Maçonnieke encyclopedie-W

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !


WAGEN,
WALKUREN,
WALVIS.
WATER
WATERWEZENS
WEEGSCHAAL,
WERELDAS
WIEL,
WIEROOK,
WIJN
WILG.
WIND
WINKELHAAK,
WIT
WOLF,
WOLKEN
WOUD,








wagen,
is sinds de uitvinding van het wiel, ca. 5000 jaar geleden, vaak een attribuut van godheden met koninklijke allure, in de eerste plaats van zonnegoden Helius/Apollo, Zeus, maar ook godinnen als Cybele en Freya) en dondergoden (Thor/Donar) - het geraas van een voorthobbelende wagen doet aan rollende donder denken. De baan van de zon langs het hemelgewelf wordt vaak geassocieerd met wiel en wagen, zoals bijvoorbeeld de Germaanse 'zonnewagen van Trundholm' laat zien. Met een 'vurige wagen' voer de profeet Elia ten hemel, en in het visioen van EzechiŽl spelen raderen een belangrijke rol. Cultische wagens duiden op symbolisch-mythische reizen en triomftochten van godheden langs de velden, zoals de wagen van Strettweg uit de Bronstijd, met in het midden een grote vrouwengestalte die een schaal draagt. Op zulke wagens konden bijvoorbeeld vegetatie- en vruchtbaarheidsgoden de velden bezoeken en zegenen, zoals de door Tacitus genoemde Germaanse aardgodin Nerthus, die in een door witte koeien getrokken heilige wagen troont. Een scheepskar (carrus navalis) speelde een rol in de laatantieke Isis-cultus. De trekdieren van godenwagens zeggen iets over hun aard; die van Zeus werd door adelaars getrokken, die van Aphrodite door duiven of zwanen, die van Donar door wilde bokken (adelaar; bok; duif; zwaan).
Zo wordt op een schilderij van Titiaan de triomfwagen van Christus ook getrokken door de vier wezens, die de evangelisten symboliseren (adelaar, stier, leeuw en mens; - evangelistensymbolen).
De wagenmenner gold in de Oudheid al als symbool van de beheerste, oordeelkundige levenswandel. De Byzantijnse schrijver Dionysius Areopagita interpreteerde de wagens in het visioen van EzechiŽl als volgt:
'Ze betekenen de harmonische gelijkheid, die de wezens van gelijke orde verenigt.'
Dat het noordelijke sterrenbeeld Ursa Major niet alleen als Grote Beer, maar ook als Wagen bekend staat, hangt ongetwij feld samen met het symbool van de kosmische reizen van sterren en goden in hun heilige wagens.
Zie ook: wiel
Walkuren,
eigenlijk Valkyrja, in de Germaanse mythologie gepersonifieerde symbolen van de eervolle krijgersdood. Door de god Odin werden bij aardse veldslagen dappere strijders uitgekozen, die de dood niet vreesden, als bondgenoten in de laatste strijd (Ragnar"k); door de Walkuren, zijn jonkvrouwen en dienaressen, die op snelle paarden over de wolken joegen, werden deze naar het Walhalla gevoerd. Namen van Walkuren in de Edda zijn o,a. Skuld (een van de drie Nornen, die de dood brengt), Brunhilde (Brynhild), GŲll (roepster), Gondul (wolvin), Hrist (storm), Mist en Thrud (kracht), In het Walhalla, een hemels verblijf voor gesneuvelde helden, oefenen de gevallenen l'einherjar', krijgers van man tegen man) zich dagelijks in de strijd en houden 's avonds ongedeerd hun drinkgelag. Deze opvatting symboliseert enerzijds de waardering voor de roemrijke dood in de strijd (net als die voor de doden in de oorlog of op de offerbank bij de Mexicaanse Azteken), anderzijds onversaagdheid met het oog op de aangekondigde afloop van de slag in de eindstrijd, waarbij alle goden en helden zullen sneuvelen, voordat na de godenschemering een nieuw paradijselijk tijdperk zal intreden l'Gimle', aan de zuidelijke hemel).

walvis.
Doorgaans wordt het zeemonster Cetos, dat door de held Perseus gedood werd om de koningsdochter Andromeda te bevrijden, als walvis opgevat ; hetzelfde geldt voor de 'grote vis' die Jona opslokte: '... en Jona was in het ingewand van de vis drie dagen en drie nachten. En Jona bad tot de Here ... En de Here sprak tot de vis en deze spuwde Jona uit op het droge' (Jona 2:1-10), In de zin van de prefiguratie van taferelen uit de evangeliŽn in het Oude Testament staat in MatteŁs 12:40 de profetie van Jezus over zijn opstanding: 'Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten.' Deze bijbeltekst is een aloud symbool van de opstanding uit de dood, en als zodanig ook in de kunst uitgebeeld.
In de legende van Sinte Brandaan (Navigatio Sancti Brendani) is het Sindbad-motief verweven dat de monniken op hun zeereis op de rug van een slapende walvis belanden, In een middeleeuws bestiarium leest men daaromtrent, dat op de rug van het zeemonster zelfs struikgewas groeit, en 'daarom geloven de zeelieden dat het een eiland is, meren er hun schepen af en leggen vuren aan. Zodra het dier echter de warmte bespeurt, duikt het plotseling onder en sleurt het schip de diepte in' (wat Brandanus en zijn broeders bespaard blee0. 'Zo gaat het ook met mensen die niets weten van de sluwheid van de duivel ... dezen worden dan samen met hem in de diepte van het helse vuur gedompeld.' Ook wordt verteld dat de geopende muil van de walvis een geur verspreidt waarmee hij vissen aanlokt om ze op te slokken. 'Zo vergaat het ook diegenen, die geen vast geloof hebben, zich aan alle lusten overgeven, alle verlokkingen volgen en dan plotseling door de duivel opgeslokt worden' (Unterkircher).
water
CIRLOT
WATER-MAIDENS
WATER-ADERS
WATER-FALL.
WATER-THERAPIE
WATER-LOO DE, OR.į.B.F.
WATER-PAS
WATER-WEZENS
is als oerzee in veel scheppingsmythen de bron van alle leven, dat eruit opstijgt; tevens is het echter het element van oplossing en verdrinking. Dikwijls worden wereldperioden uit de scheppingscyclus door een zondvloed beŽindigd, waarbij de goden onwelgevallige levensvormen vernietigd worden.
Psychologisch is water een symbool van de onbewuste diepere lagen van de persoonlijkheid, waarin geheimzinnige wezens huizen (- vissen). Als een van de elementaire symbolen is het ambivalent, omdat het enerzijds leven en vruchtbaarheid schenkt, anderzijds verzinken en ondergang vertegenwoordigt. Elke avond zakt de zon in het water van de westelijke zee, om 's nachts het dodenrijk te verwarmen; daardoor staat het water ook in relatie met het hiernamaals. Dikwijls worden de 'onderaardse wateren' met de chaos van de oertijd geassocieerd, terwijl het uit de hemel vallende regenwater als levenschenkend wordt beschouwd.
