogere rangen t.w. de zielen van de filosofen, van de profeten en van de heiige engelen. Zoals de engel middelaar is tussen God en de wereld, zo brengen de profeten en filosofen boodschap en werking van de geestenwereld over aan de scharen onder hen. De profeten hebben de heilige wet gebracht, de taak van de filosofen gen geleerden , die de erfgenamen van de profeten zijn , die wet uit te leggen en toe te passen. In naam wordt dus wel de profeet het hoogst geeerd, maar in werkelijkheid komt alles op uitleg en toepassing neer en de Getrouwen weten dan met gebruik van de overdrachtelijke uitleg de heilige wetten van alle volkeren te beschouwen als afbeeldingen van de ene goddelijke Namoes
En zij wensen de inhoud van de Wereldwet te vereenzelvigen met hun filosofie. De Islam staat dus boven alle andere godsdiensten en is de enige ware. En noch andere godsdienst- leraren noch mensen, hoe geleerd dan ook hebben het vermogen de islamitische wetten en gebruiken uit te leggen. Dat kunnen en mogen alleen de priesters van de Islam doen, priesters wier taken verdeeld zijn.
Kort en goed - diskussies over de Islam met leiders van andere godsdiensten zijn uitgesloten. Wel zijn de Islam-priesters bereid alle andersdenkenden te overtuigen van hun verkeerde opvattingen en uitgangspunten. Er is niet alleen maar een Gd en dat is Allah, maar er is ook slechts een godsdienst die de mens behoort te belijden en dat is de Islam.
Tolerantie ofwel verdraagzaamheid is een begrip dat binnen de Islam geen plaats behoort te hebben. Verdraagzaamheid is aantasting van het Islamgeloof. Dat is de Leer!……

Zuivere geschiedenis schrijven is onmogelijk, omdat men nooit geheel kan doordringen tot de geest van hen, die vroeger leefden en dachten. Maar even onmogelijk is het om een zuivere aanhanger te zijn van een oude leer. Aristoteles, eeuwen lang in het Oosten en Westen "de Meester van degenen die weten", is niet altijd en overal dezelfde Aristoteles. Wij menen hem nu veel beter te kennen dat de mensen in de Middeleeuwen dat vermochten te doen en in elk geval geloven wij te begrijpen, waarom de moslim denkers, met zoveel minder hulpmiddelen tot hun beschikking, hem ook minder zuiver moeten opvatten. In hoeverre is dat nu juist?
Zijn werken werden niet volledig in het Oosten vertaald, want o.a. zijn politiek is niet in het Arabisch vertaald geworden. Toch werd de behoefte aan stelselmatige volledigheid gevoeld. De ledige plaats werd dan ingevuld met beschouwingen uit de Staat of de Wetten van Plato en die werden dan zo goed mogelijk in overeenstemming met de leer van Aristoteles gebracht.
Nog andere oorzaken werkten ertoe mede, dat de moslim denkers zich geen duidelijke voorstelling konden maken van de historische Aristoteles.
Naast en met de eigen werken van de filosoof kreeg men ook die van zijn nieuwplatonische bestrijders. Bovendien werden er op naam van Aristoteles geschriften in het Arabisch overgezet, die een geheel andere geest ademen en dus stellig niet van hem afkomstig kunnen zijn Dit laatste is stellig de reden waarom wij de griekse Aristoteles in de werken van zijn moslim leerlingen nauwelijks kunnen herkennen. Wij hebben dus twijfels aan de juistheid van de vertalingen en vrezen dat de vertalers veel van hun eigen toenmalige gedachten als die van Aristoteles hebben voorgedragen.

Zo bestaat er b.v. in het Arabisch het "Boek van de Appel", een werkje waarin Aristoteles dezelfde rol speelt als Sokrates in Plato's Phaedo. Tegen het einde van zijn leven, een appel in de hand, die de laatste krachten wekt, maar met blij gemoed een beter leven wachtend, houdt de meester een toespraak tot zijn leerlingen over de onsterfelijkheid van de ziel. Hij leert en troost hen met dezelfde wijsheid die we uit de Enzyklopaedie van de Broeders van Basra hebben leren kennen. De Broeders hebben hun zienswijze vermoedelijk tot die van Aristoteles gemaakt om ze gemakkelijker ingang te kunnen doen vinden bij hun tijdgenoten

Van meer betekenis was het dat uittreksels uit de werken van Plotinus en Proklus, de twee grootste neoplatonische denkers, aan Aristoteles werden toegeschreven. Bewerkte stukken uit de Enneaden van Plotinus kregen de titel "De Theologie van Aristoteles" Volgens deze is Plato de ideale mens, die door intuitief denken het geestelijk wezen der dingen omvattend, eigenlijk de ,logika van Aristoteles niet meer nodig heeft.. Boven dat denken wordt de goddelijke ekstase gesteld, waarin de ziel rechtstreeks het goddelijke aanschouwt en hoort wat geen oor ooit hoorde en geen tong kan uitspreken.
Op deze wijze werd het de moslim denker gemakkelijk gemaakt om naar het voorbeeld van neoplatonische uitleggers aan te tonen dat Plato en Aristoteles volkomen met elkaar overeenstemmen en Aristoteles meer als de wijsgeer bij uitnemendheid te beschouwen.
Dat ging niet zonder strijd. Het Eklektocisme had voorliefde voor Plato en naar het schijnt vond deze ook in theologische kringen gemakkelijker ingang dan zijn leerling. Enfin, hoe dit ook zij, wij horen in de 9e en 10e eeuw veel van tegenstand tegen de invoering van aristotelische wijsbegeerte. In de 9e eeuw schreef daartegen de Sjíet Hiskam, tijdegenoot van Nazzam, verder de moetazilitische theoloog Aboe Hasjim van Basra (gest 933) en bovenal het hoofd van de latere orthodoxie, al-Asjari (873-935)
Als de eerste vertegenwoordiger van de aristotelische school in het Oosten noemt de overlevering Kindi (gest. Na 870), die als de eerste en bijna enige filosoof van Arabische stam een zekere beroemdheid heeft verkregen. Hij is het meest bekend door zijn medisch-astrologische geschriften, In de theologie was hij moetaziliet, in de filosofie een eklektikus. Toch zijn er voldoende redenen om hem volgens de traditie het nieuw platonisch Aristotelisme te laten beginnen. De algemene trekken van deze denkrichting beginnen zich bij hem duidelijk af te tekenen. Bij hem wordt de logika uitvoeriger grondiger bestudeerd Het getallenspel van de pythagoreeers wordt iets teruggedrongen. In de tweede plaats wordt de verhouding tussen stof en vorm, lichaam en ziel minder dualistisch opgevat. Er is duidelijk sprake van het accepteren van het denken van Aristoteles. Ze zagen in dit stelsel tegelijkertijd een rechtvaardiging van de Islam en dat maakte dat hoe langer hoe meer theologen Aristoteles als leermeester gingen aanvaarden.

