Maçonnieke encyclopedie

De Maconnieke Encyclopedie zoekt


Een ogenblik !

De grote interne verdeeldheid.
Tot aan de Eerste Wereldoorlog.
Logeleden tot aan de Eerste Wereldoorlog.
Vlamingen in de Tempels.
Nieuwe strijd met de Kerk.
Het interbellum.
De "Judeo-mašonnerie".
De schandaalsfeer.


De grote interne verdeeldheid.
In het jaar 1883 telde het Belgische Grootoosten nog slechts 2.789 leden en een niet onbelangrijk aantal beperkte zich tot een passief lidmaatschap, ontgoocheld als zij waren door de talrijke ruzies en meningsverschillen, die meestal van politieke aard waren. Minstens tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef de band tussen de loges en de liberale partij zeer nauw. De grote meerderheid van de vrijmetselaars behoorde uitgesproken tot de liberale politieke familie.
Voor een jonge liberaal met politieke ambities betekende het logelidmaatschap een belangrijke troef. In de loges stonden vaak liberale afgevaardigden aan het hoofd van de lokale werkplaatsen. In de Brugse loge "La Flandre", gesticht in 1881, was advocaat Alphonse Meynne (1839-1915) vele jaren achtbaar meester. Hij was terzelfder tijd liberaal gemeenteraadslid en voorzitter van de lokale "Alliance liberale". Zijn opvolgers waren eveneens actieve liberale voormannen. Hetzelfde deed zich voor in de meeste werkplaatsen.
Op nationaal vlak was het net eender. De opeenvolgende grootmeesters van het Grootoosten bleven ze, na het grootmeesterschap van de grote liberale voormannen uit de vorige periode, de Stassart, Verhaegen, Van Schoor en Vanhumbeeck, bij voorkeur onder de liberale politici zoeken.

De journalist Auguste Couvreur (1827-1894) en de chemicus Henri Berge (1835-1911) waren Brusselse politici; graaf Eugene Goblet d'Alviella (1846-1927) werd vice-voorzitter van de Senaat en tijdens de Eerste Wereldoorlog lid van de Belgische regering in Le Havre; de handelaar Victor Lynen (1834-1894) was gemeenteraadslid in Antwerpen en de makelaar Ernest Reisse (1845-1894) was provincieraadslid in Brabant; de directeur van de "Ecole des Mines" Charles Houzeau de Lehaie (18321922) was senator voor Bergen; stadsingenieur Gustave Royer (18481923) was senator voor Antwerpen; dokter Joseph Descamps (1845-1926) was volksvertegenwoordiger voor Bergen en Charles Magnette (18681927) werd voorzitter van de Senaat en minister van Staat.
Geen van hen behoorde tot de tenoren van de partij, hoewel hun invloed op de politieke besluitvorming en hun rol als discrete "kingmakers" niet onderschat moet worden.
De leiders behoorden tot de politiek gematigde en conservatieve strekking Een actieve minderheid onder de broeders behoorde tot een meer radicale groep, die zich zowel in de liberale partij als in de loges met klem manifesteerde.
De onbetwiste leider van de radicalen was Paul Janson (1840-1913). In 1885 had hij zich kandidaat gesteld voor de functie van Eerste GrootOpzichter, maar was met 183 stemmen tegen 106 door oud-grootmeester Henry Berge verslagen. Paul Janson had grote belangstelling voor sociale vraagstukken en was voorstander van het algemeen stemrecht. Hij was zelfs lid geweest van de Eerste Internationale.

In 1887 kwam het tot een open breuk met de gematigde liberalen en Janson richtte een "Progressistische Partij" op. die opkwam voor stemrecht voor alle burgers die lezen en schrijven konden, verplicht lager onderwiis, regeling van de kinderarbeid, wettelijk statuut voor de vakbonden, afschaffing van het lotelingensysteem, gelijkheid van de twee nationale talen en volledige scheiding tussen Kerk en Staat. Dit programma sloot nauw aan bij dat van de in 1885 opgerichte Belgische Werkliedenpartij en het is dan ook niet verwonderlijk dat veel radicalen zich na de doorbraak van de socialisten in 1894 bij deze partij aansloten.
Grootmeester Goblet d'Alviella beschreef de toestand in de loges zo: "De bijeenkomsten ontaardden weldra in echte meetings, waar men er zich niet meer om bekommerde de verschillende aspecten van sociale en politieke problemen uiteen te zetten en te bestuderen, maar waar men resoluties wou afdwingen meerderheid tegen minderheid en hiervoor het hele arsenaal aanwendde van voorstellen, tegenvoorstellen, amendementen, agenda's, prealabele kwesties en andere parlementaire trucs".
Om dit te begrijpen moet men in herinnering brengen dat de conservatieve meerderheid in het Grootoosten de wijziging van het kiesstelsel had bevochten. De invoering van het algemeen meervoudig stemrecht betekende het einde van de electorale invloed van de vrijmetselarij Deze kon immers een aanzienlijke impact hebben op kleine en goed controleerbare groepen, maar werd machteloos wanneer ieder mannelijke staatsburger mocht kiezen.
De nieuwe kieswet deed het aantal kiezers stijgen van 136.755 tot 1.370 687 en doordat een aantal kiezers twee of drie stemmen mochten uitbrengen, steeg het aantal uit te brengen stemmen boven de twee miljoen. Deze wijziging, die tevens bepaalde dat de zetels in elk district volgens het systeem van de absolute meerderheid zouden worden toegewezen, was catastrofaal voor de liberale partij. De verkiezingen van oktober 1894 brachten ze van 61 op 20 zetels. De socialisten deden hun grote intrede in het parlement met 28 zetels. De katholieken versterkten hun meerderheid en behaalden 104 zetels. De gevolgen hiervan waren dramatisch voor de loges, die beseften dat de tijd van hun electorale invloed definitief voorbij was. De disputen tussen de "doctrinairen" of conservatieven en de "progressieven" of linksen laaiden hoog op. Het bleek weldra niet meer mogelijk beide groepen vreedzaam bijeen te houden in een zelfde werkplaats.