Draaikolken (- spiraal) verbeelden moeilijkheden en ommekeer, rustig voorstromende rivieren het planmatig verlopende leven. Vijvers en poelen van vooral ook bronwateren worden in veel culturen als verblij fplaats van natuurgeesten beschouwd, van nixen en nimfen, van diverse voorspellende (en vaak ook gevaarlijke) waterdemonen. Ook hierin komt de tweeduidige symboliek van het water tot uiting. Een soort dualiteit vormt in het christelijke sacrament het met wijn vermengde water, waarbij het passieve element vermengd wordt met het 'vuur' van de wijn, wat duidt op de twee naturen (God en mens) in de persoon van Jezus. Ook het beeld van de Temperantia (matiging), bijv, op tarotkaarten, vertoont de vermenging van water en wijn.
Water speelt in de christelijke iconografie overigens vooral een rol als reinigend element, dat bij de doop de smetten van de zonde afwast. Bij heksenprocessen werd het aangewend als rein element, dat aan handen en voeten gebonden heksen niet in zich op zou nemen. Wie bij zo'n waterproef zonk, was onschuldig, wie als een kurk bleef drijven, was een heks. Bekend is het veelvuldige gebruik van wijwater in de katholieke kerk. Men kent zowel het nog niet met zalfolie (chrisma) vermengde wijwater als het op bepaalde hoogtijdagen gezegende 'aqua benedicta', dat gelovigen mee naar huis nemen om er hun wijwaterbakje mee te vullen.
Men doopt er de vingers in om het kruisteken te maken, terwijl ook wel druppeltjes van het gewijde water in huis geplengd worden. De volksvroomheid wil dat op aarde gesprenkelde wijwaterdruppeltjes ook de 'arme zielen in het vagevuur' helpen en de gloed van de louterende vlammen verzachten. Vreemd aan het Europese wereldbeeld is de opvatting van het hiernamaals als waterrijk, zoals die, te oordelen naar afbeeldingen op beschilderd aardewerk, vermoedelijk bij de Maya's van Yucat n (MiddenAmerika) bestond. Bij de Azteken heette het paradijs van de regengod Tlaloc 'TlalĘcan', een heel wat vrolijker oord dan de onderwereld Mictl n, waar gewone stervelingen na de dood verbleven (- hel), In de uit perioden van twintig dagen be staande kalender van de Middenamerikaanse cultuur geldt het negende dagsymbool water (Azteeks: atl; Maya: muluc) echter als symbool van de overvloedige regen. Het wordt als ongeluksteken beschouwd, met de omineuze betekenis 'ziekte, koorts'. Het vertoont een blauwige, zich vertakkende waterstroom met een zoom van golven. Het behoort ook tot de Mexicaanse hiŽroglyfe voor 'oorlog', atl-tlachinolli, vertaald als 'water/vuur', waarbij de strijd tussen die twee elementen duidelijk de spanning van deze dualiteit weergeeft.
Wijdverbreid is de verering van water dat rechtstreeks uit de aarde opwelt, als een geschenk van de onderaardse goden, vooral als het warm is of veel mineralen bevat (thermische en geneeskrachtige bronnen). Diverse grotten in de PyreneeŽn, waar in de IJstijd culten werden onderhouden, bevinden zich in de buurt van zulke bronnen.
Ook in de Oudheid werden ze vereerd; votiefgeschenken getuigen hier nog van.
Vooral bij de Kelten werden heilige bronnen vereerd, omdat het water ervan afkomstig zou zijn van de schenkende Moeder Aarde (bijv. de godin Sul van de warme bronnen in Bath, Engeland). Het gebruik, munten in bronnen en fonteinen te werpen, zal wel teruggaan op symbolische offers aan watergoden, die wensen zouden kunnen vervullen, volgens de gedachtengang water-aarde-vruchtbaarheid-geluk en rijkdom. Ook nimfen werden bij bronnen vereerd, als verpersoonlijking van goede natuurkrachten; bij de Grieken bijvoorbeeld de Najaden.
De voorstelling dat ritueel gewijd water zegen kan brengen, waarbij de reinigende en bevruchtende werking van het water in een religieuze rite vervat is, beperkt zich niet tot de katholieke eredienst, maar komt ook in culten buiten Europa voort, zoals in het parsisme. In IndonesiŽ worden in trance verkerende dansers met gewijd water bevochtigd, om ze tot de werkelijkheid terug te laten keren. Een symbolisch reinigende werking had water onder meer in de laatantieke lsis-cultus. Het christelijke doopwater moet als sacrament alle overgeŽrfde smetten afwassen en zo een 'wedergeboorte' doen plaatsvinden. In het oude Mexico bestond een soortgelijke wassing van pasgeborenen, waarbij de vroedvrouw de bede uitsprak dat het water alle kwaad dat het kind vanwege de ouders aankleefde, zou wegnemen. Ook rituele baden zijn in veel oude culturen bekend, baden die dus niet alleen als hygiŽnische handeling dienden, maar ook als symbolische reiniging.
Zo waren er de kunstmatige badvijvers in de ruÔnestad Mohendsjo-Daro uit de Indusbeschaving, de nog steeds bestaande rituele reiniging van hindoes in de Ganges, de 'lustratiebekkens' in Knossos op Kreta, reinigingsbaden aan het begin van de Eleusinische mysteriŽn en soortgelijke symbolische handelingen in laatgriekse culten l'voor de vromen is een druppel genoeg, maar zondaars kan ook de oceaan met zijn stromen niet schoonwassen').
Ook in het oude Mexico kende men symbolische reinigingsbaden; de priesterkoning van de heilige stad Tollan placht te middernacht rituele wassingen te verrichten, en de stad Tenochtitl n had drie gewijde badplaatsen. Bij het Xochiquetzal-feest (- bloemen) moest heel het volk 's morgens vroeg baden, en wie dit verzuimde, werd met huid- en geslachtsziekten gestraft. Rituele wassingen behoren in de islam tot de religieuze regels; slechts als water ontbreekt (in de woestijn) mag het door zuiver zand vervangen worden.
Een uitvoeriger uiteenzetting over desbetreffende symbolische riten zou ons te ver voeren in het domein van de al evenzeer met symboliek beladen culten ; hier wordt volstaan met het noemen van enkele oude in Europa levende voorstellingen.
Stromend water, en vooral zeewater, spoelt boze magie weg.
Om chtonische goden (aardgoden) te bezweren, moet men bronwater gebruiken; hemelse wezens roept men daarentegen met regenwater op. De dauw, die op halmen condenseert, is volgens Plinius (23-79 n.C.) 'een ware artsenij, een hemelse gave voor ogen, zweren en ingewanden'. Dauw ontstaat volgens voorstelling van de Ouden uit de stralen van de maneschijn of de tranen van Eos, de godin van de dageraad, In de christelijke symboliek is de dauw als de uit de hemel neerstromende genadegaven van God. In de alchemie werd 'ros caelestis' (hemeldauw) in doeken verzameld, zoals in het 'stomme boek' (Mutus liber) uit het jaar 1677 wordt vermeld. Het lijkt hier echter om een verhulde aanduiding van het vluchtige element mercuur (- Sulphur en Mercurius) te gaan; met name werd meidauw genoemd als met de 'zouten van de natuur bezwangerd' oplosmiddel, waarbij volksgeloof en allegorie moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.
Ook in de symboliek van de dieptepsychologie wordt veel belang gehecht aan het element water, dat niet voedt, maar wel een levensnoodzaak is en dat ook leven schenkt (kinderen komen uit plassen of bronnen in de mensenwereld) en behoudt.