Dat Aristoteles zo belangrijk in de Islam werd is vooral te danken aan Farabi (gest. 950) en zijn volgeling Ibn Sina (980-1037) Farabi kreeg daarom de naam van de tweede Leermeester (Aristoteles is de eerste)en Ibn Sina heet tot op onze tijd in het Oosten "de vorst der wijsgeren".
Farabi genoot in Bagdad onderricht van christelijke en moslimische leraren. Behalve in het Arabisch schreef hij zijn werken ook in het perzisch en turks. Hij bleef lang in Bagdad werkzaam als arts.Later vinden wij hem aan het hof van de sjíetisch gezinde Saif-addaula te Haleb (Aleppo) en tenslotte als Soefi een teruggetrokkenl even leidend. Hij stierf op een reis naar Damaskus, waar volgens de overlevering de vorstelijke beschermer als soefi gekleed een rede hield.

Ibn Sina werd in 980 geboren in Elsjana. Hij was in menig opzicht vroeg rijp en toen hij op 17-jarige leeftijd de Sultan van Boechara wist te geneznn van een onbekende ziekte, kreeg hij vrije toegang tot diens bibliotheek, waarin hij ijverig studeerde. Toen zijn vader stierf kwam hij als arts en ambtenaar aan het hof en aan de hoven van Dzjordzjan, Raj, Hamadan en Isfahan schreef hij zijn grote werken. Ik noem ten eerste zijn Kanon der medische wetenschap, hetwelk in het Oosten nog steeds in gebruik is en ten tweede zijn filosofische encyklopaedie Ook scheef hij veel gedichten en mystieke overpeinzingen. Niets menselijks was hem vreemd.Hij is een man geweest van rusteloze werkzaamheid, des daags arts, leermeester of staatsman, maar des avonds gezellig in de vriendenkring of druk bezig met de liefde. In 1037 vond hij tijdens een veroveringstocht van zijn vorstelijke beschermer de dood. Wat er van hem overbleef is zijn stelsel.

Hij gaf het eerste college in logika. Daarmee beginnen de moslimische peripatici hun systeem .Logika als kennisleer en orgaan van alle wetenschap gaat als zodanig bij hen ook aan de wiskunde vooraf. Logika, het begin en metafysika het einde, zijn de beide abstrakte wetenschappen, die zich met het zuiver geestelijke en intellektuele bezig houden. Daartussen staan de wiskunde en de natuurkunde. De natuurkunde beschouwt de vormen van het lichamelijke, zoals het geestelijke voorwerp is van de metafysika. De wiskunde is aan de logika verwant voorzover ze van het stoffelijke afziet (abstraheert) MAAR ZE IS TOCH AANSCHOUWELIJK TE KONSTRUEREN EN OP DE LICHAMELIJKE STRUKTUUR TOE TE PASSEN. Vandaar haar plaats in het systeem tussen logika en fysika. Deze vier : logika, wiskunde, natuurkunde en metafysika vormen samen het theoretisch gedeelte van de wijsbegeerte, zoals die door Ibn Sina uitvoerig werd behandeld .
Het doel van de logika is om te leren hoe wij van het bekende uit, het onbekende kunnen vinden en wel op de meest juiste wijze , vooral negatief doordat ze ons leert fouten te vermijden bij het vermeerderen van onze kennis.Ons kennen is tweevoudig, hetzij direkt voorstellend en bepalend) of afgeleid langs de weg van bewijs en min o meer overtuigende redenering (tasdicq) De juiste wijze van begripsbepaling en van redenering en de daarbij te vermijden fouten worden dan uiteengezet volgens de logische Inleiding van Porphyrius en de acht geschriften van Aristoteles'Organon.
Men zou denken dat de zintuigelijke waarneming geen betekenis heeft voor In Sina, maar dat is een misvatting, hetgeen duidelijk blijkt uit zijn psychologie. In de logika merkt hij slechts terloops op: zonder verstand zouden we geen ervaring van het zinnelijk waargenomene hebben. Herhaalde zintuigelijke waarnemingen worden door het geheugen bewaard en het geheugen, geholpen door een redenering van het verstand, schept de eerste ervaring. Het is het verstand dat samenhangt in de verschijnselen van de waarneming ontdekt, op grond van het kausaliteitsbeginsel.
Het denken pas dus zijn verstandelijke veronderstellingen toe op het waargenomene en op de ervaring in het algemeen.

In een groot aantal verhandelingen gedeeltelijk zelfs in dicht maat heeft In Sina over de ziel gesproken. Beginnend met de vegetatieve en dierlijke verrichtingen van de lagere vermogens, voortaande met de verstandelijke krachten, klimt hij uit de veelheid van haar faculteiten op tot de eenheid van het mystieke wezen der ziel. Hoofdzaak is - en dit is het algemene kenmerk van de middeleeuwse psychologie - het onderscheiden van h\een aantal "vermogens"Ik kan daar in dit korte overzicht niet te diep op ingaan en bepaal me dus tot enkele punten.
De plantenziel heeft drie vermogens: die van voeding, groei en voortplanting De dierlijke ziel voegt er twee aan toe: de war neming van het bijzondere en de willekeurige ebweging en de redelijke ziel heft als haar eigenaardige krachten : de kennis van het algemene en de vrije wilskeus. Maar de ziel heeft bovendien een groot aantal bijzondere vermogens, zowel theoretisch als praktisch. r


De mystiek is totnutoe al enkele keren ter sprake gekomen. In het algemeen verstaat men onder mystiek een geestesrichting, waarbij gevoel en verbeelding, de nuchtere waarneming en het verstandelijk redeneren beheersen Het is een instinktief en intuitief zich een voelen en kennen met de natuur, met zijn medemensen, met alle dingen, meet God. Niets is zo algemeen menselijk als de mystieke stemming. Joodse christelijke en moslimische mystieken zijn nauwelijks van elkander te onderscheiden en allen zijn ze verwant aan de neoplatonische filosofen, ketterse gnostieken en aanhangers van de Boeddha.
Maar wat die allen met elkaar verenigt, scheidt hen, elk in eigen kring, van land- en geloofsgenoot wanneer nl. dit mystieke leven ter verfijning en volle ontplooiing komt. Dan keert dit zich af van de maatschappelijke praktijk en van uitwendige godsdienstvormen, waaraan de menigte gehecht is en van de formulering der religieuze waarheid. Hoewel men in dit opzicht de mystieken, die zo veel liefebben, evenals de dichters veel vergeeft, er is toch een grens - genaamd Pantheisme - die men niet mag bereiken. Die grens is in de moslim landen met name in Perzie niet zo scherp getrokken als in het Christendom, maar hij is er toch. Zo dat we niet alleen de mystiek hebben te onderscheiden van de meer scholastieke en meer rationeel-praktische denkrichtingen, maar ook moeten vragen in hoeverre ze verenigbaar bleek te zijn met de Islam.

We zullen dus eerst de ontwikkeling van de mystiek tot in haar uiterste, algemeen als ketters veroordeelde konsekwenties volgen en dan, naar het voorbeeld van Gazali, laten zien wat de katholiek denkende Moslim daarvan ongeveer kan aannemen.

Sedert omstreeks 800 n. Chr. heet de ingewijde in de moslim mystiek een Soefi. Hij zelf geeft daaraan de betekenis van "rein van hart"of "uitverkorene", anderen hebben ter verklaring gedacht aan het griekse "sofos", wijze, maar Boeldeke heeft bewezen dat de naam is afgeleid van het perzische "soef"= wol. Moslim asketen kleedden zich in navolging van christelijke kluizenaars, met een grofwollen gewaad als teken van boete en verachting van wereldse weelde en daarom werden ze Soefi genoemd. Oorspronkelijk waren het dus praktisch vrome asketen.

