Maçonnieke encyclopedie

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !

Gevaarlijke infiltraties?
Politie in de Tempel.
Toenemende druk.
Ook Belgische risico's?
Het onmededeelbare geheim.
HOOFDSTUK XI, DE KINDEREN VAN HIRAM
Het verhaal van Hiram.
De mythe en de betekenis ervan.
De kandidaat.
De initiatie tot leerling-vrijmetselaar.
Gezel, de tweede stap.
Het decor.
Wie kan vrijmetselaar worden?
Een verdeelde familie.
Broedertwisten.
De broederschap in de werkplaats.
De doelstellingen.


Gevaarlijke infiltraties?
Journalist Stephen Knight (1952-1985) publiceerde in 1983 het boven al geciteerde boek "The Brotherhood, the secret world of the freemasons". Het werd een bestseller, gaf aanleiding tot talrijke controverses in pers en televisie en werd door "United Grand Lodge", na twee jaar verveeld stilzwijgen, veroordeeld als "een zogenaamd ernstige en onpartijdige studie, gekenmerkt door grove vergissingen, geruchten, insinuaties, veronderstellingen en een samenzweringstheorie". Het boek had alvast tot gevolg dat "Grand Lodge" een decennialang stilzwijgen verbrak en zelfs haar imagovorming bij de "profane" wereld ging toevertrouwen aan een public relations-firma.
In 1989 verscheen een vervolg op "The Brotherhood". Na het vroegtijdige verdwijnen van Stephen Knight, gestorven aan een hersentumor, werkte journalist Martin Short het af onder de titel "Inside the brotherhood, further secrets of the freemasons". Het boek diende tevens als basis voor een TV-serie die door ITV werd uitgezonden.
Beide auteurs hebben in hoofdzaak willen aantonen dat de vrijmetselarij, waarvan ze de eerbaarheid als organisatie niet in twijfel trekken, onvoldoende beschut is en zichzelf onvoldoende wapent tegen infiltratie van oneerlijke tot zelfs criminele personen.

De twee boeken behoren tot het erg gegeerde genre van de "investigative journalism", knap geschreven, suggestief en met veel "facts and figures". Bij eerste lezing geven ze een overtuigende indruk, die wel aanzienlijk afneemt bij aandachtiger lectuur.
We kunnen ons voorstellen, dat in nogal wat Britse kleine en middelgrote steden de sociale controle die kan uitgaan van een hierarchisch gestructureerde en discreet zoniet geheim opererende organisatie, waarvan een aanzienlijk deel van de mannelijke beroepsbevolking deel uitmaakt, niet onderschat moet worden. Dat zich onder de leden ook enkele zwarte schapen bevinden, is waarschijnlijk, ja zelfs onvermijdelijk. De twee Britse auteurs hebben de aanwezigheid van de vrijmetselarij in een aantal invloedrijke beroepen onderzocht: de magistratuur, de advocatuur, de financiele wereld, het medisch corps, het parlement en de lokale besturen.
Ze hebben hierbij vooral talrijke vraagtekens geplaatst, maar veel harde bewijzen van mogelijke invloedentrafiek of corruptie hebben ze eigenlijk niet geproduceerd. Enkele gevallen van duidelijke corruptie waarbij vrijmetselaars betrokken waren, hebben ze wel beschreven, maar aandachtige lezing doet besluiten dat het om criminele individuen ging die hoe dan ook hun strafbare daden gesteld zouden hebben, los van hun lidmaatschap van de Orde.

Intrigerend zijn de verhalen over sommige lokale besturen, waar leden van meerderheid en oppositie evenals gemeentelijke beambten tot dezelfde loge behoren en er zich broederlijk verenigen met onder meer aannemers van bouwwerken en projectontwikkelaars. Enkele vastgoedschandalen in Engeland zijn duidelijk uit logevriendschappen ontstaan. Ze zijn evenwel uitzonderlijk en we kunnen ons de vraag stellen of ze ook niet zonder de logeconnecties tot stand zouden zijn gekomen. Verontrustender is de vaststelling dat strafrechterlijk veroordeelden niet automatisch uit de loges geweerd worden. De broederliefde wordt in sommige gevallen erg ver gedreven.

Martin Short geeft onder meer het voorbeeld van een Leonard Gibson (░1942), die in 1979 achtbare meester werd van de "Waterways Lodge" in de Londense voorstad Southgate. Van deze loge maakten ook acht politieofficieren deel uit. In de loop van zijn mandaat als loge-achtbare werd Gibson aangehouden. Samen met twee andere vrijmetselaars had hij een gewapende overval gepleegd op een zilverkonvooi ter waarde van tweehonderd miljoen Belgische frank. Hij werd tot tien jaar cel veroordeeld. Toen hij na vijf jaar vrij kwam, werd hij met open armen in zijn loge begroet. Hij was er al die tijd als "country member" ingeschreven gebleven. De term "buiten residerend lid" was ironisch genoeg ook letterlijk juist, want Gibson had zijn straf uitgezeten in "Spring Hill Open Prison", gelegen in het agrarische deel van Buckingamshire!