Het is het grondsymbool van alle onbewuste energie, en dus ook gevaarlijk, als het (bijvoorbeeld in dromen) door overstromingen buiten zijn grenzen treedt. Het is echter een gunstig symbool, als het water (als vijver of rivier, maar ook als meer dat niet buiten zijn oevers treedt) op zijn plaats blijft en daardoor, zoals in veel sprookjes, echt 'levenswater'is.
Zie: aak: bad; bron; regen; rivier; waterwezens
waterwezens
van bovennatuurlijke aard symboliseren, in nog sterkere mate dan vissen (die ook vaak fantastische vormen aannemen), de levende natuur van het natte element, dat vooral met de 'yin'-helft, d.w,z. met de 'vrouwelijke zijde' van de kosmos, werd geassocieerd.
Voor dieptepsychologen gaat het hier om de belichaming van bepaalde 'levende' entiteiten uit de diepere, onbewuste laag van de persoonlijkheid, die meestal een vrouwelijke gedaante hebben, In de Oudindische mythologie zijn de 'Apsaras' hemelse danseressen in het gevolg van de god Indra, die in het water (meestal in lotusvijvers) huizen als ze naar de aarde afdalen.
Daar trachten ze met hun verleidingskunsten asceten van hun vergeestelijkte levenswijze af te brengen. Een aangrijpend dichtwerk van Kalidasa (rond 500 v. C. ) bezingt de liefde tussen de waternimf Urvasji en haar gemaal, koning Prur-ravas. Dergelijke motieven komen ook in Europese sagen voor, waarbij het huwelijk van mensen met waterfeeŽn (undinen of melusinen) meestal geen blijvende vervulling kan vinden. Nimfen, nixen en andere vrouwelijke watergeesten worden meestal met het bovenlijf van een mens en het onderlijf van een vis voorgesteld, en zijn dus maar ten dele de belichaming van vrouwelijke wezens. Hun verlokkingen gaan uit van hun welluidende zang en hun lange blonde haar, dat ze met een gouden kam kammen (zoals Lorelei aan de Rijn), meestal om hun bewonderaars in het verderf te storten. Veel sagen verhalen van hun verlangen, met een aardse man een echtverbintenis aan te gaan, om zo een ziel te verwerven (die ze als elementaire wezens niet bezitten). In de Europese mythologie kende men de Najaden, de NereÔden en de Sirenen, die enerzijds als schuwe bronnimfen, anderzijds als gevaarlijke en verlokkende wezens werden afgeschilderd (de Sirenen, een soort zeenimfen of zeemeerminnen, deden schepen op de kust van hun eiJand schipbreuk lijden).
ln de alchemistische beeldenwereld verbeeldt een nixe met twee vissestaarten de dualiteit van de twee oerprincipes sulfer en mercuur in opgeloste toestand.
ln de wapenkunst komen nixen voor, wanneer de stamvader van een geslacht uit het huwelijk van een undine en een aards man zou zijn voortgekomen, hetgeen volgens de sagen nooit tot een blijvende band kon leiden.
Waterman (Aquarius) is het elfde van de twaalf dierenriemtekens. Het zou een wereldtijdperk beheersen dat al begonnen is of weldra zal aanbreken, volgend op dat van de Vissen. Wie onder dit teken geboren is (21 januari-19 februari) zou eigenschappen bezitten als mysticisme, combinatie van het bewuste en het onbewuste, streven een brug te slaan naar het bovennatuurlij ke, en mobiliteit.
Zie ook: sterren; water
weegschaal,
niet alleen een symbolisch teken van de dierenriem, maar ook in het algemeen zinnebeeld van de rechtvaardigheid en van de juiste verhoudingen; in veel culturen een zinnebeeld van de rechtspraak en de aardse gerechtigheid, van Vrouwe Justitia met een blinddoek voor de ogen, die zich bij het afwegen van de schuld niet mag laten beÔnvloeden l'zonder aanzien des persoons'). Ook in het hiernamaals vindt volgens de ethische vergeldingsleer van veel godsdiensten een gericht plaats, waarbij geoordeeld wordt over de goede en slechte aardse daden. Zo weegt bij het dodengericht van de oude Egyptenaren de god Osiris het hart van de overledenen af tegen de veer van MaĄt, de godin van het recht, om over het lot van de dode te beslissen. Het afwegen van aardse daden voor een dodengericht komt men ook bij de oude Perzen en Tibetanen tegen. In Griekenland vond de lotsbedeling met een weegschaal, behalve door Justitia, ook door Nemesis en Zeus plaats.
In het christendom is de weegschaal allereerst een symbool en attribuut van de Wereldrichter aan het eind der tijden, die aan de hand daarvan beschikt of degene die voor zijn rechterstoel verschijnt aan het paradijs van de hemel of aan de eeuwige kwellingen van de hel zal worden overgeleverd. 'Een bedrieglijke weegschaal is de Here een gruwel, maar een zuivere weegsteen is Hem welgevallig' (Spreuken van Salomo, 1 1 : 1).
Meer dan een symbool was de heksenwaag te Oudewater, waar tot laat in de 18e eeuw mensen die van hekserij werden verdacht de weegproef ondergingen, om hun normale, niet 'geleviteerde' (licht gemaakte) lichaamsgewicht aan te tonen.
In de astrologie is de Weegschaal het zevende van de twaalf tekens van de dierenriem; wie onder dit teken geboren is, zou eigenschappen bezitten als matiging, 'afwegen', rechtvaardigheid, harmonie, vreedzaam en aarzelend karakter, volgens het principe 'nomen est omen' (de naam is een voorteken, is veelzeggend).
Een waterwaag is in de vrijmetselaarssymboliek het teken van de tweede opziener, om in de loge de gelijkheid zonder aanzien des persoons te waarborgen.
Zie ook: sterren
wereldas
(Lat. axis mundi), een wijdverbreid beeld van de kosmische architectuur in culturen uit de Oudheid. Daarbij wordt de eigen levenssfeer als 'middenrijk' opgevat, als centrum van de aarde, terwijl het zenit zich in de poolster bevindt, waaromheen de sterrenhemel schijnbaar draait. De denkbeeldige pijler van het hemelgewelf wordt als een spilvormige, gewonden zuil van kristallijne substantie gedacht, of statisch als een stuttende wereldberg of wereldboom. De wereldas wordt bij volken met sjamanistische trance-culten ook als verbindingsweg beschouwd, waarlangs de sjamaan de andere niveaus van het wereldbouwwerk kan bereiken, om daar met boven- en onderaardse wezens (goden, demonen) ten dienste van zijn gemeenschap te communiceren. Uitbeeldingen van de wereldas symboliseren dan ook de gedachte van de scheppingsorde en het gehuisvest zijn in een hecht samengevoegd universum. Ook de heilige paal, de menhir en de obelisk zijn oorspronkelijk uitdrukkingsvormen van dit archaÔsche wereldbeeld.
Zie ook: menhir; obelisk; omphalos; paal; tempel; vierkant; zuil
wiel,
rad een belangrijk element in de cultuurgeschiedenis, in de precolumbiaanse Nieuwe Wereld ook in hoog ontwikkelde culturen niet in gebruik, misschien op grond van een taboe (hoewel het principe ervan bekend was, zoals lemen speelgoedfiguren rond de Golf van Mexico wel bewijzen, die op schijfwielen konden rijden), in de Oude Wereld konden dank zij het wiel wagens worden gemaakt, die ook wel een cultische functie hadden.