In deze ruime zin - bij mystiek in engere zin denken we o.a. aan kontemplatie of theorie - zijn er mystieke elementen in de Koran en bij Mohammed en zijn omgeving te vinden. Hoewel Mohammed het monnikenleven en met name het coelibaat afkeurde, predikte hij toch boete en bekering, het ontvluchten van de zondige wereld en volledige overgave aan Allah. Het motief daartoe is meestal vrees, vrees voor de dood en de hellepijnen, maar er zijn ook enkele plaatsen in de Koran, die, bijzonder in het licht van later ontwikkeling, een mystieke houding als liefdevolle overgave aan Alah schijnen in te sluiten. "Äan Allah", zo lezen we, "behoren het Oosten en het Westen en waarheen ge u ook wendt, daar is Allah's aangezicht""Er is een volk, dat Hij liefheeft en dat Hem bemint"Hij is hun nabij, ja Hij is hun allernaaste. In het bijzonder wanneer ze zich tot hem wenden in het gebed En Allah is "het licht van de hemelen en van de aarde


"Dergelijke uitspraken, zeldzaam in Koran en in de overlevering, weden, het eerst onder christelijke invloeden, door vrome asketen en latere mystieken met nadruk naar voren gebracht. Naarmate dit gebeurde, kreeg de asketische levenswijze de betekenis an een hulpmiddel bij de geestelijke oefening of een eerste voorbereidend stadium voor het leven van overpeinzing en mystiek schouwen. Bespiegelingen over licht, leven, kennis, liefde bovenal begeleiden sedert de 9e eeuw de asketische praktijk. Uit die tijd stammen de volgende uitdrukkingen: "Liefde kan men niet van mensen leren, ze is een gave Gods n komt van Zijn genade".
"Niemand beteugelt zijn wereldse lusten dan hij in wiens haart een lcht is, dat hem altijd in verbinding houdt met de toekomstige wereld"
"Wanneer het geestelijk oog van de kennende (gnostiek) geopend is, is zijn lichamelijk ook gesloten; hij ziet niets dan God"
"Als de kennis (gnosis) een zichtbare gedaante aannam, zouden zij die haar aanschouwen dodelijk getroffen worden door haar schoonheid en beminnelijkheid en goedheid en genade en al wat schittert zou door haar glans verduisterd worden"
"Kennis staat dichter bij zwijgen dan bij spreken".
"Als het hart weent omdat het verloren heeft, lacht de geest omdat hij heeft gevonden"
"Niets is er dat God ziet en kent, zoals er niets is dat Hem ziet en leeft : wie dit inziet, heeft daarmee het eeuwige leven

"Dat men God moet dienen, niet uit angst voor straf, ook niet met hoop op beloning in het Paradijs, maar enkel en alleen om de liefde tot God, is een eer waarvoorde moslim mystieken zich veel op Jezus, het Nieuwe Testament en christelijke monniken beroepen. De liefdesleer, dikwijls tot onkenbaar worden versmolten met de theorie van de griekse Eros (liefdesbegeren) verbindt zich dan met de bespiegelingen oer licht en kennis door verlichting, ekstsae of vereniging met God als het enig Ware, het enig werkelijke, waarheen men langs trappen opklimt. Deze idee is zowel in Europa als in het Oosten verspreid door de geschriften van Dionysisus de Areopagiet, waarschijnlijk een syrische monnik die omstreeeks 500 leefde. Diens leermeester Hierotheus (= Stoehan Bar Soedali_ schreef een boek over Gds geheimenissen en dichtte erotische (mystieke) hymnen. Dionysius ontsluierde verder de geheimen van de geestenwereld, de rangorde der engelen enz.

Naast andere zij tenslotte nog gewezen op de indische invloeden. De legende van Boeddha, zijn wereldverzaking enz, treedt in verschillende vormen op.Leven en leer van boeddhistische monniken hebben zeker de mystiek van de Moslims, vooral in Perzie, mee tot ontwikkeling gebracht. Dit geldt echter wel hoofdzakelijk in de praktijk, de mystieke oefeningen en overpeinzingen, waardoor men zich zelf vergeet en verliest. Met dat al echter blijft de geest van de moslim mystiek en de theorie waarin die uiting vindt, meer hellenistisch; soms is hij wel pantheistisch, maar nooit atheistisch. Uit niets blijkt dit duidelijker dan uit het begrip fana, d.i. het verlies of het geheel verdwijnen van het eigen zelf, Algemeen neemt men tegenwoordig aan dat dit begrip van indische oorsprong is en met het Nirwana overeenkomt. Fana is het zich verliezen in God. Door kennis in liefde een worden met God, dat is, in verschillende graden het ideaal van alle moslim mystiek, van de orthodoxe zowel als van de hetereodozzxe, die Pantheisme heet. Maar een onpersoonlijk Nirwana kent men niet.

Hoezeer de mystieken de nadruk leggen op het beleven van de werkelijkheid, zij verloochent haar hellenistische afkomst niet en brengen het leven tot begrip, deels door de werkelijkheidszin haar gradaties te beschrijven, deels en vooral door de opeenvolgende toestanden van de ziel. Die de werkelijkheid beleeft, te onderscheiden en de wegen en middelen aan te wijzen, die haar van dienst zijn bij het streven naar het einddoel.


De mystieke theorie houdt zich, volgens haar subjektief karakter, in de eerste plaats bezig met de eer van de weg, het geestelijk Levenspad. Algemeen wordt de reis van de ziel door dit legen naar een beter bestaan beschreven als een pelgrimstocht, waarvan de heilige tocht naar Mekka het aardse symbool is. Bunyans Pelgrims Reis heeft haar moslim voorgangers in de mystieke geschriften van de Soefi's. In een van de oudste van deze geschriften wordt de reis ebschreven als een weg met zeven haltes, waarop de ziel tien toestanden doorleeft. De zeven haltes zijn 1) BEROUW 2) ONTHOUDING; 3) WERELDVERZAKING; 4) ARMOEDE; 5) GEDULD; 6) VERTROUWEN OP GOD 7) VERTROUWELIJKHEID 8) RUSTIGHEID; 9) BESCHOUWING en 10) ZEKERHEID.
De twee reeksen zijn voor een deel moeilijk te onderscheiden en het is niet duidelijk in hoever deze parallel verlopen of met elkaar in verband staan.

Aan het begin van de weg staat het berouw of de bekering, dikwijls al voorbereid door dromen, visioenen en openbaringen. Dan volgt het ontwaken uit zorgeloze sluimering. De ontwaakte,waarlijk bekeerde,laat nu de zonde waarvan hij zich bewust is en neemt zich voor niet meer te zondigen. Doet hij het toch dan is er tot zeventig maal toe een nieuw begin nodig Voor hen die nog niet ingewijd zijn in de hoge mystiek is het goed dat ze hun zonden overdenken om nederig te blijven en voor opnieuw vallen te worden bewaard. Voor de ingewijden echter is het beter hun zonden te vergeten. Immers zij vergeten alles behalve God."De berouwvolle zondaar bemint God, wie God bemint beschouwt Hem en in die beschouwing is het verkeerd aan zonde te denken, want de herinnering daaraan is een sluier tussen het ik en de schouwende ziel", zo luidt het mystiek syllogisme.