De ruzies binnen de loges verliepen daarbij parallel met publieke controversess onder meer in de schoot van de ULB. In 1890 had een eerste hoogoplaaiend dispuut plaatsgevonden, toen het briljante maar te "rationalistisch" bevonden doctoraal proefschrift van de jonge filosoof Georges Dwelshauvers (1866-1937) geweigerd werd. De professoren van de Brusselse faculteit wijsbegeerte en letteren, in de eerste plaats Guillaume Tiberghien (1819-1901), behoorden tot de spiritualistische, deistische school van de Duitse wijsgeer Karl Krause (1781-1832). Deze had het nieuwe woord "panenthe´sme" uitgevonden om zijn godsgedachte te definieren: God die de eenheid is van al wat is (een panthe´stische visie), maar zonder dat God met dit Al volledig te vereenzelvigen is: er is nog een Godheid die al wat is, overstijgt; alles is in God maar God is nog meer
De strijd tussen de´sten, of het nu the´sten, panthe´sten of panenthe´sten waren, en athe´ten of "rationalisten" had heel wat ruimere weerklank en een veel concretere inzet dan een ideeenstrijd tussen kamergeleerden. De logekolommen trilden mee op het ritme van de discussies.

In de ULB en in de loges volgden de incidenten elkaar snel op en trad een steeds grotere polarisatie op. Paul Janson, de vaandeldrager van de progressieven, moest het telkens weer afleggen, zowel bij zijn kandidatuur voor een hoge functie in het Grootoosten als voor de functie van inspecteur-generaal van de ULB, tegen vertegenwoordigers van de conservatieve meerderheid.
De tegenstellingen barstten in alle hevigheid uit in 1894, op het d ogenblik dat de loges getraumatiseerd waren door de liberale verkiezingsnederlaag. Het was weer een ULB-incident dat de lont aan het vuur stak. De Franse geograaf Elisee Reclus (1830-1905) had een leerstoel verkregen aan de ULB, maar die werd hem ter elfder ure ontzegd vanwege zijn sympathieen voor de anarchistische beweging, die op dat ogenblik voor heel wat controverses zorgde. De ruzie laaide hoog op tussen de overwegend orthodox-liberale leiding van de universiteit en de progressistische en linkse professoren en studenten. Het kwam tot een breuk en onder leiding van professor Edmond Picard (1836-1924) werd een "Universite nouvelle" opgericht, die het tot na de Eerste Wereldoorlog als concurrente van de ULB volhield.
Tot aan de Eerste Wereldoorlog.
De politieke en ideologische tegenstellingen hielden een grote bedreiging in voor het Grootoosten. Men slaagde erin ze gedeeltelijk te overwinnen, dank zij vooral de modererende invloed van Goblet d'Alviella, van Magnette en van de militaire auditeur en mašonniek auteur Pierre Tempels (1825-1923).
Zij slaagden erin om na 1894 de gemoederen tot bedaren te brengen. Net als in het verleden zou elkeen binnen de werkplaatsen zijn overtuigingen over politieke en religieuze kwesties de vrije loop kunnen laten, maar er zouden voortaan geen algemene besluiten meer uit getrokken worden en zeker geen stemmingen over uitgelokt worden. Dit kon des te beter gebeuren, omdat binnen het Grootoosten, en vooral in de grote steden, "gespecialiseerde" loges groeiden die de aanhangers van een bepaalde maatschappijvisie groepeerden. De "rechtse en de "linkse" macons konden zich zo elk in hun tent terugtrekken.
Vlak voor de viering van haar honderdste verjaardag, splitste de belangrijkste Belgische loge "Les Amis Philanthropes" zich gewoon in tweeen Dit gebeurde op 10 december 1894, zes weken na de wetgevende verkiezingen Voortaan vonden de meer progressistische leden zich terug in de "Amis Philanthropes sans numero" en de conservatieven in de "Amis Philanthropes n░ 2". De vreedzame coexistentie werd verkozen boven een onmogelijk geworden broederlijkheid.