Op prehistorische afbeeldingen zijn ze vaak van kruiselings geplaatste spaken voorzien; zo'n wielkruis werd ook wel afzonderlij k afgebeeld. Symbolisch zijn wielen met de cirkel en de vierdeling verbonden, wat ook op de cyclus van de seizoenen duidt.
Terwijl de cirkel een statisch karakter heeft, krijgt hij door spaken de symbolische waarde van draaiing en dynamiek, en dus ook van kringloop, ontstaan en vergaan, afwezigheid van plaatsgebondenheid. Wielen en ook wielkruisen zijn dikwijls het symbool van de zon die over de hemel 'rolt', zoals bijvoorbeeld te zien is in het gebruik, bij de zonnewende brandende wielen van hellingen af te rollen. In ruimere zin wordt het wiel dan tot symbool van de hele kosmos en zijn cyclische ontwikkeling, soms ook van de scheppergod zelf, die als een 'perpetuum mobile' ervaren wordt. In Aziatische culturen duidt het wiel op de kringloop van de wedergeboorte, in het boeddhisme op het 'rad van de leer' dat verlost uit de lijdensweg van de kringloop van bestaansvormen.
Daarnaast heeft het betekenis als kosmisch ordeningssymbool, waaraan ook stedebouwkundige structuren ontleend worden. 'lran is het klassieke land van de 'radstad' met mathematisch precieze cirkelomtrek ... conform het lraanse wereldbeeld van de uitgespreide, ronde, vastomgrensde aarde, die uit zes karsjvars (sectoren) bestaat rondom een centrale zevende karsjvar, als "stralend, klinkend rad".
Naaf, spaken en velg bezitten ook de lraanse metropolen,' schrijft W. Muller, die de Oudiraanse 'cirkelsteden' beschrijft (1961). Ook in het oude Ceylon (Sri Lanka) vindt men sporen van een 'radkeizerschap', evenals in brahmaanse, jaÔnistische en boeddhistische literatuur.
'Slechts die heerser stijgt tot de radkeizer op, die de heilige wandel wandelt en aan wie het hemelse radjuweel verschijnt.
Deze chakravartin bewoont een eerste aanwijzing voor de hierin schuilende kosmologische structuren - een zevenvoudig omgorde burcht, waarvan de muren met zeven soorten edelstenen zijn bezet en waarvan de vier poorten stralen van goud, zilver, beril en kristal ...
Als de nieuwe koning de heilige wandel wandelde en de zedelijke geboden naleefde, steeg het rad met zijn duizend spaken, met velg en naaf (nadat het bij de dood van zijn voorganger verdwenen was) weer op en rolde naar het oosten.' De koning volgde het en onderwierp vervolgens de gebieden in alle hemelstreken. 'Zo had nu dit radjuweel de door de oceaan omspoelde aarde op zijn zegetocht overmeesterd en keerde daarna weer naar de koningsburcht terug' (W. Muller, 1961). Muller vergelijkt het staatskleinood met de radbroche van de Ierse koningen (een soortgelijk sieraad, eveneens door een gekroond hoofd aan zijn opvolger nagelaten).
In het esoterisme kent men de zeven chakra's (letterlijk wielen, raderen) die als energiecentra in de mens aanwezig zijn, en waarlangs de vitale energie, voorgesteld als de Kundalinislang, omhoogstij gt bij de spirituele rijping.
In het Oude Testament verschijnen er in het boek DaniŽl raderen van laaiend vuur rond de troon van God, en in het visioen van EzechiŽl is er sprake van raderen vol ogen (1:4 v.v.), die tegelijk stilstaan en draaien (alwetendheid, dynamische kracht). In de middeleeuwse kunst wordt vaak het 'levensrad' voorgesteld, dat mensen opheft en weer laat zakken, of het wentelende 'rad van fortuin', dat nooit stilstaat en de wisselvalligheid van het leven symboliseert; het is het rad waar Fortuna op staat (zij wordt vaker staand op een bal afgebeeld). Radvormig worden ook de dierenriem en de kringloop der seizoenen voorgesteld, In de Oudheid zei Anacreon (580-495 .C.) al over de onbestendigheid van het lot: ''s Mensen leven rolt onbestendig als de spaken van een wagenwiel,' waarbij het wiel echter ook voor vereffenende rechtvaardigheid zorgt.
Omdat de engelenrang van de cherubs (volgens andere oude teksten die van de 'tronen') in de vorm van vurige vleugelraderen voorgesteld werd, staat bij het gesloten paradijs in plaats van de wakende engel vaak een rad afgebeeld. Het radkruis in christelijke zin stelt de heerschappij van Christus op de aardbol voor. Zulke tekens komen ook als rotstekening voor, en zijn dus niet per se van prehistorische oorsprong. In het rad- of roosvenster (Lat, rota = rad) van middeleeuwse kathedralen is in het midden vaak het beeld van Christus te zien, als zinnebeeld van de overheersende rol van de Verlosser in het middelpunt van Gods tijdplan.
Zulke roosvensters doen denken aan het Indische meditatiehulpmiddel, de mandala, die het centreren van de persoonlijkheid rond de onbewuste goddelijke wezenskern van de ziel moet vergemakkelijken.
Oude lerse grafkruisen verbinden het element van het kruis met dat van het rad of de cirkel, zoals bij de traditionele radkruisvorm, maar hier doorbreken de kruisbalken de cirkel, waardoor ze in zekere zin het kruis in betekenis boven de aardbol stellen. Als heiligenattribuut komt het rad met name op afbeeldingen van de Heilige Catharina voor.
De tiende kaart in het tarotspel van de 'Grote Arcana' (troef, heeft als symbool het rad van fortuin, dat duidt op de ups en downs van het leven, het lot en de onvermijdelijkheid.
Zie ook: cirkel; wagen
wierook,
symbool van de bovenaardse 'geur van heiligheid' (Hebr. lebonah; Gr. libanos; Lat, tus). Het gaat om de hars van de heester Boswellia carteri, die in de Oudheid uit ZuidArabiŽ werd geÔmporteerd, maar die ook in India en OostAfrika gewonnen kan worden.
ln het oosten werd wierook ritueel gebruikt bij offers en het afweren van demonen, in Egypte in de dodencultus, evenals in BabyloniŽ en PerziŽ en op Kreta, In Griekenland werden er sinds de 7e eeuw v.C. met name in mysterieculten wierookoffers gebracht. In Rome speelde wierook een rol bij dodenplechtigheden en in de keizercultus; wierook werd daarom oorspronkelijk door de christenen afgewezen, maar is sinds de 4e eeuw ook hier in de liturgie opgenomen. Ook in het profane leven was het welriekende reukwerk in trek. De opstijgende rook gold als symbool van de ten hemel opgaande ziel of van het tot God opstijgende gebed.