Een Kenneth Noye, lid van "Hammersmith Lodge", werd tot veertien jaar cel veroordeeld wegens medeplichtigheid bij de diefstal in 1983 van goudstaven ter waarde van anderhalf miljard Belgische frank. Hij bleef als "afwezig lid" in zijn loge ingeschreven en zijn broeders betaalden met logegelden zijn jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage aan de "United Grand Lodge" verder.
Het probleem is hierbij niet dat sommige broeders criminelen blijken te ziin, maar wel dat ze niet automatisch uitgestoten worden wanneer ze voor criminele handelingen veroordeeld zijn. Als er op driehonderdduizend leden zoiets als een tiende van een procent ongure figuren zou voorkomen, zou dit niet abnormaal zijn, integendeel. Niettemin zou dit toch nog altijd een driehonderd individuen betekenen. Het is verwonderlijk dat van 1960 tot 1988 slechts drie leden door "United Grand Lodge" werden uitgestoten.
Sedert Knight en Short hun bevindingen bekend hebben gemaakt, zijn de Engelse vrijmetselaars alerter geworden. In maart 1988 werden de loges er door adjunct-grootmeester lord Cornwallis streng aan herinnerd, dat zij "unmasonic conduct" op de passende wijze dienden te; sanctioneren en sedertdien werden een tiental leden geschrapt.
Politie in de Tempel.
Knight en Short richtten hun onderzoek vooral op de politie. Zonder over precieze cijfers te beschikken, meenden ze te kunnen stellen dat vier a vijf procent van de Engelse vrijmetselaars tot de politie behoren. Dit komt neer op een cijfer van om en rond de twintigduizend.
Hierbij merkten zij op dat er nauwelijks brandweerlui of postbeambten op de ledenlijsten voorkomen, overheidsfuncties die gelijklopend geacht kunnen worden met die van politiebeamte. Vanwaar de speciale belangstelling voor de politie, vroegen zij zich af. Zou het kunnen dat de broeders, in het vooruitzicht van kleine of grotere diensten die zij verhopen, ervoor zorgen dat in hun werkplaats enkele politiemannen worden opgenomen? Kan men anders dan door het mogelijke beroep op politiesteun (al was het maar om een bekeuring te laten verdwijnen), verklaren, dat in de Londense "Manor of St.James' Lodge", die uitsluitend uit politieofficieren bestaat, op iedere bijeenkomst evenveel of meer "visiting brothers" van andere loges aanwezig zijn als leden van de loge zelf?
Het beeld dat de auteurs van de politievrijmetselaars suggereren, is er een van wederzijdse ondersteuning bij promoties, van vriendendiensten onder broeders, van boycot en vervolging ten opzichte van politiemannen die laakbare praktijken aan de kaak zouden stellen van collega's . die tot de vrijmetselarij behoren, van ongeoorloofd gebruik van politiedossiers voor het doorspelen van inlichtingen, hetzij aan loges hetzij aan individuele broeders. Hierbij werden enkele gevallen van individuele of zelfs collectieve corruptie naar voren gebracht.

Wat is hiervan allemaal waar? De auteurs geven wel concrete en gedetailleerde informatie maar bij lezing krijgen we niettemin de indruk, dat het meer om suggestieve verhalen gaat dan om met onweerlegbare feiten gestaafde gevallen.
Het besluit hieruit is, dat de Britse loges het normale aantal boeven, criminelen en profiteurs telt dat men in iedere groep aantreft. Misschien is het aantal zelfs geringer dan in andere groepen.
Niettemin speelt de geheimhouding de vrijmetselarij onvermijdelijk parten . Wanneer een financieel schandaal, een misdaad of een misdrijf, omkoperij of corruptie aan het daglicht komen en het blijkt dat hierbij li vrijmetselaars zijn betrokken, zal men geneigd zijn hierin de verborgen hand van de loge te zoeken of minstens medeplichtigheid onder logeleden te vermoeden.
Wanneer een politieman promotie krijgt en men verneemt dat hij vrijmetselaar is, zullen zijn niet-gepromoveerde collega's gemakkelijk besluiten dat hij op logesteun heeft kunnen rekenen.
Zoiets is onvermijdelijk en in de mate waarin ze haar principes van geheimhouding in eer wil houden, moet de vrijmetselarij hiermee leren leven en er de ongemakken van op de koop toe nemen.
Wel mag men rechtmatig verwachten dat de vrijmetselarij onverbiddelijk zou optreden tegenover alwie de wet overtreedt en dat dit in de "profane" wereld ook op een of andere manier bekend zou zijn. De logeband zo hoog aanslaan, dat men wetsovertreders verder in de kring van de broederlijke solidariteit behoudt, is vragen naar moeilijkheden en kritiek.
Hopelijk is dit een les die de Engelse vrijmetselarij uit de boeken van de beide journalisten getrokken heeft.
Toenemende druk.
Ondertussen is, als gevolg van deze boeken en van de controverses en discussies die ze hebben teweeggebracht, het lidmaatschap van de loges voor sommige beroepsgroepen in Groot-Brittannie meer en meer onder druk komen te staan. In april 1985 publiceerde Sir Kenneth Newman, hoofdcommissaris van de Londense politie, een tekst waarin hij de principes voor een passende professionele houding bij de politie uiteenzette. Hierin wijdde hij een hoofdstuk aan de vrijmetselarij. Ook al kon hij geen verbod opleggen om lid te zijn van een genootschap dat op geen enkele wijze verboden is, de conclusie van zijn genuanceerd betoog was, dat hij zijn politieagenten sterk afraadde vrijmetselaar te blijven of het te worden. Een aantal politiekorpsen heeft sedertdien zijn aanbevelingen overgenomen.
In de voorbije tien jaar is ook vanuit de politieke wereld de kritiek op de vrijmetselarij aanzienlijk toegenomen. Parlementsleden van "Labour" en van de "Liberal Democrats" hebben bij herhaling de "Craft" aangevallen. In tientallen door Labour bestuurde steden heeft men aan alle gemeenteraadsleden en gemeenteambtenaren de verplichting opgelegd hun logelidmaatschap bekend te maken en in een daarvoor aangelegd register te laten registreren.