Deze modus vivendi maakte het de progressieve en vrijzinnige liberalen en de conservatieve en meer "spiritualistische" liberalen mogelijk voortaan meer aandacht te hebben voor wat hun verbond, in de eerste plaats het liberalisme en het anticlericalisme, dan voor wat hun op het politieke en ideologische vlak scheidde.
Vrijmetselaars die tot de radicaal-liberale strekking behoorden en de overstap maakten naar de socialisten, zoals de professoren Guillaume De Greef (1842-1924) en Edmond Picard evenals Louis de Brouckere (18701951) bleven welkom in de tempels. Dit opende meteen de weg voor de kopstukken van de Belgische Werkliedenpartij om eveneens bij de loges aan te kloppen.
De voorzitter van de Tweede Internationale Emile Vandervelde (1866-1938), werd in 1899 lid van "Les Amis Philanthropes", waar de Antwerpenaar Camille Huysmans (1871-1968) in 1900 werd geintroniseerd. Talrijke socialistische voormannen volgden hun voorbeeld. Het lijkt niet overdreven te zeggen dat in de schoot van de loges de weg werd voorbereid die leidde tot de opname van socialisten in Belgische regeringen.
Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog de homogeen katholieke regering uitgebreid werd met twee liberale en een socialistische minister, namen Goblet d'Alviella, Paul Hymans (1865-1941) en Vandervelde die functie op: alle drie behoorden ze tot "Les Amis Philanthropes" in Brussel.
Logeleden tot aan de Eerste Wereldoorlog.
In 1887 publiceerde de Brusselse uitgever Tillot onder de titel "La Belgique ma,connique" een lijst van ongeveer 5.500 personen die tussen 1830 en 1885 tot de Belgische loges behoord zouden hebben. Ook al zal niet tot in detail alles juist geweest ziin, toch mag men deze lijst als voldoende representatief beschouwen om er besluiten uit te trekken over de recrutering van de loges.
De grootste groep, meer dan een vierde van het totaal, bestond uit rnilitairen, van onderluitenanten tot generaals. In aantal werden ze onmiddelliik gevolgd door de categorie van de handelaars. Dit was een ruime groep waarin we allerhande beroepen aantreffen: industrielen, bankierss brouwers, drukkers, hoteliers, slagers, juweliers, enz. De vrije beroepen waren met ongeveer vijftien procent de derde groep: geneesheren, notarissen, architecten, ingenieurs, apothekers, makelaars, maar vooral advocaten. Magistraten, gerechtsdienaars en ambtenaren maakten acht procent van het totaal uit en leerkrachten, vanaf onderwijzers tot professoren aan de ULB, vijf procent.
Opvallend groot, zeker meer dan tien procent, was de aanwezigheid van artiesten: schilders, beeldhouwers, schrijvers, maar vooral musici, Het feit dat in logebijeenkomsten veel gezongen werd, was er ongetwij. feld aanleiding toe dat beroepszangers als "freres a talent" speciaal gesolliciteerd werden om de "colonne d'harmonie" te vormen. Vooral de zangers van de Muntschouwburg waren graaggeziene broeders.

Een andere vaststelling uit de lijst van 1887 is, dat de vrijmetselarij vooral een Brusselse aangelegenheid was: meer dan vijftig procent van de leden woonden in Brussel en een aantal leden die in de provincies woonden, waren niettemin bij een Brusselse loge aangesloten. Het was natuurlijk minder gemakkelijk, vooral in het katholieke Vlaanderen, om zich tot de vrijmetselarij te bekennen.
Militairen waren vooral zeer talrijk in de eerste jaren van het Belgisch Koninkrijk en hadden hun eigen militaire loges. De bekendsten onder hen waren de generaals Auguste Belliard (1769-1832), Mathieu Brialmont (1789-1885) en Henri-Alexis Brialmont (1821-1903), Albert Donny (1841-1923) en Jean Meiser (1857-1940).
Onder druk van de overheid werd hun aantal na 1845 aanzienlijk geringer. Het spreekt vanzelf dat onder de negentiende eeuwse broeders geen priesters meer voorkwamen, tenzij uit het ambt getredene. De geleerde geoloog Alphonse Renard (1842-1903), die, in 1860 jezuzet geworden, in 1901 de Societeit en de Kerk verliet, werd lid van "Les Amis Philanthropes".
Ook de adel verdween bijna volledig uit de tempels, behalve enkele "blauwe" families, zoals de Goblet d'Alviellas, de de Chasteleers, de de Kerckhove de Denterghems en de Van der Stegens.