Bij de joden was het alleen aan God toekomende wierookoffer symbool van de aanbidding, dat ook diende tot verzoening van de vertoornde God. De drie koningen brachten de pasgeboren Jezus wierook uit het morgenland; in de Openbaring van Johannes (5:8) hebben de vierentwintig oudsten 'gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de gebeden der heiligen'. 'Door de wijding vooraf van de wierook wordt deze tot sacramentale, dat ook een lustratieve (reinigende) werking heeft. Het kruisgewijs zwaaien van een thuribulum (wierookvat) verwijst naar het kruisoffer, het rondzwaaien moet de heilige gaven als God toebehorend afzonderen' (Lurker 1987). De wierookvaten waren vaak versierd met reliŽfs van de feniks of van de 'drie jongelingen in de vuuroven', wier lofliederen te midden van het vuur met de wierookwolken werden vergeleken.
Wierookvaten werden als attribuut afgebeeld in handen van grote priesterfiguren uit het Oude Testament (Melchisedek, Aaron, SamuŽl), van de heiligen Stefanus, Laurentius en Vincentius en van de heilige boetelinge Pelagia.
Het bewieroken van lijken bij begrafenissen heeft als praktisch nut dat het de geur van ontbinding intoomt, maar is later ook tot symbool van de ziel geworden (opstijgende rookwolken).
Bij de Maya's van Midden Amerika werden er reukoffers gebracht van verbrande hars van de kopalboom (Pom; Protium copal). Harskorrels lieten hun geur 'tot midden in de hemel stijgen', en wierook werd ook wel als 'hersenen van de hemel' aangeduid. De wierookvaten waren naar een god Yum Kak (heer van het vuur) genoemd.
In Oost-AziŽ kent men wierook (Chinees: hsiang) uit geurend sandelhout, dat vroeger in schalen werd verbrand, terwijl tegenwoordig staafjes gebruikt worden, meestal van Indische herkomst. De afvallende as werd wel verzameld en als preventief middel tegen ziekten geslikt. Dit reukwerk werd vermoedelijk met de verbreiding van het boeddhisme in OostAziŽ bekend en is sinds die tijd alom in gebruik.
In de Europese rituele magie, waarbij kosmische geesten, zoals die van planeten, ritueel bezworen werden, speelde allerlei reukwerk een grote rol, vermoedelijk aanknopend bij de culten van laatantieke mysteriesekten. Ook narcotica gingen daarbij wel in rook op, om visionaire ervaringen op te roepen; in geschriften is onder meer sprake van aloā, wierook, mirre, paradijshout, sandel en mastiek.
Ook in de geneeskunde wordt beroking (fumigatie) wel toegepast, om miasma's (kwalijke uitwasemingen) te verdrijven.

wijn
heeft in de traditionele symboliek maar zelden iets met de bedwelmende roes te maken, maar is, omdat hij doorgaans met water wordt aangelengd, een waarlijk 'geestrijke' drank, een van vitaal vuur vervulde vloeistof. De in diverse culturen bestaande zede van overmatig wijngebruik was verankerd in de cultus van de god van de extase (Dionysus/Bacchus), met wie men ťťn wilde worden.
Wijn zou elke betovering verbreken, leugens ontmaskeren ('in vino veritas') en ook door gestorvenen kunnen worden genuttigd, als men hem als drankoffer (libatie) op de aarde goot en liet wegsijpelen. Als 'druivenbloed' werd wijn dikwijls in nauwe symbolische sarnenhang met bloed gezien, en niet alleen in het christelijke sacrament.
Zo kon het genoemde drankoffer voor de doden ook het bloedoffer vervangen
. De wijnbouw is in het oosten al zeer oud en gaat in Egypte minstens tot 3000 v.C. terug (de wijnstok heette hier 'erpi', en blauwe druiven werden als 'ogen van Horus' aangeduid). Bij feesten mocht wijn niet ontbreken (vgl. het eerste wonder van Jezus bij de 'bruiloft te Kana', de verandering van water in wijn), In de middeleeuwse symboliek vindt men vaak de gelijkenis volgens welke Christus de wijnstok is, terwijl zijn discipelen de druiven voorstellen. Kruis en levensboom worden niet zelden als wijnstok voorgesteld, en de wijnoogst is een symbool van het wereldgericht aan het eind der tijden.
Negatief wordt het overmatig genot van wijn alleen afgeschilderd met betrekking tot de roes van Noach, waarbij de oneerbiedige houding van zijn zoon Cham als prefiguratie gold van de houding van de soldaten, die Jezus op de Olijfberg gevangennamen, In het middeleeuwse romanboek 'Gesta Romanorum' (ca. 1300) leest men 'dat Noach de wilde wijnstok vond, die men labrusca (wingerd) - naar de bermen (labra) langs akkers en wegen - noemde. Daar deze wijn nu zuur was, nam hij het bloed van vier dieren, te weten een leeuw, een lam, een zwijn en een aap, vermengde dit met aarde en maakte er zo mest van, die hij aan de wortels van de wilde wingerd legde. Zo werd de wijn door dit bloed gezoet ...
Door de wijn zijn veel mensen tot leeuwen geworden, vanwege hun toorn, en hebben dan hun bezinning verloren. Sommigen worden van schaamte tot lammeren, anderen worden tot apen, wegens hun nieuwsgierigheid en onbetamelijke vrolijkheid'. Over de 'zwijnse' gevolgen van de roes zwijgt de tekst, omdat die blijkbaar bekend werden verondersteld.
Misbruik van wijn trekt de invloed ervan weliswaar in het negatieve, maar de kracht die erin huist is toch een groot mysterie.
'Koren en wijn groeien door een geheime kiemkracht (viriditas, 'groenheid' - het in de esoterische literatuur sinds E. Bulwer-Lytton, 1871 , gebezigde woord 'vril' zal hier wel van afgeleid zijn), die de mens niet kan zien.' Deze kracht is ook werkzaam als bij het sacrament brood en wijn in het vlees en bloed van Jezus Christus veranderen. 'Zo is de wijn het nieuwe sap van de aarde, een sap waar dood en leven in is' (Schipperges 1957), In de islam bestaat een ambivalente houding tegenover de wijn. Legenden verhalen dat de aartsengel Djibril (GabriŽl), die Adam en zijn niet met name genoemde vrouw uit de hof van het paradijs voerde, medelijden had met de verstotenen en ze een wijnrank gaf uit de voortaan gesloten tuin. Volgens een andere versie zou zijn staf de medelijdende tranen hebben opgevangen en daarna opgeschoten zijn; de vruchten ervan zouden als engelentranen zijn geweest, rond en zoet. Maar lblis, de duivel, zou dit gewas onheil hebben toegewenst, waardoor de wijn weliswaar van oorsprong een engelengave was, maar geen zegen bracht. Ook nu nog is het de gelovigen verboden wijn te nuttigen, maar in het paradijs drinken de uitverkorenen 'de wijn, die met muskus vergezeld is en die ieders begeerte opwekt, en allen erom doet roepen. En de wijn zal vermengd zijn met het water van de bron Tasrnin, waaruit zij die Allah na staan, zijn vrienden, drinken.' Ook in een paradijsbeek stroomt 'wijn, die degenen die ervan drinken kostelijk smaakt, maar die niet dronken maakt'.
In de dieptepsychologische droomsymboliek zegt, volgens E. Aeppli, de aanwezigheid van wijn iets over de confrontatie met een psychisch aspect van de persoonlijkheid, maar niet over 'alcohol' in de ware zin.