Deze anti-vrijmetselaarshouding is vanuit Groot-Brittannie ook naar het continent overgewaaid. In 1985 eisten zeventien Britse Labour-Europarlementsleden, dat voortaan alle verkozenen en alle ambtenaren in het Europese Parlement hun lidmaatschap van de vrijmetselarij of van andere geheime broederschappen bekend moesten maken en dit in een openbaar register moesten laten optekenen.
Volgens deze parlementsleden waren hun gevallen bekend van favoritisme, gebaseerd op logebroederschap en zij eisten dat "zonder dralen een onderzoek zou worden ingesteld naar de rol die de vrijmetselarij in de instellingen van de Europese Gemeenschap speelt". Het Europees Parlement, zo betoogden zij, moest hierin het voorbeeld geven, teneinde de Europese instellingen aan te zetten tot grotere doorzichtigheid.
De Labourafgevaardigden hebben evenwel hun voorstel niet verder bepleit, naar men zegt op verzoek van hun collega's uit de continentale socialistische partijen, waarvan een niet onbelangrijk aantal lid is van meestal "irreguliere" obedienties.
Toch is het niet uitgesloten, dat vroeg of laat hierop wordt teruggekomen. De Britse Labour is immers nogal fel tegen de hoofdzakelijk door conservatieven bevolkte loges gekant en bij het minste schandaal of de eerste controverse kan men een nieuwe aanval verwachten.
Ook Belgische risico's?
In Belgie wordt vaak in kleine cenakels gebabbeld over logeconnecties of -invloeden. Oud-minister Jacques Van Offelen heeft in zijn memoires de indruk gegeven dat in de koningskwestie instructies vanuit het Grootoosten kwamen, waar de liberale ministers zich naar voegden. Een bedachtzaam man als Gaston Eyskens heeft in de gesprekken die hij kort voor zijn overlijden voor publikatie op band liet nemen, verklaard dat geen socialist in Belgie minister kon worden als hij niet de steun had van de Loge. Hij ging natuurlijk niet zo ver te zeggen, dat ze ook daadwerkelijk allen vrijmetselaar moesten zijn, want van Edward Anseele en Paul-Henri Spaak tot Jos Van Eynde en Edmond Leburton hebben veel socialisten zich nooit door de vrijmetselarij laten bekoren.
Ik denk dat het overdreven is dergelijke invloed aan het Grootoosten toe te schrijven. Het is natuurlijk niet uitgesloten dat politici-vrijmetselaars bij gelegenheid hun oor te luisteren leggen bij hun obedientie om de temperatuur van de achterban te meten. Het lijkt van naiviteit of zelfs van enige paranoia te getuigen, als men denkt dat de politici veel aandacht schenken aan wat zij aldus opvangen en het is zeker ondenkbaar dat zij als broekjes instructies zouden opvolgen.
Het is minder zeker dat het geheime netwerk niet functioneert in de "republique des camarades". Vooral in Wallonie en in Brussel, waar in een aantal kringen de logeaanwezigheid belangrijk is, zou men meer zekerheid willen hebben dat alle broeders bekommerd zijn om het "kappen van de ruwe steen" en sommigen niet meer bezig zijn met de "transmutatie", niet de alchemistische, maar gewoon die van het omzetten van invloeden in bankbriefjes.

Het schandaal van het Interuniversitair Instituut voor Opiniepeiling (UNIOP) in 1988 laat de vraag open of hier, buiten de duidelijke ULB- , VUB en de al even duidelijke politieke connecties, het gemak waarmee dit bureau aanzienlijke contracten verkreeg van bepaalde ministeriele kabinetten, niet beinvloed werd door het feit dat de betrokkenen mekaar als broeder en zuster konden aanspreken.
Hetzelfde kan worden gezegd over de corruptiezaak die midden 1990 losbarstte in Luik. Verschillende van de betrokken politici zijn vrijmetselaar. Dit geldt alvast voor de spilfiguur in de zaak, liberaal oud-schepen van Luik Georges Goldine, vertrouwensman van de Compagnie Generale des Eaux, die lid is van de Luikse loge "La Parfaite Intelligence et l'Etoile Reunies" en die nog voor korte tijd ook werkplaatsen in Vlaanderen bezocht om er een "bouwstuk" af te leveren onder de intrigerende titel "Memoires d'un citoyen tres mal range .
"La Libre Belgique" had het anderzijds op 6 november 1990 over documenten aangaande de vreemde relaties tussen sommige vrijmetselaarskringen en een belangrijk Luiks persorgaan.
In de loges zelf heeft men zich over sommige evoluties ongerust gemaakt. Einde 1989 leverde de RTBF-journalist Michel Gretry in de loge Hiram waar hij toe behoort, een "bouwstuk" af waarin hij het had over de toenemende greep op de media en op een aantal sektoren van het politiek, economisch en sociaal leven in het Luikse, door Andre Cools en de groep die hij binnen de parti socialiste aanvoert. De journalist benadrukte hierbij het logelidmaatschap dat de leden van deze groep kenmerkte en de risico's die dit volgens hem voor de broederschap inhield.