Om de weg van berouw en bekering tot gehele bevrediging af te wandelen heeft de reiziger een gids nodig. At is de geestelijke leider, het hoofd van de een of andere geestelijke orde. Wie geen leermeester heeft, heeft Satan tot gids. Dat spreekwoord geldt in het oosten op elk gebied. Komt nu een leerling bij een geestelijke Sheik, dan moet hij beginnen met de meest nederige diensten te verrichten. Het eerste jaar, zo drukt een Soefi het uit, moet hij mensen dienen, het tweede jaar God en in het derde jaar moet hij zijn eigen haat leren bekijken en overwinnen., Eerst na deze drie jaren van voorbereidingkan hij verder gaan op de weg van armoede, verzaking van de wereld en van zichzelf, volkomen blind vertrouwen op God en voorttdurend denken (dhikt) aan Hem. Het begaan van deze weg is een strijd tegen wereld en zonde, vooral tegen de boze lusten van het eigen hart. Het is de grote heilige oorlog die volgens Mohammed moeilijker en verdienstelijker moet zijn dan het uittrekken op Allah's Pad ten strijde tegen ongelovigen. Maar aan de strijd teen ongelovigen moet wel een ieder deelnemen, wat wie ongelovig is - en dat zijn allen die niet tot de Islam bekeerd zijn - brengen het bestaan van gelovigen in gevaar en moeten dus gedood worden. (Hoe dat met het goede en God dienen te rijmen is, kan ik niet begrijpen)

De bijzonderheden van deze weg, belangrijk voor de psychologie van het godsdienstig leven kan ik hier niet beschrijven. Ik heb er te weinig gegevens over gevonden.

De Verlichting wordt beschreven als een ekstatische toestand van de ziel Het is een zien van het hart, met het oog van de geest en in het licht van een straal van Gods Licht Het veroorzaakt een bovennatuurlijke staat met verschillende gradaties. Dit licht zal als men weet vol te houden steeds sterker worden en men wandelt dan in Gods Licht. Er zijn dan tussen God en de ingewijde geen sluiers meer. Hij is op weg naar het Paradijs. Alle zogenaamde bewijzen voor Gods bestaan zijn sluiers die wegvallen voor de schouwende. Hij weet!

De ekstase komt van God, maar de Soefi kan meewerken door zijn gedachten, zijn gerichte denken, door muziek, zang en dans. Bij het bereiken van fana, het verzinken in God, speelt met name bij het, het Horen, een grote rol. Het horen reciteren van de Koran en van poezie en het luisteren naar muziek brengt de Moslim en in het bijzonder de Soefi in verrukking. Voor de Soefi zingt de gehele schepping in duizend tongen de lof van Allah.

Als de ekstase komt, heeft de Soefi voorlopig zijn doel bereikt. Hij ziet wat geen oog heeft gezien, hoort wat geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, m.a.w. hij heeft een bovennatuurlijke kennis gekregen. Het is een intuitieve door onmiddellijke aanschouwing verkregen kennis Het onmiddellijke laat zich eigenlijk niet ontleden, niet uiteen denken. Maar het hart van de Soefi is er vol van, hij moet dus wel over het onuitsprekelijke spreken. Hij doet dit, in de eerste plaats al weer door vermogen en toestanden van de geest en graden van kennis te onderscheiden. Met het haart (qab) kennen we God, met ons binnenste (sirr = geheim) beschouwen we hem en met de geest (roeh) beminnen we Hem. God is het gezochte voorwerp van ons kennen. Voor de intuigen is Hij onbereikbaaar, omdat Hij onstoffelijk is, voor het verstand onvatbaar, omdat Hij onbegrijpelijk is. Verrstand en zinnen zijn tot het eindige beperkt. Maar we meoeten in en met ons hart zien, dat door een straal van het oneindige is verlicht; daarin openbaart God zich aan ons. Niet als zintuigelijk of beredeneerd wezen, maar als bevindelijke kennis.

Dit is niets anders dan de gnosis van de hellenistische theosofie: een kennis die met haar inhoud en haar voorwerp, d.i. God, een wordt, een is. In het weten van theologen en filosofen blijft een onderscheid bestaan (blijven er dus sluiers hangen) tussen het wetend subjekt, zijn weten, en het geweten voorwerp, maar in de kennis van de mystikus is alles een.
De mystieke kennis is een kennis van de hoogste, zo niet de enige, waarheid of wat hetzelfde betekent , van de hoogste, zo niet de enige, werkelijkheid en dat is God. Ze begint met een beschuwing van Gods eigenschappen, maar daarin ligt nog een veelheid. Voklkomen is ze eerst als ze de eenheid van het wezen aanschouwt. Dan is alles een/En de Soefi mag zeggebn: Ik ben God. De wereld ligt om mij als een spiegel of een uitstraling van de godheid, een schin of verschijning, waarvan God het wezen is, En in mijn diepste wezen ben ik God.
Op dit standpunt is de Soefi boven elk godsdienstig en dogmatisch verschil verheven. Voorzover hij in elke religie iets van de goddelijke openbaring ziet, kan hij zich bij een godsdienstige gemeenschap, het liefst bij de heersende, aansluiten. Mohammed vereert hij als licht van Allah's licht en hij wil, tenminste in naam een Moslim zijn. Aan de andere kant, elke positieve godsdienst als een sluier van het ene ware licht aanschouwende, kan hij een vrijdenker worden, die het zijn plicht acht, in het geheim en zo mogelijk openbaar alle godsdiensten en theologieen te bestrijden. Het laatste heeft altijd tot de uitzonderingen behoord. De meeste Soefi's hebben Moslim willen zijn, die, nog wat nadrukkelijker dan hun gelovige broeders, de eenheid van Allah beleden.De orthodoxe gemeente zei: God DOET ALLES naar Zijn WIL, de Soefi leerde : God IS ALLES naar Zijn wezen.
Het begin en het einde van de gehele mystiek is liefde, verlangende eerst, dan bevredigde liefde. Het is de AMOR DEI INTELLECTUALIS, de geestelijke liefde van en tot God, waarfan Spinoza aan het einde van zijn Ëthica"spreekt. Die geestelijke liefde is een redelijke liefde, die in wezen een is met de besproken kennis. Kennis zowel als liefde betekenen wezensgemeenschap an het menselijk hart met God.

Van deze liefde is de soefische li"teratuur vol en ieder kent ze uit de mystieke poezie van perzische dichters, ten minste sedert Goethe zijn "Westlicher Diwan"schreef. Meestal schildert de Soefi zijn liefde in wellustige beelden. Volgens de schrijver Ibn Arabi (1165-1240) is liefde het wezen van alle godsdiensten en dat heeft hij zeer bloemrijk omschreven. De legenden van moslim heiligen vertellen van innige liefde tot de natuur en van meeleven en medelijden met dieren, evenals de christelijke legende van de H. Francisus van Assisi dat doet. De mens is wat hij liefheeft, Uit deze overtuiging put de Soefi, die de hoogste graad van vereniging in liefde met God heeft bereikt en dat geeft hem de vrijmoedigheid zichzelf de waarheid of zelfs God te noemen. Sedert eeuwen heeft de menige vele Soefi's als heiligen vereerd en hun tussenkomst bij Allah en zijn Profeet ingeroepen.
Niet elke heilige (wali) wordt echter bij zijn leven als zodanig openbaar, maar volgens de Soefileer bestaat er een hierarchie van heiligen over de aarde verspreid, maar die zijn boven tijd en plaats verheven en kunnen in een oogwenk samenkomen als het nodig is om de wereld in stand te houden.
Het hoogste doel van de mystikus ligt boven de tegenstellingen ook die van goed en kwaad, verheven in de UNIO MYSTICA . De dichter Roemi heeft daarover prachtige verzen geschreven en ik kan U slechts aanraden de gedichten van deze schrijver eens te lezen.