De politieke wereld was ruim vertegenwoordigd, zoals we al hebben aangetoond. Dit was vooral het geval in Brussel, waarvan de meeste burgemeesters en schepenen actieve logebroeders waren. Te vermelden zijn Nicolas Rouppe (1769-1838), Andre Fontainas, Charles de Brouckere (1796-1860), Jules Anspach (1829-1879), Emile De Mot (1835-1909) en Charles Buls (1837-1914), de auteur van het onvolprezen werkje "L'esthetique des villes". Ook in Antwerpen behoorden burgemeesters tot de loge, zoals Jan Van Ryswyck junior (1853-1906), die lid werd van "Les Eleves de Themis".
De mašonnieke invloed in de Brusselse agglomeratie was aanzienlijk. Hij wordt onder meer weerspiegeld in de straatnamen: de naam van meer dan tweehonderd vijftig negentiende en twintigste-eeuwse macons werd aan een straat, laan of plein gegeven. Zo blijven enkele namen ruime bekendheid genieten, die anders nog nauwelijks in de herinnering zouden voortleven. Te noemen zijn onder meer Emile Bockstael (1838-1920), August Reyers (1843-1924), Louis Mettewie (1855-1942), Emile Jacqmain (1855-1942), Louis Schmidt (1877-1944), Jean Fonsny en Leon Van der Kindere (1842-1906). Niet minder dan achtenveertig burgemeesters van Brussel en randgemeenten die met een straatnaam werden bedacht, waren vrijmetselaar.

Zeven grootmeesters van het Grootoosten van Belgie, vier Soevereine Grootcommandeurs van de Opperraad van Belgie en tweeentwintig achtbare meesters van Brusselse loges werden in een straatnaam vereeuwigd. Behalve aan hun activiteiten in het "profane" leven hadden ze deze postume hulde vaak te danken aan het feit dat hun opvolgers in de gemeentebesturen eveneens vrijmetselaar waren.
Politici waren natuurlijk niet de enige prominente leden in de Belgische loges.
Een opvallende industriele figuur was de kachelfabrikant Nestor Martin (1825-1916), die in 1898 door het Grootoosten werd gelukgewenst omdat hij "te Saint-Hubert, in de burcht van het bijgeloof en het fanatisme, de strijd voor recht, vrijheid en rechtvaardigheid" gevoerd had.
Onder de artiesten noemen we Franšois Van Campenhout (1779-1848), auteur van het Belgisch volkslied, de vioolvirtuozen Henry Vieuxtemps (1820-1881) en Charles Hanssens (1802-1871) evenals de beeldhouwer Constantin Meunier (1831-1905). Heel wat schilders behoorden tot de loge. Onder hen de neoclassicistische schilder Franscois Navez (1787-1869), de historieschilder Andre Hennebicq (1836-1904), de portretschilder Edouard Agneessens (1842-1885) en de dierenschilders Eugeen Verboeckhoven (1798-1881) en Alfred Verwee (1838-1895), alsook de waterverfschilder Felix Bovie (1812-1880) en de schilder, graficus en schrijver Felicien Rops (18331898). Grote architecten zoals Alban Chambon (1847-1929), Paul Hankar (1859-1901) en Jean Hasse (1849-1923) waren vrijmetselaar.
De grootste onder de vrijmetselaars die literatuur bedreven, was de auteur van de "Legende d'Ulenspiegel", Charles De Coster (1827-1879). In 1858 werd hij lid van "Les Vrais Amis de l'Union et du Progres Reunis" in Brussel.
Vlamingen in de Tempels.
De Nederlandse literatuur werd op de kolommen vertegenwoordigd door de dichter, onvermurwbare orangist en achtbare meester van "Les Vrais Amis" in Gent, Karel Vervier (1789-1872); door de flamingant en stichter van de "Liberale Vlaamse Bond" Julius De Geyter (1830-1905), auteur van het "Beiaardlied" ("Dan mocht de beiaard spelen..."), dat door Peter Benoit op toon werd gezet; door de stichter van "'t Zal wel gaan~9 en van de ~Vlaamse Liberale Vereniging" Julius Vuylsteke (18361903) en door de dramaturg en ijveraar voor een Vlaamse Schouwburg in Brussel, Emmanuel Van Driessche (1824-1897). Alle vier waren ze tevens liberaal afgevaardigde in de raad van hun gemeente of provincie.
Belangrijk in de Vlaamse Beweging, vooral in Brussel, was Emmanuel Hiel (1834-1899), die naast ziin vele teksten voor cantates en oratorias waaronder "De Schelde", getoonzet door Peter Benoit, ook "Het Lied der Vlamingen" schreef: "Waar Maas en Schelde vloeien, De Noordzee bruist en stormt...". Hij was lid van "Les Amis Philanthropes" in Brussel.
Een volgende generatie macons telde eveneens verschillende Vlaamse literatoren. Max Rooses (1839-1914) was conservator van het Plantin-Moretusmuseum in Antwerpen, schreef een standaardwerk over Rubens en was een gezaghebbend literatuurcriticus. Julius Sabbe (18461910) was de minnende dichter van de stad Brugge en een van de voorvechters van Brugge Zeehaven. Julius Hoste (1848-1933), dramaturg en journalist, verwierf vooral bekendheid als stichter van "Het Laatste Nieuws".
Isidoor Teirlinck (1851-1934) en zijn zwager Raimond Styns (1850-1906), beiden lid van "Les Amis Philanthropes", schreven samen de populaire roman "Arm Vlaanderen", die over de schoolstrijd handelde. Theophiel Coopman (1852-1915) was de auteur van het mooie lied "Mijn Vlaanderen heb ik hartelijk lief" en medeauteur van verzamelwerken zoals de "Geschiedenis der Vlaamsche letterkunde" en de "Bibliographie van den Vlaamschen taalstrijd".
Ook nog te vermelden zijn de jeugdvriend van Albrecht Rodenbach, Pol De Mont (1857-1931), de auteur van "Het gezin Van Paemel" Cyriel Buysse (1859-1932) en Maurits Sabbe (1873-1938), die naast zijn academisch werk ook de auteur was van "De filosoof van 't sashuis", "Een mei van vroomheid" en "De nood der Bariseeles", die zich allemaal in het vredige Brugge afspeelden.
Al deze personages waren sieraden van de Belgische vrijmetselarij. Weinig of geen onder hen was in de "profane" wereld als dusdanig bekend. Hadden ze zich als vrijmetselaar kenbaar gemaakt, dan zouden ze hiervan wellicht enige ongunstige weerslag hebben ondervonden, maar zouden zij ongetwijfeld het prestige en de uitstraling van de loges bevorderd hebben.
Het eeuwige dilemma voor een vrijmetselaar!