Deze binnenskamers uitgebrachte reserves en voorzichtige kritieken waren duidelijk niet naar ieders' zin en de achtbare meester van de loge Hiram werd gevat door een klacht vanwege enkele broeders uit andere Luikse werkplaatsen die aanvoerden dat de journalist in het geheim van de tempel tegen hen eerrovende uitlatingen had gehad en dreigden hem voor een maconnieke rechtbank te brengen.
De schriftelijke klacht was o.m. ondertekend door Andre Cools, door zijn vertrouwensman kolonel met rust Jean Dubois, door zijn "luitenant" Jean-Claude Phlypo, door gemeenschapsminister Alain Vander Biest en door de federaalsecretaris van de Luikse PS Maurice Demolin. Bij de ondertekenaars bevonden zich ook de twee rechtstreekse chefs van Gretry, de directeur en de hoofdredacteur van RTBF-Luik, Jean-Marie Peterken en Jacques Malpas (van liberale strekking), wat door de journalist als een nauwelijks verholen bedreiging in zijn beroepsactiviteiten werd aangevoeld.
Sommigen stellen zich de vraag of de overheersende invloed van de socialistische partij in Wallonie en meer bepaald in Luik niet wordt "gerecupereerd" door een partij binnen de partij, die men de "groep van Flemalle" noemt, naar de door Andre Cools bestuurde gemeente. Is het mogelijk vraagt men zich af, dat op basis van in de loges gegroeide vriendschappen en allianties een netwerk is ontstaan van mekaar door dik en dun ondersteunende logebroeders, dat zich uitstrekt over de partijinstanties, de openbare besturen, de talrijke gewestelijke en intercommunale maatschappijen en zelfs de media? Schuilt in een dergelijke "broederschap" geen gevaar voor de democratische en onafhankelijke werking van de verschillende instanties? Bestaat niet het risico dat een dergelijke evolutie ook negatieve gevolgen kan hebben voor de vriimetselarij? Is het niet onvermijdelijk dat niet-vrijmetselaars die tot dezelfde politieke middens behoren zich onbehaaglijk gaan voelen en zich vragen stellen?
In maart 1991 heeft de Luikse socialistische senator en oud-voorzitter van het Waals Gewest Jean-Maurice Dehousse de stap gezet om in het openbaar, eerst voor de radio, daarna in "Le Peuple" de rol van de vrijmetselarij, of minstens van een aantal vriimetselaars binnen zijn partij in vraag te stellen.

Dehousse, zoon van een vrijmetselaar maar zelf niet tot de broederschap behorend, heeft met Jose Happart en anderen een minderheids groep gevormd binnen de Luikse PS. Naar het Luikse symbool van de gemeentelijke en democratische vrijheden hebben ze dit "Groupe du Perron" genoemd. In het radiodebat "Samedi premiere" stelde Dehousse zich de vraag of het normaal was dat men over de socialistische partij inlichtingen kon verkrijgen "via de loge", die binnen de partij niet te bekomen waren. Hij vond het tevens abnormaal dat in de schoot van de Luikse vrijmetselarij bijeenkomsten waren gehouden waar men zich had gebogen over de recente politico-financiele schandalen waar verschillen de prominente mandatarissen, de meesten vrijmetselaar, bij betrokken zijn of zelfs in beschuldiging gesteld.
Het moet wel gezegd dat Dehousse in de radiouitzending als het ware geprovoceerd was geworden door minister Vander Biest die de "Perrongroep" had vergeleken met een "ma,connerie perverse".
De reacties waren hevig. Claude Wachtelaer, secretaris-generaal van het "Centre d'action laique" gewaagde onmiddellijk van het gevaar dat men opnieuw de oude beschuldigingen van het judeo-maconniek komplot zou bovenhalen. De liberale senator Herve Hasquin snelde zijn socialistische broeders ter hulp en verklaarde: "Ik moet naar ademsnakken (je suis suffoque) bij de verklaringen van Dehousse. Ik dacht dat dit soort aanvallen tot de jaren dertig behoorde". Hasquin verwees naar de huidige context: de antisemitische uitspraken van Le Pen, bepaalde anti-joodse oprispingen in Oost-Europa en de recente uitspraak van de PSC-kandidate Francoise Lannoy die het had over "de agressie van de mašonnieke lobby tegen de christelijke waarden". .