Na de val der regering van Damaskus (750) stichtte een der Omajjaden, Abderrahman ibn Moawia het vorstendom Kordaba, hoofdstad van Andalusie. Meer dan 250 jaar duurde deze Moorse heerschappij, die haar toppunt bereikte onder de Kalief Abderrahman III (912-961) en zijn zoon Hakam II (961-976) Zoals de 9e eeuw in het Oosten, was de tiende de Gouden Eeuw van het Westen. Iets minder verfijnd, frisser en krachtiger was deze westerse kultuur. Het aantal oude en nieuwe sekten en partijen was er niet zo groot als in het Oosten, maar er ontbrak toch niet een rijke verscheidenheid van geestelijk leven, waaraan ook Joden en Christenen deelnamen. Aanvankelijk stond het geheel onder invloed van het Oosten, waarmee de verbinding bewaard bleef De Moslims van het Westen deden nl. bedevaarten naar Mekka, sommigen maakten wetenschappelijke reizen tot in Oost-Perzie, hoorden daar de geleerden en namen o.a. wijsgerige geschriften mee naar huis. Ook kwamen er oosterse geleerden naar et Westen om hun wijsheid aan te bieden.
Als een der eerste Westerlingen, die zich ijverig op de wijsbegeerte toelegde, wordt Ibn Masarra genoemd. In 1883 te Kordoba geboren, stierf hij in 931. Zijn vader had in het Oosten moetazilitische en mystieke theologie bestudeerd. Hij zelf leidde het leven van een vrome askeet, die zich met zijn leerlingen in de eenzaamheid van de bergen terugtrok. Daar wijdde hij hen in de wijsbegeerte in, zoals die naar hij meende aan Empedokles, de oud-griekse ziener waas geopenbaard.` Doordat de grootste mystikus van de Islam, Ibn al-Arabi (1165-1240) zijn denkbeelden overnam, is die zogenaamde wijsheid van Empedokles gemeengoed geworden van de moslim mystiek. Ze komt in hoofdzaak overeen met de wijsbegeerte der verlichting.
Na de verwoesting van Kordoba (1013) door de Berbers van Noord-Afrika viel het rijk der Omajjiden uiteen in een aantal kleine staatjes.Zoals reeds een eeuw vroeger in het Oosten ingevolge het verval van het Abbasiedidsch rijk van Bagdad, deze treden nu in het Westen gedurende de 11e eeuw vele kleine vorsten op als beschermers van kunst en wetenschap. Wiskunde en natuurwetenschap, astrologie en medicijnenleer. Alle lijfartsen moeten deze wetenschappen leren kennen. De enzyklopaedie van de Broeders van Basra en ook logische geschriften vinden lezers Tegen het einde der 11e eeuw beginnen de filosofie van Farabi en de medische wetenschap van Ibn Sina hun invloed uit te oefenen. De wijsbegeerte blijft echter in het Westen de zaak van enkele eenzame denkrs.
Enige verandering kwam er ten in 1121 de dynastie der Almohaden werd gegrondvest door Mohamed ibn Toemart, die oorspronkelijk als Mahdi optrad. Hij stelde belang in theologische bespiegelingen en voerde het eerstelsel van Asjari eb Gazaki in, dat totnutoe in het Westen als uitgesproken ketters werd beschouwd. Aan het hof van de opvolgers van de Mahdi, Aboe Ja'keb Joesoef (1163-1184) en Aboe Joesef Ja'koeb (1184-1198) treffen wij de twee voornaamste wijsgeren van het Westen aan: Ibn Tofail en Ibn Rosjd.

Het jaar waarin Ibn Tofal geboren is in Guadix, een klein stadje in Andalusie, is onbekend. In 1185 stierf hij in Marokko de residentie van de Moorse Kalief, wiens minister en lijfarts hij was geweest. Grote daden worden er niet van hem bericht. Het schijnt dat hij boven alles de stilte begeerde, die de bibliotheek van zijn heer en meester hem verschafte. Ibn Tofail is bekend geworden doordat hij aan de gangbare wijsbegeerte een romantische inkleding gaf. Zijn Haj ibn Jakzan is opgenomen in de wereldliteratuur. In 1670 werd dit werk door de engelse geleerde Pococke in het latijn vertaald. Dr Bouwmeester, een arts en vriend van Spinoza vertaald het werk uit het latijn in het nederlands en Prof. Roland uit Utrecht verzorgd een tweede druk. Deze professor is de eerste christelijke geleerde van de nieuwe tijd die met onpartijdige waardering over de Islam heeft geschreven.
Tofail noemt zichzelf een aanhanger van de Wijsbegeerte der Verlichting, d.w.z. hij leert dat de menselijke geest de waarheid kan ontvangen door verlichting van boven, van God dus. Maar ook door bemiddeling van de hemelse sferen. Hij beschrijft de weg om het doel te bereiken op een eigenaardige wijze.Hij laat ons zien hoe de aanleg van de mens zih ontwikkelt en hoe zijn geest wordt voorbereid om het licht der openbaring te ontvangen. Drie personen treden in Tofail's roman op als vertegenwoordigers van drie levenswijzen.