Nieuwe strijd met de Kerk.
Had de Belgische vrijmetselarij vanaf 1894 veel van haar politieke macht verloren en was ze vooral bezig met het helen van de eigen wonden, de strijd met de katholieken zou weldra weer hoog oplaaien.
In 1884 had paus Leo XIII (1810-1903) met zijn encycliek "Humanum genus" het signaal gegeven voor nieuwe aanvallen op de "sekte". De encycliek en wat erop volgde, behoort niet tot de mooiste bladzijden van de Kerk.
Zoals in elk conflict kan men de schuld op de andere werpen. Het is duidelijk dat de vrijzinnigen en in de eerste plaats de vrijmetselaars, waar zij aan de macht kwamen, de positie en de invloed van de Kerk wilden breken. Men had het in Belgie vastgesteld met de liberale regering Frere-Orban en Van Humbeeck. Men zag het nog duidelijker in Frankrijk en in Italie.
Het pauselijk leergezag had dus wel redenen om met kracht de Kerk en de kerkelijke instellingen te verdedigen . De nieuwe veroordeling werd evenwel het signaal voor heel wat minder fraaie aanvallen, die werden georganiseerd door leden van de lagere clerus en die aanleiding gaven tot het oprichten van antimašonnieke liga ' s . De verwijten en beschuldigingen tegen de loges en tegen individuele vriimetselaars waren heftig, overdreven en vaak kinderachtig.
In ons land werd in 1910 een "Antimaconnieke Liga" opgericht, die zich liet gelden door woord en geschrift. De Franse evolutie was hieraan niet vreemd. In Frankrijk was de vrijmetselarij trager in de richting van de vrijzinnigheid geŰvolueerd dan in Belgie, maar onder de Derde Republiek was dit vanaf 1877 een voldongen feit.
In tegenstelling tot Belgie, waar de vrijmetselaars en hun ideeen vanaf 1884 voor dertig jaar in de oppositie werden gedrongen, triomfeerde in Frankrijk het laiciserende gedachtengoed. Parlement en regering telden talrijke actieve vrijmetselaars. De katholieke scholen en de religieuze congregaties werden de voornaamste schietschijven. De katholieken beschouwden de wetten die tegen hun werden ingeveerd, als een nieuwe kerkvervolging.