Dergelijke reacties geven blijk van een overdreven gevoeligheid, waarbij de minste kritiek op de loges wordt opgeschroefd en de auteur ervan uitspraken of intenties worden in de schoenen geschoven die veel verder gaan dan wat hij heeft gezegd, uiteraard met de bedoeling hem, des te heviger,te kunnen bekritiseren. Men kan zich terecht afvragen wat de door Wachtelaer en Hasquin aangehaalde elementen met Dehousse te maken hadden.
In alle objectiviteit kan men immers niet volhouden dat Dehousse de vrijmetselarij heeft aangevallen en zeker niet op de elementen die beide broeders direkt in het debat mengden. Hij heeft er alleen op gewezen dat binnen de Luikse PS een groep aan de macht is die volgens hem uit vrijmetselaars bestaat en die delikate partijaangelegenheden in logeverband bespreekt, daar waar de behandeling ervan binnen de partiiinstanties door die zelfde groep verhinderd wordt.
Is deze kritiek al dan niet gewettigd? Dit is het enige wat dient te worden nagegaan. De sluizen van de grote verklaringen openzetten, zich in de mantel van de onschuldig vervolgde hullen en de opponent op abusieve wijze woorden in de mond leggen of bedoelingen toeschrijven, schept een onbehaaglijk gevoel.
Wanneer Herve Hasquin verklaart dat binnen het Belgisch Grootoosten debatten over de activiteiten en de taktieken van de PS ondenkbaar zijn, dan heeft hij ongetwijfeld gelijk. Hij vervolgt evenwel: "Wat mogelijk is, is dat socialistische vrijmetselaars onder elkaar bijeenkomsten hebben gehouden". Men zou mogen verhopen dat hij zich over dergelijke bijeenkomsten vragen zou stellen. Als loges hoofdzakelijk soniet uitsluitend uit socialisten bestaan, wat is dan nog het verschil tussen een logebijeenkomst en "socialistische vrijmetselaars onder elkaar"?

Hasquin besluit terecht dat men aan de vrijmetselarij veel meer macht toeschrijft dan ze heeft, maar dit is hier niet het probleem. De op te helderen vraag is of de loges een thuishaven kunnen zijn voor groepen die, op basis van hun vrijmetselaarschap, hun greep op het "profane" leven organiseren. Op zichzelf is dit verboden noch strafbaar, maar het houdt risico's in. Het kan leiden tot de ontregeling van de normale democratische werking en tot het scheppen van solidariteitsbanden die zich handhaven, ook wanneer sommige van de broeders laakbare of strafrechterlijkvervolgbare daden hebben gesteld.
Raymond Jans, tot voor kort eerste schepen van Luik voor Ecolo ging in een open brief nog verder dan Dehousse en verklaarde "dat een bepaalde Luikse maconnerie een occulte politieke macht is geworden die de ganse regio onder de controle houdt van een vrijzinnige neo-monarchie, hetgeen een belediging is voor de hoge idealen die men beweert te verdedigen" .
Indien de vrijmetselarij dergelijke evoluties gedoogt, vraagt ze naar moeilijkheden. Het is dan ook in de eerste en voornaamste plaats in haar belang dat het bestaan van dergelijke afwijkingen zou worden onderzocht en als de kritiek gegrond zou zijn, hieraan paal en perk zou worden gesteld.
Een apart aspect in dit geheel heeft betrekking op de aanwezigheid van magistraten in de vrijmetselarij.

Als het satirisch weekblad Pan, zonder dat hierop wordt gereageerd kan schrijven dat een onderzoek ingesteld tegen de Luikse zakenman Demarche, dank zij de Luikse vrijzinnige procureur generaal Leon Giet is "ingesluimerd" en eraan toevoegt, dat het gebruik van dit maconnieke woord niet toevallig is, en als oud-schepen Jans ook de aanwezigheid van hoge magistraten in de Luikse maconnieke machtsgroep aanklaagt, kan de vraag rijzen of het inderdaad mogelijk is dat magistraten bereid gevonden zouden worden instructies tegen een van hun logebroeders te boycotten.
De vraag kan ook breder gesteld worden. Is het passend dat magistraten, van wie een veel grotere reserve en onafhankelijkheid mag worden verwacht dan van andere burgers, deel uitmaken van een genootschap dat nlet alleen het geheim van het lidmaatschap centraal stelt maar tevens een zeer sterke broederband smeedt door middel van ceremonies en eedformules die psychologisch toch niet zonder invloed kunnen zijn? Is zelfs de rechtschapenste magistraat bestand tegen de zachte druk die vanuit de loges of door invloedrijke leden ten gunste van broeders in noeihikheden zou kunnen worden uitgeaefend?
In de meeste zetels van de Belgische rechtbanken worden verhalen gefluisterd over onrechtmatige invloeden. Meestal worden hierbij politieke invloeden genoemd, maar soms wijst men ook de loges aan. Het gaat meestal om onbewijsbare roddelverhalen en in veel gevallen, zoniet m alle is er wellicht een logische verklaring voor wat door sommigen als abnormaal wordt beschouwd. In vrijmetselaarskringen worden dergelijke fluisterverhalen afge. daan als elementen van een permanente antimašonnieke hetze. Dit kan zo zijn, maar het lijkt duidelijk dat de geheimhouding van het lidmaatschap een bestendige voedingsbodem is voor verhalen, zelfs voor de wildste.