De eerste is de zuivere wijsgeer, de eigenlijke held van de wijsgerige roman. Hij heet Haj ibn Jakzan, d.i, de Levende, de Zoon van de Waakzame, dus de levende wakkere denker, die door waarneming van het heelal en de natuur en van zichzelf, door nadenken over alles langzamerhand geheel uit eigen ontwikkeling geschift wordt om de hoogste openbaring deelachtig te worden.
De tweede persoon is een bespiegelend theoloog, die een gegeven openbaring, nl. die van de Koran, als waarheid aanvaardt, daarover nadenkt en die waar nodig op overdrachtelijke wijze uitlegt, waardoor hij ongeveer tot dezelfde conclusies komt als de wijsgeer. Zijn naam is Asal,
De derde is de Koning van een volk dat leeft in de gewone wereld van handel en wandel en dat zich in het denken niet boven het bevredigen van laagzinnelijke begeerten verheft. Uitwendig heeft dat volk de Islam aangenomen en daarom deed hun koning, Salaman, dat ook. Maar Salaman staat open voor begrijpend hogere zaken.. Hij is dus de bewuste vertegenwoordiger van conventie en overlevering. Hij houdt zich al thans tegenover het volk aan de letter van de Koran en de Traditie.
En nu de gang van het verhaal.
Het stuk speelt op twee eilanden van de Indische Oceaan, onder de evenaar gelegen. Het ene bevolkt, het andere tot nog toe onbewoond. Op het eerste wordt Haj geboren als zoon van een koningsdochter, die omgang had met een der onderdanen van haar vader. Om de gevolgen daarvan te verbergen werd het kind in een koffer gelegd en aan de golven prijs gegeven. Het spoelt aan op het andere eenzame eland, breekt daar open en nu moet de kleine Haj zijn leven beginnen ,veel hulpbehoevender dan later Robin Crusoe na zijn schipbreuk. Gelukkig verschijnt er op jet gehuil van het kind een gazel, van haar jong beroofd, die hm in veiligheid brengt en twee jaar lang zoogt.Intussen leert hij lopen, vruchten verzamelen en eten enz. Enz. Ook leert hij de geluiden verstaan en nabootsen en hij groeit in elk opzicht voorspoedig op tot hij ontdekt dat hij naakt is en niet zo vlug en sterk als de dieren waarmee hij te maken heeft. Hij schaamt zich over zijn naaktheid en is bedroefd dat de dieren de beste vruchten voor zijn neus wegkapen. Uit die schaamte en droefheid wordt zijn verstand geboren: nood leert hem denken. Hij is nu zeen jaar oud en van dier tot mens geworden.
Verder leert dan het verhaal hoe de jonge mens zijn eigen opvoeding voltooit in 42, d.i. 6 x 7 jaren. Dat de mens in het geheel 7 x 7 jaren zijn volkomenheid bereikt, vinden we ook bij griekse artsen en filosofen o.a.bij Aristoteles.
Haj vertegenwoordigt zo de ontwikkeling van de enkele mens, maar ook van de menselijke beschaving in het algemeen.Hij begint op 7 jarige leeftijd zijn schaamte te bedekken met boombladeren, daarna met de veren van een dood neergevallen adelaar en tenslotte met dierenvellen. En hij gebruikt een boomtak als stok om de beesten te verjagen, die hem het genot van vruchten betwisten.In deze strijd wordt hij de sterke jongen van 14, waarvoor de dieren van het eiland ontzag hebben en in hem hun kleine koning zien.
Zijn eerste droefheid is de dood van de gazel die hem gezoogd heeft.Maar daasruit ontstaan bi Haj duidelijk de begeerte te weten wat leven en dood is, wat eigenlijk het levensbeginsel is, waar dat zetelt en of er een middel tegen de dood bestaat. Ontleding van het lichaam van de moedergazel wordt voor hem het uitgangspunt van zijn natuurwetenschappelijke vorming. Doorgaande met de levende dieren van zijn omgeving te bestuderen, gaat hij voortaan alle doden ontleden. Ondertussen leert hij enige nuttige kunsten, o.a. het maken van vuur, dat eens toevallig door wrijving van boomtakken zag ontstaan. Het vuur! Eerst iets als een aangename prikkel, een genot om te zien. Hij leert het gebruiken als hij van planteneter tot vleeseter wordt en hij gaat erover nadenken. Hij kende reeds de warmte van het dierlijk hartebloed, nu kent hij het vuur als de warmte uit het hart van de plant en hij kijkt omhoog naar de vurige lichten aan de hemel. Zon, vuur, zon vraagt hij, zou de zon het algemene levensbeginsel kunnen zijn ?Is aanbidding van het vuur de eerste godsdienst?
Hij is nu 21 jaar. Met enige pijn in het hart ontdekt hij dat hij op het eiland de enige is, die alleen staat. Voedsel vindt hij voldoende en ook kleding en wapens heeft hij kunnen maken. Hij heeft zelfs een woning waar getemde dieren hem helpen. Maar de dieren leven gepaard in koppels ehij is alleen op de wereld. Op de weg van de eenzame loert de duivel, heeft Mohammed gezegd.Maar in de voorstelling van Ibn Tofail valt God op zijn weg. Hij kan in zijn eenzaamheid niets anders doen dan de drang in zijn hart sublimeren, de eenheid zoekend in alle dingen, hij zoekt naar het wezenlijk blijvende door alle veranderingen heen. Zo doorvorst hij de gehele natuur om daarin de typische vormen te vinden, de soortgestalten die blijven en ook die verdwijnen En in alle vormen of soorten van mineraal, plant en dier spoort hij de werkingen na van de ene levensgeest die alles bezielt en regeer Zoals namelijk het ene water zijn drie aggregaattoestanden heeft, tot ijs bevroren, vloeibaar of in lucht opgegaan, zo meent Hai overal dezelfde levensgeest te ontdekken, sluimerend in de steen, ontwakend in de plan, levend in het dier. Op die wijze en bij het zoeken naar eenheid vindt hij toch de verscheidenheid en ontdekt achtereenvolgens heel de wetenschap van de Grieken en Arabieren. Opklimmend door de reeksen van verschijnselen en van vormen bereikt hij voor het eerst, als hij 28 jaar oud is, de kennis van het Opperste Wezen, vanwaar alle leven stroomt, de eenheid van het Al.
Maar nog is hij niet rijp voor de direkte blijvende aanschouwing van het Ene het allerhoogste Wezen.En ogenblik heeft hij die aanschouwd, maar het licht verblindt hem. Hij moet eerst in de schaduwen en gedempte uitstralingen het licht leren kennen. it doet hij door zijn aandacht te richten op de hemelse sferen, op de sterren de planeten die daarin bewegen. Astronomie wordt dus zijn volgende studie in de jaren van 28 tot 35 Het wereldstelsel volgens Aristoteles en Ptolemaeus, een in ruimte afgesloten stelsel ontdekt hij op zijn manier.
Een eeuwige wereld, maar die een nog eeuwiger God veronderstelt! Dan komt Haj na bestudering van de rijken der natuur en de beschouwing van de hemelse wereld tot godskennis Nog wacht hem in de volgende zeven jaren een moeilijke weg, de weg der zelfkennis om dardoor tot innerlijke kennis van God te komen. En dan krijgt hij voor het eerst een zuivere intuitie, een onmiddellijk schouwen van het goddelijk wezen. Slechts een sekonde. Hij heeft intussen zichzelf leren kennen als een drievoudig wezen: zijn aardse lichaam met zinnelijke begeerten, die hem van God aftrekken, zijn ziel als afkomstig uit de hemelse sferen den eindelijk zijn zuivere geest, het hoogste in hem, dat verwant is met God.
Nu gaat hij nog meer ascetisch leven Hij wil voor zijn volmaking zijn aardse lichaam in stand houden, maar hij eet en drinkt zo weinig mogelijk. Dan ontziet hij alles wat leeft, hij leeft nu van vruchten en gewassen en hij gaat de dieren beschermen, want hij wil ze niet meer eten en ook niet laten uitsterven, omdat ze elkaar eten. Hij brengt zijn ze in harmonie met de hemelse sferen en gebruikt daartoe rythmische oefeningen En zo komt Hajtot een geestelijke hoogte die ver uitgaat boven die welke de doorsnee-mens bereikt.
Op zekere dag beleeft hij een wonder. Op het andere eiland komt een man, die de eenzaamheid zoekt. Het is Asal, die het bedrijvige leven vaarwel heeft gezegd om zijn laatste jaren te wijden aan meditatie. Hij wil daardoor komen tot een inzicht om de betekenis van Allah's openbaring in de Koran en de overlevering te begrijpen.
De twee mensen ontmoeten elkaar. Hij leert Haj de taal der mensen en Haj brengt Asal op de hoogte van al zijn ervaringen en toen bleek, zegt de schrijver, de eenheid en volkomen overeenstemming van de Openbaring van Allah. Hun beider ogen werden geopend en zij begrepen de wereld en God's bedoelingen met de mens op aarde.
Haj bewondert nu ook de wijsheid van Allah over wie Asal hem veel vertelt Nu wil hij de Koning bezoeken en hij gaat naar het eland waar Salaman woont. Haj die de mensen nog niet kende en niet wist dat de wereld bedrogen wil worden, wacht een grote teleurstelling. De grote massa van de mensen is dom, de mensen leven zinnelijk en hebben weinig interesse voor de geest. Hij excuseert zich bij de Koning en zegt hem deze niet lastig te willen vallen met zijn overpeinzingen en innerlijke ervaringen en Asa en Haj keren terug naar hun eiland.