In 1904 kwam aan het licht dat in de "Grand Orient" een inlichtingendienst werkte, die als opdracht had de officieren in het leger te bespioneren en aan de minister van oorlog aan te wijzen wie "goede republikeinen" waren die hij bij voorkeur moest bevorderen ten nadele van officieren die als katholiek en anti-republikeins gebrandmerkt werden. Het schandaal was enorm. De oprichting van een Franse "Ligue antimašonnique" was er een direct gevolg van.
Vooral in de jaren 1912-1914 was de anti-maconnieke activiteit aanzienlijk, zowel in Frankrijk als in Belgie.
De oorlog maakte hieraan een einde en bracht zelfs een toenadering tot stand tussen grootmeester Charles Magnette en kardinaal Mercier (1851-1926). De loges die door de bezettende overheid in het oog werden gehouden maar niet verboden, beperkten zich tijdens de oorlog tot hulpverlenende activiteiten: inrichting van veldhospitalen, hulp aan geteisterde broeders, uitdeling van soep en middagmalen, oprichting van aan- en verkoopcooperaties, enz.
Vlak voor de oorlog telde het Belgisch Grootoosten 4300 leden, in 1918 waren het er nog 3700. In een sfeer van vurig patriotisme en teruggevonden nationale eendracht kon de vrijmetselarij zich spoedig herstellen. In de euforie van de overwinning verstomden de wederzijdse aanvallen tussen vrijmetselaars en integristische fracties in het katholieke kamp. Niet voor lang evenwel.
Het interbellum.
In 1934 nog kon de vrijmetselaar Maurice Cock in zijn studie "A l'assaut de la franc-maconnerie" besluiten dat van de vooroorlogse aanvallen tegen de vrijmetselarij "niets, tenzij bij sommigen enige schaamte was overgebleven.
Toch stapelden de wolkenvelden zich toen al boven de tempels op. Totalitaire regimes, zowel van rechts als van links, verboden de ene na de andere de vrijmetselaarsactiviteiten. De Sovjetunie had het voorbeeld gegeven in 1917 en het regime van Bela Kun in Hongarije volgde in 1919. In West-Europa werden de loges het mikpunt van de fascistische of dictatoriale regimes, die een na een de "geheime genootschappen" verboden: het Horthyregime in Hongarije in 1920, Italie in l9Z5, Portugal en het Duitse Rijk in 1935 (de meeste loges hadden al vanal 1933 hun werkzaamheden gestaakt), Polen in 1938, Spanje in 1940. De invasies van nazi-Duitsland en van de Sovjetunie deden de loges natuurlijk ook in alle landen van Oost-Europa verdwijnen. Het Belgisch Grootoosten nam de verdediging op zich van de vervolgde broeders.
In november 1925 publiceerde het een manifest, waarin plechtig werd geprotesteerd tegen de opheffing van de Italiaanse loges. Een jonge broeder van "Les Amis Philanthropes", Leo Moulin (░1906), voegde de daad bij het woord en trok in mei 1931 naar Italie met een lading pamfletten tegen het fascisme. Hij werd aangehouden en veroordeeld en de hele vrijmetselarij spande zich in om hem vrij te krijgen. Dit slaagde een jaar later en Moulin werd als een held verwelkomd.

In 1933 publiceerde het Grootoosten een protest tegen de jodenvervolgingen in Duitsland en vanaf 1936 steunde hi; de Spaanse republikeinen en vooral de Spaanse vrijmetselaars, die om hulp schreeuwden .
Hoe meer de vrijmetselarij zich solidair toonde met de vervolgde broeders, des te meer werd ze natuurlijk het mikpunt van aanvallen door die genen die het verbieden van de loges als een rechtmatige zaak beschouwden.
Vanaf september 1939 kantten veel vrijmetselaars zich tegen de neutraliteitspolitiek van Belgie en wilden ze de strijd aangaan aan de zijde van Engeland en Frankrijk. Hoewel het Grootoosten hier zelf geen stelling in nam, werd toch in de vijandige pers verzekerd dat de "Oproep der 59", die door heel wat vrijmetselaars was ondertekend, een initiatief van de loges was.
De vrijmetselarij was in de voorbije decennia veeleer de neutralistische en pacifistische richting opgegaan. Men koesterde grote verwachtingen in de Volkenbond, die, volgens een verklaring van het Grootoosten in 1925, "op het politiek vlak dezelfde doelstellingen nastreeft als de vrijmetselarij op het moreel vlak". Het Belgisch Grootoosten was dan ook medeoprichter van een "Internationale Vrijmetselaarsfederatie voor de Volkenbond".