Kunnen we er nl. gerust op zijn, dat alle broeders in de magistratuur de integriteit en de beroepsernst hebben, zichzelf onbevoegd te verklaren als zaken voorkomen waarbij een logebroeder betrokken is?
"De vrouw van Caesar moet boven alle verdenking staan". Dit is alvast het besluit dat de Italiaanse magistratuur uit het onzalige P2-schandaal heeft getrokken. Toen in januari 1990 de vrijmetselaar Angelo Vella als kandidaat werd voorgedragen voor het voorzitterschap van het Hof van Cassatie, sprak de "Consilio Superiore della Magistratura" eenparig een advies uit over "de noodzaak in de reglementen van de magistratuur een precieze tekst op te nemen die het lidmaatschap van een geheimgenootschap aan de magistraten verbiedt".
We kunnen ons afvragen of het, in het belang zowel van de vrijmetselarij als van de magistratuur, niet wenselijk is dat ook bij ons, gebruik makend van het recht dat zij hiertoe hebben, magistraten hun logelid~ maatschap bekend zouden maken. Het ideaal ware wellicht dat magistraten dergelijke lidmaatschappen zouden afwijzen, net zoals het wenselijk is dat zij geen partijkaart hebben en zich gereserveerd opstellen tegenover elke affiliatie die hun onafhankelijkheid of onkreukbaarheid in het gedrang kan brengen. Dit geldt onvermijdelijk in de eerste plaats voor het lidmaatschap van geheime genootschappen of van genootschappen "met geheimen".
Het onmededeelbare geheim.
De conclusie uit al het voorgaande is, dat er geen mašonnieke geheimen bestaan. Herkenningstekens en ritualen zijn algemeen bekend; : lidmaatschappen komen vroeg of laat aan het daglicht; geschriften,
publikaties en activiteiten vallen mettertijd in het publieke domein. Als dan al tijdelijk het geheim van het lidmaatschap kan worden bewaard, houdt dit terzelfdertijd allerhande risico's in.
Ontgoochelend en ontluisterend? In zekere zin wel, evengoed voor de vrijmetselaar als voor de buitenstaander.
En toch is er nog iets anders, een vorm van waarachtig geheim, dat evenwel van een heel andere orde is en al even ontgoochelend zal zijn voor wie op zoek gaat naar concrete mysteries en geheimen. Wat is dit geheim dan wel?
Niemand wellicht heeft het beter gedefinieerd als Giacomo Casanova (1725-1798), die hierover in zijn Memoires schreef: "De mannen die vrijmetselaar worden om het geheim van het genootschap te leren kennen, lopen groot risico oud te worden onder het truweel zonder ooit hun doel te bereiken. Er bestaat nochtans een geheim, maar het is zo onschendbaar dat het nooit aan iemand werd gezegd of toevertrouwd. Wie zich aan de oppervlakte der dingen houdt, denkt dat het geheim bestaat uit woorden , tekens en aan rakingen of dat het Grote Woord in de hoogste graad zal worden meegedeeld. Fout. Wie het geheim van de vrijmetselarij raadt want men heeft er altijd het raden naar, bereikt deze kennis slechts door de loges te bezoeken, door na te denken, te oordelen, te vergelijken en af te leiden. Hij vertrouwt het zelfs niet aan zijn beste vrijmetselaarsvriend toe, want hij weet dat, als deze het niet zelf geraden heeft, het zinloos is het hem mee te delen. En daarom zwijgt hij en blijft het geheim altijd geheim".

Leo Apostel zegt het even scherp: "Wat is het vrijmetselaarsgeheim? Het geheim is dat er geen ander geheim is dan de zoektocht naar het geheim. Vrijmetselarij is alleen mogelijk indien de leden, in het geheim van hun hart, de algemene thema's willen invullen met hun eigen verbeelding en emoties en aldus leven inblazen in wat slechts onpersoonlijke algemeenheden zijn. Vrijmetselarij is actie, verbeelding, emotie" .

Piet Van Brabant beschrijft het geheim als volgt:
"Het initiatieke geheim is door zijn aard zelf geheim. Het houdt immers verb and met het onuitsprekelijke, dat uiteraard ook onmededeelbaar is . Het geheim kan dus ook niet verraden worden. Voor profanen blijft het ontoegankelijk. De kennis ervan kan enkel door initiatie verworven worden, hoewel ook dan niet het geheim zelf overgedragen wordt, maar al lee n de geestelijke invloed die , geschraagd doo r de ritualen, het we rken in en op zichzelf bevordert. Dat is de voedingsbodem die de weg naar het geheim effent. Het zal tenslotte van het individuele vermogen afhangen of het geheim benaderd en begrepen kan worden. Dat betekent dat de geinitieerde over bepaalde gaven moet beschikken, die niet noodzakelijk van intellectuele aard zijn".
"Het mašonnieke geheim is helemaal ondefinieerbaar...", schreef de Engelse dominee Richard Tydeman. "De vreugden van het vrijmetselaarschap willen uitleggen aan een buitenstaander is zoals de vreugden van het moederschap willen uitleggen aan een oude vrijster: mašonnerie zoals moederschap moet beleefd worden om begrepen te kunnen worden".
Laten we niettemin met "profane" woorden een poging tot inzicht en begrip wagen. Wij begrijpen dat de vrijmetselarij, in haar edelste vorm, haar leden de mogelijkheid biedt een geestelijk avontuur aan te gaan.