Stemmen als die van Ibn Tofail zijn zeldzaam in de Islam. Maar het is toch merkwaardig en eerzaam dat dergelijke gedachten en overwegingen binnen het Islam denken zijn ontstaan. Kent de Islam dan toch wijsbegeerte??

En die vraag brengt me tot Ibn Rosd. Ibn al-Arabi bracht eens een bezoek aan de beroemde filosoof. De filoof ontving hem vriendelijk en bij alles wat hij vertelde zei hij steeds "Ja"en dus antwoordde Arabi ook met "ja", maar toen hij op een gegeven moment meende "nee"te moeten zeggen, schrok de oude filosoof. "Ïk begrijp u niet meer", zei de filosoof, "hoe hebt u wijsheid door intuitite gekregen en goddelijke verlichting gevonden. Is dat hetzelfde als die ik door nadenken heb verkregen?
"Hierop antwoordde Arabi "Ja en nee en tussen ja en nee ontvlieden de geesten hun stof en de hoofden hun lichamen". Nu was de ontsteltenis van de filosoof nog groter " Ër is geen kracht groter dan die van Allah, de Verhevene, gij moet U vergissen"En hij zond Arabi heen en wenste niet meer met hem te spreken. Wat een vreemde filosoof!
Ibn Rosjd die zich zo vreemd gedroeg is niettemin in de Europese literatuur bekend geworden als de commentator van Aristoteles. Alle wetenschap van zijn tijd had hij zich eigen gemaakt.Hij was medikus en jurist, hij was lijfarts van vele vorsten en ambtenaar in vele betrekkingen, zowel in Spanje als in Noord-Afrika. Hij werd in 1126 in Kordoba geboren en stierf in 1198 in Marokko.
Hij heeft de werken van Aristoteles op zijn manier vertaald en gebruikt als een bevestiging van de juistheid van de openbaringen van de profeet. Volgens hem heeft Aristoteles in de eeuwige kringloop van het denken het toppunt bereikt. Aristoteles is voor hem de "hogere mens", die door de Voorzienigheid bestemd werd om de mensheid te onderrichten. Hij ziet hem als de hoogste inkarnatie die voor een mens mogelijk is en voor hem was Aristoteles zelfs goddelijk.
Maar wie zijn werken goed bestudeert ontdekt dat Ibn Rosjd zelf eigenlijk nimmer tot een zuiver begrip van Arisstotees is gekomen. Ik herinner mij hoe ik vroeger op school moeite had om tegen mijn slaap te vechten als de Aristotelese wijsbegeerte ter sprake kwam en het heeft lang geduurd voo ik de filosofie interessant begon te vinden, maar dat was stellig niet de verdienste van de paters.
Als ik Rosjd lees dan vat zijn fanatieke eerbied voor de aristotelische logika op. Hij houdt haar echter niet geheel vrij van stoicijnse bespiegelingen over taal als uitdrukking van het algemene en hij ontleent hier en daar aan de Arabische aal voorbeelden om de algemene regels te illustreren. Evenals zijn voorgangers rekent hij de Rhetorika en de Poetika van Aristoteles tot het logische systeem. Tragedie en komedie krijgen bv de betekenis van lof- en schimpdichten, de poetische waarschijnlijkheid maakt hij deels tot bedriegelijke schijn, deels bij benadering tot bewezen waarheid, de herkenning op het toneel wordt geduid als apodiktische kennis enz. Wel een beetje raar!
Als geheel zegt hij, moet de logika ons leren hoe ons weten uit de bijzondere waarnemingen van de zintuigen opkimt tot de waarheid van de zuivere rede Deze is niet voor de menigte, die altijd in het zinnelijke blijft ronddwalen, maar vooral voor hen, die door aanleg, onderricht en gewoonte tot hoger ontwikkeling wensen te komen. Het behoort volgens Ibn Rosjd tot de innerlijke noodzakelijkheid, dat althans enkelen tot de kennis der waarheid komen. Daarom ziet de adelaar de zon in het gezicht, omdat de natuur anders iets tevergeefs zou hebben gemaakt. Wat schittert is er om gezien te worden en al wat bestaat is er om gekend te worden. De liefde tot de waarheid zou zinloos zijn als de waarheid niet te inden was, al was het maar voor een enkel mens.
De bijzonderheden van het systeem van Rosjd zijn m.i. van meer belang voor de geschiedenis dan voor de theologie en daarom wil ik maar enkele van zijn punten aanstippen.

Boven alles staat voor Ibn Rosjd de eeuwige noodzakelijke eenheid van de wereld vast. Zij is het eeuwig noodzakelijke werk van de ene eeuwige Schepper en zou niet anders kunnen dan ze in werkelijkheid is. Als geheel is ze een eeuwig-onverbrekelijke eenheid van stof en vormen zo is het ook met de hemellichamen en met de soorten van wezens, die de aarde bevolken. Dit is geen absoluut ontstaan en vergaan, maar overgang van mogelijkheid tot werkelijkheid en omgekeerd.. Alles volgens trappen van volmaaktheid met als hoogste trap het Denken. In zuiver denken bestaat het wezen van God, die de oervorm van het Al is. Denken is de oorzaak van het Al en God is het beginsel en het einddoel van alle dingen. Hij is de Wereldorde, d.w.z. de door alle tegenstellingen verheven Harmonie,.het Al zelf in zijn hoogste wijze van bestaan.
God kan niet anders zijn dan zuiver denken, een eenheid zonder bijmenging. En geesten van de hemelse sferen echter hebben hunlichamen, waarvan beweging het kenmerk is en zij onderscheiden zich zelf in hun denken van God als hun oorzaak. Zij bezitten dus slechts een betrekkelijke eenheid en zijn minder zuivere geesten naarmate ze verder van God verwijderd zijn. Maar ze zijn wel onsterfelijk