In Oost-AziŽ (Japan) komt onze wijn overeen met de rijstwijn saki, eigenlijk een soort bier met hoog alcoholgehalte (12 tot 16To). Het is een rituele drank bij bruiloften en op nieuwjaar, die ook als symbool van de bezegeling van verdragen uit roodgelakte houten kommetjes wordt gedronken.
Zie ook: Bacchus
wilg.
Terwijl de betekenis van veel symbolen in de Oudheid van Europa en Oost-AziŽ overeenkomst vertoonde, liepen de opvattingen over de wilg sterk uiteen, In mediterrane landen heerste de opvatting dat de wilg zijn zaad afwerpt nog voor dit rijp is, en derhalve geslachtelijk onvruchtbaar is; dit symbool van de kuisheid vormde dus een ideale basis voor onthoudingsmiddelen. Omdat men steeds weer groene wilgeteentjes kan afsnijden, als was het een onuitputtelijke bron, werd de wilg wel met de bijbel vergeleken, de bron der wijsheid. Origenes (185-254 n.C.) stelde allen die de 'wilgetakken van hun kuisheid' ongeschonden bewaard hadden, het 'oogstfeest van de eeuwigheid' in het vooruitzicht.
In de Middeleeuwen en later gold de wilg als een boom, waarin men ziektestoffen (speeksel van zieken) kwijt kon, om zieken daardoor te genezen.
Wilgekatjes hielden verband met Palmzondag (als men ze op die dag at, was men gevrijwaard van ziekten); in het algemeen weerden ze kwaad (met name de bliksem) af. De treurwilg gold wegens zijn 'weemoedig' neerhangende takken als doodssymbool en werd op kerkhoven geplant. Over de rol van de wilg in de cultus van Asclepius, de god van de geneeskunde, spreken de antieke schrijvers elkaar tegen, In Athene bestond het gebruik, bij de Thesmophoria (vruchtbaarheidsfeest ter ere van Demeter) wilgetakken in het bed van vrouwen te leggen, naar men zegt om slangen op afstand te houden (of veeleer om vruchtbaarheidsdemonen in slangengedaante aan te lokken?). De priesters van Asclepius zullen zich dikwijls met de genezing van steriliteit hebben beziggehouden, In ieder geval gold een aftreksel van wilgebast als belangrijk geneesmiddel tegen reumatiek.
ln het oude China was de wilg uitsluitend een erotisch voorjaarssymbool.
Courtisanes werden 'bloemen en wilgen' genoemd. De vrouwelijke taille heette 'wilgeboom', de wenkbrauwen van mooie vrouwen werden met de sierlijke lijn van wilgeblaadjes vergeleken, het schaamhaar met de 'diepe wilgeschaduw'. Een jong meisje werd 'tere wilg, frisse bloem' genoemd. Wilgetakken golden voorts als middel om demonen af te weren. Bij het afscheid van naar de provincie overgeplaatse ambtenaren werden door vrienden ook wilgetakken ten geschenke gegeven.
Zie ook: boom; doodssymbolen
wind
is in de symboliek niet louter bewegende lucht, maar een bovennatuurlijke manifestatie van de wil van de goden. Hierbij wordt enerzijds gedoeld op de wisselvalligheid van de wind, anderzijds op de voelbare werking ervan, ondanks zijn onzichtbaarheid, In streken waar lokale winden met een bepaalde richting voorkomen, bijv. de bora en de sirocco, is een personificatie gemakkelijk voor te stellen, zoals in het oude Grie kenland: Boreas, de gure noordenwind, ontvoerde de Atheense koningsdochter Orithyia en nam haar mee naar ThraciŽ, waar hij huisde; Zefier (Zephyrus), de milde westenwind, voerde Psyche, de geliefde van Eros, mee naar zijn paleis. De zuidenwind (Notus) en de oostenwind (Eurus) kregen minder aandacht. Ze werden meestal gevleugeld voorgesteld, Boreas met voeten van slangelijven.
In het oude China werd de wind (feng) in de grijze oudheid als vogelgod vereerd, wellicht als een oervorm van de feniks. Ook hier werden de winden naar de hemelstreken onderscheiden en benoemd. 'Feng-sjoei' is de wetenschap van 'wind en water', de geomantische bepaling van de plaats waar men gaat bouwen volgens de natuurlijke gesteldheid. Feng heeft ook de overdrachtelijke betekenis van liefkozen en van gerucht. Een waarzegger wordt als 'windspiegel' aangeduid.
In het oude PerziŽ en in de islam heeft de wind de functie van ordeningsprincipe in het kosmische wereldplan, In het oude Egypte komt de verkoelende wind uit de keel van de god Amon, en de naam van de Soemerische god Enlil van luchtrijk en aarde betekent 'heer windzuchtje', In de op oude Syrische voorstellingen gebaseerde teksten van Philo van Byblos (ca. 60-140 n.C.) zweeft in de oertijd de 'donkere wind, die met zichzelf paart' over de chaos. In het oude Mexico wordt de wind (ehecatl) met de god Quetzalco tl geassocieerd, die in deze hoedanigheid een snavelvormig masker voor het gezicht draagt.
Het indrukwekkendst is de symboliek van de wind in de bijbel, waar het woord ruach (grammaticaal vrouwelijk) zowel geest als adem betekent, In den beginne zweefde de Geest Gods over de wateren. Van poŽtische allure is de schildering van de openbaring Gods in het eerste boek der Koningen, zoals de profeet Elia die ervoer: 'En zie, toen de Here juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de Here uitging, In de wind was de Here niet. En na de wind een aardbeving, In de aardbeving was de Here niet.
En na de aardbeving een vuur.
In het vuur was de Here niet.
En na het vuur het suizen van een zachte koelte.
Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan.
En zie, er kwam tot hem een stem, die sprak:
Wat doet gij hier, Elia?' (19:11-13).
De krachtige en angstwekkende manifestaties van natuurkrachten in het gebergte Gods, Horeb, zijn slechts de voorboden van God, wiens wezen zich pas in de zachte koelte openbaart. Er zijn talrijke soortgelijke bijbelplaatsen, waar 'storm' meestal duidelijk onderscheiden wordt van Gods 'adem'. Zo staat ook in het Nieuwe Testament: 'De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zē is een ieder, die uit de Geest geboren is' (Johannes 3 :7,8).
En zo leest men ook in de joodse sage: 'Twee dingen zijn er, die niet geschapen zijn, de wind en het water. Die waren er vanaf het begin, zoals ook gezegd wordt:
de wind des Heren zweefde over de wateren. God is enig, en er is geen tweede naast hem, en zo is ook de wind ... Gij kunt hem niet vatten, niet slaan, noch verbranden, noch wegwerpen . . .
Heel de wereld is vervuld van de wind, de wind alleen draagt de wereld; hij is het hoogste, hij was aan het begin van alle dingen.' Het Griekse woord 'pneuma' betekent zowel adem, wind als geest; het aanblazen van de dopeling bij de dooprite symboliseert het ingeven van de levensadem aan Adam. De vier winden van de windroos in de Oudheid worden in de Openbaring van Johannes (7:1-3) door vier engelen vastgehouden. Op een houtsnede van Durer worden ze door gevleugelde, blazende engelenhoofden gesymboliseerd.