De werkplaats of tempel biedt hiervoor de geschikte omgeving aan. De ritualen en ceremonies leveren het tastbare houvast dat het mogelijk maakt binnen te treden in een wereld van symbolen en van door deze symbolen gedragen ideeen of waarden. Dit is allemaal slechts de concrete, materiele aanbreng die iedere nieuw geinitieerde te zi jner beschikking krijgt: de werktuigen die hem in staat zullen stellen om te bouwen aan zijn eigen innerlijke tempel, of zoals de ritualen het zeggen, te kappen aan de ruwe steen, tot hij er een volmaakte kubieke steen van heeft gemaakt.
De nieuw-geinitieerde scheept in voor een onzekere en risicovolle reis in eigen hart en geest. Hij analyseert wat hij tot hiertoe in het leven gedaan heeft, wat zijn overtuigingen en realisaties zijn, wat er goed ging en waar het verkeerd liep.
Hij buigt zich over de eeuwige menselijke vragen. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Wat doe ik? Waar ga ik heen? Wat is de zin van het leven?
Wie aan de oppervlakte van de dingen blijft en bezadigd het leven neemt zoals het komt, zonder zich existentiele vragen te stellen, zal aan de vrijmetselarij weinig boodschap hebben en zal, als hij er toch lid van wordt, aan de essentie voorbijgaan.
De vrijmetselaar die de "Koninklijke Kunst" ernstig opneemt, begint aan een avontuur waarvan de uitkomst niet te voorzien is. Hij zal even onvermijdelijk als onverwacht geconfronteerd worden met de eigen gebreken en onvolmaaktheden. Als hij tot het diepste van het eigen ik doordringt, is het mogelijk dat hij zich geschrokken afwendt van het beeld dat hij te zien krijgt.

De introspectie in het eigen diepste zijn kan een "nederdaling ter helle" worden. Wie zichzelf beter leert kennen en beoordelen, zal wellicht wanhopig zeggen, met de woorden van de psalmist: "Mijn misdaden stapelen zich op mijn hoofd en drukken mij neer als een loodzware last". Wie kan hieraan ontsnappen? Christus zelf in de Hof van Olijven heeft de menselijkste en ook de meest beangstigende belevenis doorstaan: de wanhoop, de totale eenzaamheid en verlatenheid, de doodsangst.
De tocht tot aan de uiterste grens van de zelfverachting en van de wanhoop, van de dood en de wedergeboorte, ligt ten grondslag aan iedere initiatieke en mystieke belevenis. Dit is ook aanwezig in de initiatierite van de vrijmetselarij, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen uiteenzetten.
De reis in de persoonlijke inwendige wereld is een van de kernpunten van de meeste, zoniet van alle godsdiensten of morele systemen. De vrijmetselarij is hierop geen uitzondering. Die reis wordt niet vanuit een gratuit masochisme ondernomen, maar omdat het de enige goede wijze is om, van onderaan aanvattend, op te klimmen en zich te verheffen tot op de hoogten van het schoonmenselijke, misschien zelfs van het goddelijke.
Het is niet zeker, integendeel wellicht, dat de stichters in 1717 zulke hooggestemde idealen voor hun geesteskind hadden. Ze vergenoegden er zich mee te stellen, dat de broeders "goede en loyale mannen, mannen van eer en eerlijkheid, mannen met een goede reputatie" moesten zijn. Ze onderstreepten dat zij vredelievende burgers moesten zijn, eerbiedig; tegenover de wetten en de overheid, afkerig van politieke of religieuze discussies, bereid te helpen en de liefdadigheid te beoefenen en beschikbaar voor het aanknopen van broederlijke vriendschap met alle vrijmetselaars. Dit was eerder een gedragscode dan een uitnodiging tot het geestelijk avontuur.

Als de vrijmetselarij in de volgende decennia met diepere en riikere i doelstellingen werd beladen, dan is dit ongetwiffeld het gevolg van de relatieve leegheid van het oorspronkelijke concept, dat aan de zoekende macons geen voldoening kon schenken. Deze evolutie is het die aan het "geheim" een nieuwe inhoud heeft gegeven . Het aanvankelijke geheim lag op een ludiek en conviviaal niveau. Het had niet veel om het lijf, maar het oefende een onmiskenbare aantrekkingskracht uit.
Pas later en vooral onder invloed van de continentale logeactiviteiten kreeg het geheim de inhoud zoals hier beschreven. Dit "geheim" is voor de ernstige adepten van de vrijmetselarij, een essentieel element dat aan un lidmaatschap zin en inhoud geeft. Het is een geheim dat overeind zou blijven, ook wanneer al de overige geheimen, waarvan we de relativiteit hebben aangetoond, zouden worden opgeheven.
Hoofdstuk XI, De kinderen van Hiram
Figuur: Hoofdstuk XI
Het verhaal van Hiram.