Er was trouwens in de schoot van de vrijmetselarij al van voor de Eerste Wereldoorlog een radicaal-pacifistische groep, die de politiek van het "gebroken geweer" voorstond. Een van de vaandeldragers hiervan was de achtbare meester van "Les Amis Philanthropes" en ondervoorzitter van de Senaat, de socialist en pacifist Henri Lafontaine (1854-1943), die in 1913 de Nobelprijs voor de vrede ontvangen had nadat hij een "Wereldcongres voor de Vrede" in Den Haag had voorgezeten en er had verklaard dat "officieren en soldaten zo'n afgrijzen van de oorlog moesten hebben dat ze hun wapenen verbrijzelden op hun knieen". Bleef zo'n utopisch idealisme nog aanvaardbaar, als de tekenen van oorlogsvoorbereiding duidelijk werden? In ieder geval waren sommigen in 1939 lucieder. Het probleem was wel dat het pacifisme in 1913 en het bellicisme in 1939 telkens tegen de stroom van de grote meerderheid van de opinie in ging. Redenen dus om de vrijmetselarij verder aan te vallen en in het defensief te dringen.
De "Judeo-mašonnerie".
Op een ander domein evenwel kreeg de vrijmetselarij het in het interbellum het hardst te verduren. Vanaf 1933 deed de hetze tegen de joden, die zich over heel Europa begon te verspreiden, ook opnie!uw de c ampagnes tegen de vrijmetselaars aanzwellen. Beide groepen werden v oortaan beschouwd als een amalgaam van staatsgevaarlijke liedlen. De term "judeo-mašonnerie" was geboren.
Het grote argument in de strijd was, dat deze judeo-mašonnerie in het geheim een wereldheerschappij aan het voorbereiden was. Oe "besivijzen" hiervoor haalde men hoofdzakelijk uit een tekst die gemoemd w erd "De Protocollen van de Wijzen van Zion" en die in 1903 in het tsaristisch Rusland was verschenen. Als aanhangsel bij een boek "De Antichrist als aanstaande politieke mogelijkheid" was een verslag gepubliceerd van een vergadering van "Wijzen van Zion", die in 1897 in Basel zou zijn gehouden en waaruit moest blijken dat een joodse Internationale voorbereidingen trof om zich van de wereld meester te maken.
Een van de kanalen waarlangs dit moest gebeuren, was volgens dit verslag de vrijmetselarij.
Het bleek algauw dat de "Protocollen" een mystificatie \waren, bekokstoofd door de "Ocrana", de geheime diensten van de tsaar. Men kon namelijk aantonen dat het om niets anders ging dan om een wat bijgewerkte versie van een boekje dat al in 1864 in Brussel was gepubliceerd, van de hand van een Maurice Joly: "Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu".
De Ocrana zocht vooral de progroms tegen de joden te rechtvaardigen en tevens de bolsjewieken te schaden. Er moest aangetoond worden dat, in het kielzog van Marx en Engels, de samenzweerders tegen het Heilige Rusland hoofdzakelijk joden waren en met voormannen zoals Lenin en Trotski was dit niet moeilijk.
De "Protocollen van de Wijzen van Zion" is een van de schandelijkste maar tevens succesvolste vervalsingen van de twintigste eeuw geweest. Allen die een zondebok zochten de nationalisten, de fascisten, de nazi's hebben dankbaar en uitgebreid van de lichtgeloxligheid van de massa's en zelfs van de intellectuelen gebruik gemaakt om steeds opnieuw de "Protocollen" in hun antisemitische en anti-mašonnieke campagnes als "bewijs" te gebruiken.
Weldra kwam zich bij de judeo-mašonnerie nog een derde te bestrijden vijand voegen, het bolsjevisme. Drie vliegen in een klap!
In ons land werd deze zienswijze onder meer verwoord door graaf Maurice le Grelle (1903-1973) in zijn in 1932 bij Rex gepubliceerde "La Franc-mašonnerie" Hij schreef: "Een objectieve vergelijking wan de doelstellingen van de vrijmetselaars en de verwezenlijkingen wan de Sovjets brengt ons tot het besluit dat beide gelijk lopen. De Godshaat, de oorlog tegen de christelijke instellingen, de propaganda voor de immoraliteit verenigt ze. De internationale joderij regeert de wereld op tirannieke wijze dank zij zijn rijkdom. Die geheime en ongrijpbare macht weroorzaakt schandalen, wakkert de onrust aan en organiseert oproer, oorlogen of revoluties. Vriimetselarij en joderij zijn een. Overal verbonden, gehoorzamend aan dezelfde onderduimse directieven en aan dezelfde instincten, tasten zij de maatschappij aan". En hij besloot met de stilaan zeer verspreide strijdkreet: "La Franc-mašonnerie, voila l'ennemi!"

Dat de volgelingen van Maurras en weldra de Rexisten en de Vlaams-nationalisten dezelfde stellingen aanvaardden en voortaan konden zeggen "contre les bolcheviques, contre les juifs, contre les francs-macons: meme combat", was bijna fataal.
Het is voor de latere generaties veel minder begrijpelijk dat zoveel gematigden zich eveneens van dit onzinnige amalgaam lieten overtuigen.
In katholieke kranten zoals "De Standaard", "Gazet van Antwerpen", "La Libre Belgique" en "Le Vingtieme Siecle" werden de vrijmetselaars hard aangepakt. Verschillende priesters streden in de voorste gelederen en het werd moeilijk het onderscheid te maken tussen rechtmatige en principiele bezwaren die men vanuit een katholiek standpunt tegen de vrijmetselarij kon hebben, en louter politieke of zelfs irrationele beweegredenen, waarbij de grenzen van de verdraagzaamheid en de welvoeglijkheid, om niet te spreken van de christelijke naastenliefde, aanzienlijk werden overschreden.
De schandaalsfeer.
In het paranoide klimaat dat tot stand kwam, werd de minste zwakheid die men bij de tegenstander kon aantreffen, opgeklopt tot een buitensporig schandaal.
Begin 1934 werd eerst Frankrijk en weldra heel Europa op stelten gezet door het Staviskyschandaal. De Russische jood Alexander Stavisky (1886-1934), een oplichter van groot formaat, had tot aan zijn bankroet op onverklaarbare medeplichtigheden kunnen rekenen in de hoogste politieke en financiele kringen. Hoewel zelf geen vrijmetselaar, bewoog hij zich in kringen waar de mašons en o.m. de joodse mašons talrijk waren en genoot hij protectie van sommigen onder hen.
De "maffia van de mašonnerie" werd dan ook van medeplichtigheid met Stavisky beschuldigd. De oplichter had profijt gehaald uit de venale solidariteit die heerste in "la republique des camarades".