Uitdrukkingen houden vaak verband met de onbestendigheid en het omlopen van de wind (de huik naar de wind hangen; de wind waait uit een andere hoek; er waait een frisse wind; met alle winden meedraaien), of putten uit de symboliek van zeevarenden (iemand de wind uit de zeilen nemen; de wind in de zeilen hebben).
Zie ook: storm
winkelhaak,
net als de passer een teken- en bouwkundig werktuig met daarvan afgeleide symbolische betekenis, voorgesteld als attribuut van de apostel Thomas (schutspatroon van de architecten). In de symboliek van de vrijmetselarij neemt hij nog een belangrijke plaats in, mede in verband met de gedachtenassociatie van rechte hoek en rechtvaardigheid. De Meester draagt als ambtsteken een winkelhaak op de borst. Deze wordt ook vaak met peillood en passer (als tekens van de twee opzieners) als embleem gebruikt; samen vormen ze de drie beweeglijke kleinodiŽn (de onbeweeglij ke zijn de ruwe steen, d.w.z, de leerling, de behouwen steen, d.w.z. de gezel, en het tekenbord, d,w,z. de meester). Een winkelhaak waarvan de lengten van de benen zich verhouden als 3 :4 doet denken aan de stelling van Pythagoras, omdat men hiermee een driehoek kan construeren waarvan de zijden zich verhouden als 3 :4: 5. Volgens J. Baurnj"pl (1793) stelt de winkelhaak 'Gods liefde en de naastenliefde' voor; de Meester dient ermee uitgerust te zijn, en de broeders worden erdoor opgewekt tot alle menselijkerwijs mogelijke deugden.
Ook in het oude China was de winkelhaak een belangrijk symbool, en wel in verband met de mythische geleerde Foe-hsi, die de 1 Tjing zou hebben geconcipieerd. Hij wordt voorgesteld met slangvormig onderlijf en een winkelhaak in de hand, wat als symbool van het opbouwen, dan wel van de heiligende toverkrachten geÔnterpreteerd wordt.
Zie ook: passer; peillood; vrijmetselaarssymbolen
wit
kan men opvatten als 'nog geen kleur' of als vermenging van alle kleuren van het lichtspectrum, als symbool van de nog ongerepte en onbeÔnvloede onschuld van het paradij s uit de oertijd of als einddoel van de gelouterde mens, die weer in deze staat is teruggebracht.
Witte of in het algemeen ongeverfde gewaden vormen in veel culturen de priesterlijke dracht, als symbool van reinheid en waarheid. Nieuwgedoopte christenen droegen witte kleren, en zo worden ook de zielen van de rechtvaardigen bij het wereldgericht voorgesteld. De witte toga van de paus symboliseert de hemelse heerlijkheid; Pythagoras beval de zangers van gewijde hymnen al aan, witte gewaden te dragen. Witte offerdieren waren voor hemelse godheden bestemd, zwarte voor die van de onderwereld. De Heilige Geest wordt als witte duif voorgesteld. Wit heeft echter ook negatieve symbolische aspecten, in de eerste plaats wegens het 'verbleken' dat het sterven voorstelt. In dromen is het 'witte paard vaak met de ervaring, het voorgevoel van de dood verbonden. De "schimmelberijder" duikt op, waar de dood loert' (Aeppli). Spoken worden in veel culturen als witte gedaanten (denk bijv. aan 'witte wieven') of schimmen gezien.
ln de traditionele Chinese symboliek is wit de kleur van de ouderdom, de herfst, het westen en het ongeluk, maar ook van de maagdelijkheid en de reinheid (een geheim genootschap dat zuiverder zeden voorstond, noemde zich 'Witte Lotus').
Wit is in China ook de kleur van de rouw (in veel Aziatische en Afrikaanse culturen is dit het geval), maar daarmee wordt ei genlijk de 'kleurloosheid' van ongeverfde rouwkleding bedoeld.
In de alchemie is de opheldering of witting (albedo) een teken dat de oermaterie na de zwarting (nigredo) op weg is naar de Steen der Wijzen.
Zie ook: kleurensymboliek; lelie; maagd; zwart
wolf,
een roofdier dat tot in de nieuwere tijd in Midden-Europa gevaar sticht; het is dan ook niet verwonderlijk dat de wolf in sprookjes een grote rol speelt als boosdoener in dierengedaante, en dat er in wolven veranderde bloeddorstige mensen (weerwolf, eigenlijk 'manwolf') opduiken, In de Germaanse mythologie wordt de reusachtige wolf Fenris door de goden geboeid, maar bij de godenschemering weet hij zijn ketenen te verbreken, doodt Odin, maar vindt zelf ook de dood.
In de Oudheid gold de wolf als 'spookdier', wiens aanblik sprakeloos maakte.
Herodotus en Plinius verhalen dat de leden van de Scythische volksstam van de Neuroi eenmaal per jaar in wolven veranderden en daarna weer een mensengedaante aannamen. Daarin school wellicht de herinnering aan een wolfstotem van de stam; ook Djengiz Khan beroemde zich erop dat hij afstamde van een blauwgroene, door de hoge hemel (tenggri) verwekte 'uitverkoren wolf'.
Bij de Romeinen kon het verschijnen van een wolf voor de slag als symbool van de komende zege gelden, omdat hij aan de oorlogsgod Mars was toegewijd. De Spartanen vreesden echter voor de slag bij Leuctra (371 v.C.) voor een nederlaag, toen er wolven in het veld opdoken. Hoewel de wolf, omdat hij 'in de nacht' ziet, wel als symbool van de morgenzon wordt opgevat (vgl. Apollo Lycaeus, 'wolfsafweerder' en tevens 'lichtende'), staat hij doorgaans in een kwade reuk als vertegenwoordiger van wilde en duivelse machten. Zo belichaamde hij in het oude China ook de gulzigheid en de wreedheid; een 'wolvenblik' duidt wantrouwen aan en vrees voor het in roedels levende roofdier. Slechts bij de Turkse steppevolken wordt de wolf, zoals gezegd, als stamtotem opgevat; ze voerden banieren en standaarden met een wolfskop.
Daartegenover staan sagen waarin wolvinnen kinderen zogen en grootbrengen (onder meer volgens een mythe in het Noordchinese Ordos-steppegebied). Het gevreesde roofdier kan dus ook als machtige beschermer van hulpeloze schepsels optreden, al overheerst in zijn ambivalente status de angst voor de 'boze wolf', In de christelijke beeldenwereld komt de wolf vooral als zinnebeeld van de Boze voor, die een bedreiging vormt voor de kudde der gelovigen (- lam). Slechts heiligen bezitten de gave, met liefdevolle overtuigingskracht de wildheid van het verscheurende dier in 'vroomheid' te veranderen - bijv. Franciscus van Assisi, Wilhelmus van Vercelli (die een wolf zadelde), Hervā en Philibert van Jumiäges. De Heilige Simpert van Augsburg zou een kind uit de muil van een wolf hebben gered en het dier hebben gedwongen, het bij zijn moeder terug te brengen. Dat sommige heiligen, zoals Wolfgang en Lupus, een wolf als attribuut hebben, is niet meer dan een toespeling op hun naam. De 'muil van de hel' wordt wel als die van een draak of van een reusachtige wolf voorgesteld.