Het verhaal van Hiram.
De tempel is met rouwkleden behangen, witte tranen en doodshoofden erop geborduurd. Er staan twee grafurnen opgesteld, versierd met acaciatakken. Midden in de ruimte ligt een doodskleed met erop een passer, een winkelhaak en een acaciatak. Drie gele kaarsen verlichten spaarzaam de ruimte, op het altaar rust een doodshoofd. Alleen de meesters zijn aanwezig, in het noorden en het zuiden van de tempel opgesteld, elk volgens functies en ancienniteit. De achtbare meester geeft driemaal drie mokerslagen en zegt: "Ter ere van de Opperbouwmeester van het Heelal, in de naam en onder de hoede van onze Grootloge, open ik de zitting van deze achtbare loge in de meestergraad...".
Dit is de aanvang van de centrale ceremonie in alle loges waar ook ter wereld: de verheffing van een gezel tot meester, zijn opname in de kring die de volheid van de vrijmetselarij betekent.
De kandidaat wordt met passende plechtigheid binnengeleid. Nadat hij beloofd heeft niets te zullen onthullen van wat hij zal horen en zien, begint de ondervraging, typisch voor ieder loge-initiatie.
"Waarom ziet u ons in rouwstemming?", vraagt hem de achtbare meester, "Ik zal het u zeggen". En dan volgt het centrale verhaal, waarrond de essentie van de logesymboliek draait.

Hiram, een architect uit een land waar het licht geboren wordt, werkte sinds zeven jaar aan de bouw van de tempel die alle mensen zou verenigen in de cultus van de Waarheid. Hij voerde het bevel over veel medewerkers die hij naargelang van hun kennis had ingedeeld in leerlingen, gezellen en meesters.
Tijdens elke middagpauze inspecteerde Hiram de werkzaamheden. Op een dag werd hij overvallen door drie gezellen die ongeduldig waren de graad en het salaris van meester te ontvangen en die hem het "Woord" van deze graad wilden afdwingen. Door de eerste gezel werd hij dreigend om het meesterwoord gevraagd. Hiram weigerde en de gezel ging hem met een winkelhaak te lijf. Daarop volgde de tweede, die met zijn passer toesloeg. En de derde gezel maakte Hiram af met mokerslagen.
Terwijl de achtbare meester dit verhaal doet, wordt de kandidaatmeester symbolisch op dezelfde wijze geslagen en voor dood op de grond en onder het doodskleed uitgestrekt.

Toen de andere meesters de verdwijning van Hiram vaststelden, zo vervolgt het verhaal, werden ze door droefheid bevangen en gingen ze naar hem op zoek.
In de tempel gaan nu ook de achtbare meester en zijn opzieners op zoek en stoten zij op het lichaam van "Hiram". De tweede opziener grijp de kandidaat-meester bij de wijsvinger, en vervolgens neemt de eerste opziener hem bij de middenvinger, maar ze slagen er niet in hen overeind te trekken. Dan zegt de achtbare meester: "Zonder mij kunt niets, samen kunnen we alles". Daarop grijpt hij de liggende broeder bij de rechterpols en met de hulp van de opzieners trekt hij hem op en verheft hij hem tot Meester door op hem de "vijf punten van volmaakt broederschap" toe te passen, onder het uitspreken van de volgendewoorden: "Hand in hand begroet ik u als broeder; voet tegen voet zal ik u ondersteunen in al uw ondernemingen; knie tegen knie, in de houding voor het dagelijks gebed zal ik herinnerd worden aan uw behoeften; bors tegen borst zullen de geheimen die u me toevertrouwt, bewaard wordel als waren ze de mijne; en de arm geslagen rond uw hals, zal ik uw persoon verdedigen in uw afwezigheid zoals in uw aanwezigheid". In deze houding van fysiek nauw contact geeft de achtbare meester de broederkus en fluistert hij aan de nieuwe meester het geheime woord in in het oor.
"Achtbare Broeders, vervolgt dan de achtbare meester, vergeten we onze droefheid en zeggen wij dank aan de Opperbouwmeester van het Heelal, want Hiram, zegevierend over de duisternis is weer onder ons. Laten we juichen: Vivat! vivat! semper vivat!

Na de symboliek van deze ceremonie te hebben uitgelegd, roept de achtbare meester de kandidaat-meester voor zich en na een ultieme ondervraging legt deze geknield plechtig zijn gelofte af: "In aanwezigheid van de Opperbouwmeester van het Heelal en voor u achtbare meesters die mij hoort, verbind ik mij op mijn eer de principes van de vrijmetselarij na te leven; de waarheid, bron van alle goed, te beminnen en de leugen, bron van alle kwaad, te vluchten; met alle middelen te zoeken om mij te vormen, mijn geest te verlichten, mijn rede te versterken. Ik beloof mijn broeders te beminnen en de kinderen van de weduwe die in nood verkeren ter hulp te komen. Ik beloof tevens nooit en aan niemand de geheimen van de meestergraad die me zullen worden toevertrouwd, te onthullen.
Een nieuwe Meester is tot de volheid van de vrijmetselarij toegetreden.