Dat is de menselijke ziel niet, d.w.z. de individuele ziel. Deze zielis niets dan de vorm van een vergankelijk lichaam en moet, omdat de stof het beginsel van het individueel bestaan is, met het lichaam als zodanig verdwijnen. Alleen de geest der mensheid als geheel blijft voortleven, niet de zielen van de enkele stervelingen. De geest der mensheid is eeuwig, evenals die van de sferen boven ons, door wier bemiddeling hij in verbinding staat met`de opperste geest, de Godheid die alles omvat.
Ibn Rosjd schijnt met zulk een leer ver af te staan van het moslimgeloof. Toch wil hij een Moslim zijn en hij heeft het nodig gevonden een afzonderlijk geschrift te wijden aan het verband tussen godsdienstleer en wijsbegeerte.Wat Ibn Tofail in zijn Haj ibn Jakzan in beeld bracht, dat beredeneert hij. Het is feitelijk een samenvatting van wat zijn voorganger in het Oosten sedert drie eeuwen al hadden geleerd, maar ik vind het bij hem wel het uitvoerigst en het duidelijkst uiteengezet,hetgeen zeker niet impliceert dat ik het onderschrijf.
Hij gaat hier weer uit van een aristotelische onderscheiding. Aristoteles heeft namelijk opgemerkt dat men over een en hetzelfde onderwerp op drieerlei wijze kan spreken, hetgeen afhankelijk is van het peil van intellektuele begaafdheid, dat de spreker bezit of bij zijn toehoorders veronderstelt. Ten eerste kan men streng logisch te werk gaan, alles bewijzend wat men zegt. Weinig mensen zullen in staat zijn zulk een voordracht te volgen, maar wie de logische bewijzen verstaat, moet de waarheid van het bewezene als noodzakelijk inzien en aannemen. In de tweede plaats kan men een onderwerp op dialektishe wijze behandelen, d.w.z. men gaat uit van algemene als waar aangenomen veronderstellingen, aangenomen ten minste in de kring waarvoor men spreekt. Men behoeft dan niets anders te doen dan als waar aanvaarde stellingen met elkaar in verband te brengen, de meest voor de hand liggende gevolgtrekkingen te maken enz. Eindelijk, ten derde, kan de spreker oratisch zijn d.w.z. zich richten tot en werken op het gevoel en verbeelding van de menigte, door de waarheid te hullen in beelden en gelijkenissen.
Aan deze drieerlei spreekmanieren beantwoorden drie soorten van mensen. Er zijn, ten eerste, enkele strikt konsekwente denkers, de wijsgeren in de strikte zin van het woord, die alles tot hun laatste veronderstellingen aan een onderzoek onderwerpen. In de tweede plaats komen de meer konventionele denkers die uitgaan van eenmaal aangenomen begrip en als vaste grondslag en die daarop dan voortbouwen. Dit doen, zegt Rosjd de meeste theologen. Zij hebben een overgeleverd leerstelsel,dat zij alleen wat uitleggen en zo nodig ombouwen zonder er iets wezenlijks aan te veranderen. En ten slotte is er de grote massa, die niet denkt, maar leeft bij gevoel en verbeelding en naar wie profeten en predikers en wetgevers zich hebben te richten, willen ze begrepen en gehoorzaamd worden.

Aan de hand van deze onderscheiding gaat Ibn Rosjd nu betogen dat men een en dezelfde waarheid op verschillende wijzen kan voorstelen. Het is een middeleeuws misverstand dat hij het bestaan van een dubbele waarheid zou leren.Hij kent maar een waarheid en hij is geen bescheiden leerling die alles maar aan God overlaat. Hij is ervan overtuigd dat mannen als Aristoteles en hij zelf de waarheid bezitten en wel zo zuiver mogelijk. Maar ook die ene waarheid kan weer drievoudig verklaard worden. Omdat de waarheid echter maar een is, moet er altijd een wezenlijke overeenstemming bestaan tussen de drie mogelijkheden. Achter het uitwendige woord moet de innerlijke zin, de ware betekenis van de openbaring worden gezocht. Alle theologen van de Islam doen dat min of meer en er is niemand die de Koran in alles letterlijk opvat, al zijn ze zich er niet altijd van bewust. De wijsgeren gaan bewust aannemen, dat er een volkomen eenstemmigheid tussen de godsdienstleer en de wijsbegeerte bestaat. De wijsbegeerte eert de zuivere waarheid, de openbaring geeft haar in symben weer, symbolen waaraan de massa behoefte heeft.
En zo komen we op overdrachtelijke uitlegging van de heilige geschriften. Eigenlijk doen alle richtingen inde Islam dat. En daarom menen de theologen dat Allah alomtegenwoordig is en zij sluiten hem niet op in de ruimtelijk beperkte hemel. Goed verstaan is ook dat alomtegenwoordig zijn van Allah een symbool, alleen wat minder kras menselijk dan de uitdrukking van de Koran. Met betrekking tot Allah die een zuivere geest is moet al wat ruimtelijk is volstrekt worden weggedacht. Men moet zich niet Allah voorstellen als op een troon zittend de daden van de mensen beoordelend Daarom zeggen moslimwijsgeren graag Ällah is nergens" of Ällah is alleen zichzelf"Zeker is Allah niet ergens in de wereld of in de ruimte. Eerder zou men mogen beweren dat heel de ruimtelijke wereld is. Immers alles iin Hem hoe dan ook, zegt Rosjd, Allah bestaat hoe men zich die ook voorstelt en ieder mens mag hem zich naar zijn eigen intellektuele begaafdheid voostellen.Daar is niets op tegen, immers is Allah alles, wat de mens ook meent te mogen en moeten bedenken.
Wel vindt Rosjd dat het de mensen verboden moest worden om geschriften te lezen en te studeren, want dat voorrecht is alleen voorbehouden aan de priesters, artsen en hogere ambtenaren. De massa moet niet studeren of denken, maar gehoorzamen en in alles op Allah vertrouwen/ Vrijheid van denken heeft alleen de bevoegde wijsgeer, priester of arts en de ambtenaar. Onfeilbaar is Rojsd dus niet en dat zijn de genoemde kategorieen ook niet, maar zij vinden dor hun studie en achtergrond altijd de waarheid terug. De massa die niet mag en kan denken, leert de waarheid door hen kennen en dat moet zo blijven1 Het lijkt een beetje op de bekend uitspraak van Vorst en Paus. Hou jij ze maar dom, zegt de vorst tegen de Paus, en ik zal ze wel arm houden.

Ik zou nog meer bekende of beroemd geworden wijsgeren en priesters uit de Moslimwereld kunnen halen, maar al hun gedacht en komen in grote trekken neer op at wat ik van enkelen van hen uit hun geschriften heb begrepen. In de Islam geldt nog steeds dat de massa beter niet kan studeren en dat dit aan een bepaalde klasse moet worden voorbehouden. Dan kan men de massa beteugelen en zo in beweging brengen als de geestelijke leiders dat willen.

Als Fortuin zegt dat de Islam een achterlijke cultuur is, dan waag ik dat na het bestuderen van Islamliteratuur niet tegen te spreken.

Geraadpleegde boeken


Goldziehef - Vorlesungen ueber den Islam
D. Maargoliouth - The early developmeng of Mohammedanism
S. Munk - Melange de philsophie juive en arabe
Carra de Vaux - Les penseurs de lslam
Snouck Hurgronje - Mohammedaans recht
Th. Juynholt - Handbuch des islamishen Gesetzes
M/ Houtsma - De strijd over het dogma in de Islam
P ieterici - De sogenannte Theologie des Aristoteles
Seinschneider - l-Farabi
Alfabi - Philosophische Abhandlungen
R.nicholson - The mystics of the Islam
Vicenna - Traites mystiques
C. Sdauter - Avicennas Bearbeitug dr aristotelschen Metaphysik
L.Gauthier - Ibn Thofail, sa vie et ses ouvres
Gauthier - La Theorie dein Rosjd sur es raports de la religion en de la Philosopie.
.