In de vroegchristelijke tekst 'Physiologus' is de wolf 'een sluw en boosaardig dier', dat tegenover mensen lamheid voorwendt, om ze daarna te bespringen. 'De Heilige Basilius zei: Zo zijn ook de sluwe en achterbakse mensen. Als ze goede mensen tegenkomen, doen ze alsof ze heel onschuldig leven en niets kwaads in de zin hebben, maar hun hart is vol bitterheid en list.' Een 'wolf in schaapskleren' is een symbool van valse profeten, die er op uit zijn 'de eenvoudigen te verderven'.
De wreedheid en de macht van het dier komen ook tot uitdrukking in de zegswij zen 'homo homini lupus' (de mens is de mens een wo1f en 'huilen met de wolven in het bos' (zich aanpassen aan de meerderheid of de machtigsten).
ln de alchemistische beeldenwereld is sprake van de 'lupus metallorum' (de wolf der metalen), die de leeuw (het goud) verslindt om hem te 'verlossen'.
Het zou om een zuiveringsprocādā voor verontreinigd goud gaan, met behulp van antimoon; antimoon is de 'grijze wolf' in het alchemistische laboratorium.
Dat heksen dikwijls op wolven rijden of in wolven veranderen, is op de gedachtenassociatie wolf-duivel terug te voeren.
De wolf als symbool van valsheid en arglist is terug te vinden in de fabel van de wolf die voor de schapen preekt en in de fabel van de wolf en de kraanvogel (de kraan haalt een klemzittend botje uit de keel van de wolf, maar zijn enige loon is, dat hem de kop niet wordt afgebeten: 'Zo zijn ook de ondankbare rijken, die van de arbeid van de armen leven').
ln de symboliek van de psychologie bestaat de opvatting, dat de gevaarlijke roedeldieren als 'steppewolven' de cultuurgrond van de ziel kunnen binnenvallen en dat de mens, die ze in een droom tegenkomt, krachtige vreemde energieŽn dient te kanaliseren, wat slechts door ontlading van grote spanningen mogelijk is. Terwijl de psychoanalyse van Freud de gedurende lange tijd behandelde 'Wolfsmann' daar niet geheel van kon bevrijden, ziet de school van C.G. Jung het beeld van de wolf in het algemeen als teken van bedreiging door ongetemde krachten, die even 'intelligent' als compromisloos optreden; tevens wordt er echter op gewezen, dat in sprookjes een verstandig kind of een stel geitjes dit 'verscheurende onbewuste' te slim af kunnen zijn, en dat grote jagers het zeker de baas kunnen.
ln de moderne ethologie is overigens allang aangetoond, dat de wolf zij n slechte reputatie zeker niet ten volle verdient, maar tot 'coŽxistentie' met de mens kan worden gebracht, die dan als 'alfa-dier' (leider van de roedel) fungeert.
ln middeleeuwse bestiaria (dierenboeken) is de wolf echter een duivels wezen; de ogen van de wolvin lichten 's nachts op als lantaarns, die de mens van zijn zinnen beroven. Ook de duivel berooft de mens van de kracht te roepen (bidden), en zijn ogen stralen helder, 'omdat veel werken van de duivel blinde en dwaze mensen schoon en heilzaam toeschijnen' (Unterkircher).
Regelmatig duiken er berichten op over 'wolfskinderen', vondelingen die door wolven zijn grootgebracht. Dergelijke verhalen zijn niet alleen in India (vgl. Kiplings 'Jungleboek'), maar ook in de Europese folklore bekend, en zijn wellicht geÔnspireerd op de Romeinse sage van Romulus en Remus, die door een wolvin gezoogd werden.
Zie ook: beer; hond; vos
wolken
fungeren in het avondland als symbool van de verhulling, bijv, van de top van de berg waarop de goden zetelen.
Als een wolkkolom ging God in het boek Exodus (13:21) voor de lsraŽlieten uit bij hun uittocht uit Egypte, en in een wolk voer Christus ten hemel (Handelingen 1:9), maar aan het einde der tijden zal de mensheid hem 'zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid' (Lucas 21:27). De troon van God wordt wel, bijv. bij het Laatste Oordeel, voorgesteld als door wolken gevormd, In de islam is de wolk een symbool van de ondoorgrondelijkheid van Allah.
ln de natuurgodsdiensten worden wolken algemeen als brengers van regen en daarmee van vruchtbaarheid beschouwd, die bijv. door bliksemschichten moeten worden getroffen om het erin opgeslagen water te kunnen lozen. Een Oudmexicaanse godheid draagt de naam 'wolkenslang' (Mixcoŗtl).
ln het oude China schonk men veel aandacht aan de wolken (yuun), vooral aan 'vijfkleurige', die als gelukswolken en als vredessymbool werden beschouwd. Ze zouden ontstaan uit de vereniging van de oerprincipes yin en yang in het verre westen. In de beeldende kunst worden ze hetzij spiraalvormig, hetzij veeleer realistisch als cumuluswolken voor gesteld. Vruchtbaarheidssymboliek en klankovereenkomst met de (mannelijke) berg, waaromheen de wolken zich samenpakken om als regenwater neer te vallen, leidden tot de poŽtische omschrijving 'wolk-regenspel' in erotische romans, waarmee de geslachtsgemeenschap werd aangeduid (yuun-yu). Gekruld vrouwenhaar werd als 'geurige wolk' omschreven.
Zie ook: nevel
woud,
anders dan afzonderlijke bomen een wijdverbreid symbool van een wereld, die als 'buitenwereld' tegenover de microkosmos van het ontgonnen land staat, In sprookjes en sagen wordt het door geheimzinnige meestal bedreigende wezens bewoond (heksen, draken, reuzen, dwergen, leeuwen, beren enz.), die alle gevaren belichamen, die de jonge mens het hoofd moet bieden, wil hij in de loop van zijn initiatie tot verantwoordelijk mens rijpen; een beeld dat teruggaat op tijden dat uitgestrekte landstreken met bos bedekt waren en terwille van de landbouw ontgonnen moesten worden. In dromen duidt het 'donkere woud' op een fase van gedesoriŽnteerdheid, het gebied van het onbewuste, dat de bewuste mens slechts aarzelend betreedt. Het licht, dat men in sprookjes tussen de stammen door ziet schemeren, vertegenwoordigt de hoop op een veilig oord. Het woud zelf, als wilde, ongeordende natuur, wordt als bedreigend ervaren, in de verbeelding bewoond door wilden, bosmannetjes enz., maar ook door feeŽn, die misschien van dienst kunnen zijn. Anderzijds kan het woud voor de vergeestelijkte mens een plaats van afzondering uit de jachtige wereld zijn.
Kluizenaars vrezen zijn gevaren niet, en worden door hogere machten beschermd.
In de dieptepsychologie wordt het woud dikwijls opgevat als symbool van het vrouwelijke, dat de jonge man onbehagen inboezemt en dat hij eerst moet ontdekken, In het algemeen heerst er in deze zin 'de groene, nu eens oplichtende, dan weer duistere schemering van het onbewuste, van buiten niet zichtbare leven'; het bos als droomsymbool herbergt 'allerlei - onschuldige of gevaarlijke - wezens, en hier kan men alles aantreffen, wat misschien ooit helder aan de dag kan treden in ons psychische cultuurlandschap' (Aeppli). Rovers zijn in deze belevingswereld personificaties van een 'primitief maar gevaarlijk aspect van ons wezen, dat immers niet onverdeeld goed is'. Zie ook: boom; bos