Frankrijk stond weldra in rep en roer en een crisis van het regime brak uit. Een manifestatie van rechtse oud-strijders tegen de parlementaire democratie werd bloedig onderdrukt: twintig doden vielen bij de Place de la Concorde. Raadsheer Albert Prince, die de Staviskyzaak moest onderzoeken, werd vermorzeld aangetroffen langs de spoorlijn Parifs Dijon. Algemeen werd aangenomen ten onrechte zoals vele jaren later zou blijken dat de vrijmetselarij hem vermoord had .
Belgie kende een soortgelijke schandaalsfeer. Een militair geneesheer, dokter Paul Ouwerx (1896-1946), was er een van de actieve gangmakers van. Disciplinair gestraft door de mašon Albert Deveze, minister van landsverdediging, zon hij op wraak. De socialistisch geinspireerde politiek van volksgezondheid zou hem de mogelijkheid hiertoe bieden. Alles wat deze politiek inhield (preventieve geneeskunde, seksuele voorlichting, lichamelijke opvoeding, schoolinspectie, recreatiedomeinen) was voor hem des duivels.
In een adem beschuldigde hij alle mašons die aan de sovjettisering en de etatisering van de geneeskunde meewerkten: de ministers van volksgezondheid Emile Vandervelde, Arthur Wauters (1890-1960) en Joseph Merlot (1885-1959), de jood en secretaris-generaal van het ministerie van volksgezondheid Rene Sand (1877-1953) en de adjunct secretarisgeneraal M. De Laet.

Wat in hun plannen voorkwam aan socialiserende voorstellen, die ook in het Plan van de Arbeid van Hendrik De Man (1885-1953) waren opgenomen, werd door Ouwerx en consoorten als de bolsjevisering van de Belgische geneeskunde beschreven. Dit bleef nog op het niveau van de politieke controverse. Het werd anders toen Ouwerx tot de ontdekking kwam, dat een zekere dokter Imianitoff op het ministerie van volksgezondheid de inspirator was van de nieuwe ideeen.
Frederic Imianitoff (░1902) was jood, vrijmetselaar, socialist, voorstander van abortus en voorbehoedsmiddelen, auteur van het hoofdstuk "Sociale hygiene" in het plan van De Man: een gedroomde schietschijf. Ouwerx kwam tot de ontdekking dat de dokter zich een prestigieus oorlogsverleden in het Engels leger had aangemeten, hoewel hij geen soldaat was geweest en vooral in Engeland slechts lagere medische studie had volbracht. Hij werd derhalve aangeklaagd wegens usurpatie van een wettelijk beschermde titel en het onwettig uitoefenen van de geneeskunde. Imianitoff werd aangehouden en veroordeeld; de antisemitische en antimac,onnieke kringen triomfeerden.
Waren de loges onschuldige slachtoffers van een onrechtvaardige vervolging? In grote mate wel, maar toch niet helemaal. Hun politieke opstelling maakte ze kwetsbaar en het politiek engagement van een aantal vooraanstaande broeders bracht heel wat risico's met zich mee. De recrutering was ook niet altijd oordeelkundig of voorzichtig: militante vrijzinnigheid gold als voornaamste criterium, waarbij meer discutabele aspecten van sommige kandidaten werden genegeerd.

De Franse vrijmetselaar Albert Lantoine (1869-1949) schreef in 1926 in zijn boek "Hiram couronne d'epines": "De democratie heeft van de vrijmetselarij een plaatsingsbureau voor ambtenaren gemaakt. In plaats van een cenakel van de vrije gedachte is ze een broeinest van vrijdenkerij geworden". Dit was ook op het Belgisch Grootoosten toepasselijk.
De heftige, overdreven en irrationele houding van grote delen van de publieke opinie tegenover de vrijmetselarij was het gevolg van een maatschappij in volle mutatie en in crisis. De parlementaire democratie had in menig opzicht gefaald en zoals steeds als het verkeerd loopt, werden zondebokken gezocht.
De joden kwamen voor deze weinig benijdenswaardige rol al eeuwen in aanmerking en het was dan ook het doeltreffendst om vrijmetselaars en joden, met voor een goed gewicht de soviets erbovenop, als de veroorzakers van alle kwalen te bestempelen. Stilaan kwam hiertegen, minstens in enkele intellectuele kringen, een reactie op gang. Zowel in de kerkelijke hierarchie als in de loge-obedienties begon men zich rekenschap te geven van de nutteloosheid van een strijd die in het niets verzonk in vergelijking met het totalitaire gevaar, zowel van links als van rechts.

Jules Romains (1885-1972) legde in zijn "A la recherche d'une eglise" de volgende woorden in de mond van een hoge logedignitaris: "Men zal vroeg of laat toch eens het meningsverschil tussen ons en de Kerk moeten bijleggen. Ik heb niet de indruk dat het nog aan die kant is dat zich onze voornaamste vijand bevindt".
De strijders waren moe, de strijd leek zo nutteloos.
Op 10 mei 1940 overspoelde het Derde Rijk ons land: kerk en tempeL hadden voortaan een prioritaire en gemeenschappelijke vijand.