Occultisme
Odd Fellows,
Oecumenische beweging De moderne oecumenische beweging Oermonotheïsme
Oosterse kerken INDELING.
GESCHIEDENIS.
BYZANTIJNSE KERKEN.
KLEINE OOSTERSE KERKEN.
ONDERLINGE CONTACTEN.
Oostersyrische Kerk,
Opus Dei
Orthodoxe kerken,
Oude Testament,
Oud-Gereformeerde Gemeenten in Nederland
Oud-katholieke kerken




Occultisme
(v. Lat. occult us = verborgen, geheim) is een verzamelnaam voor de leerstellingen en praktijken van bepaalde personen of groepen die beweren over een geheime, hun adepten of ingewijden alleen toegankelijke leer of wetenschap te kunnen beschikken, waarvan de grondslagen zouden zijn verkregen in een tijdperk der mensheid dat ver achter ons ligt. Dit occultisme vertoont zich in de oudheid bijv. in de mysteriŽn met hun inwijdingen en geheime leer. In de middeleeuwen maakten de kabbalisten en alchimisten aanspraak op het bezit van zulk een geheime wetenschap, waarvan de praktische toepassing tot bijzondere prestaties in staat zou stellen. Modernere vormen van occultisme vindt men o.a. in de theosofie, de antroposofie, de astrologie, het spiritisme en bij de Rozekruisers.

Lit.: M. C. VAN MOURIK BROEKMAN, Geestelijke stromingen in het christelijk cultuurbeeld (I949); G. 3. LINDEMAN, De theosofie (z.}., ca. 1950); A. WIESINGER, Okkulte Phanomene im Lichte der Theologie (21953); R. AMADOU, Das Zwischenreich. Vom Okkultismus zur Parapsychologie (1957).



Odd Fellows, INDELING.
GESCHIEDENIS.
BYZANTIJNSE KERKEN.
KLEINE OOSTERSE KERKEN.
ONDERLINGE CONTACTEN.
Orde der (eigenlijk Independent Order of Odd Fellows, afk.: IOOF) is een internationale vereniging met humanitaire doelstellingen, in verscheidene opzichten verwant aan, doch geheel onafhankelijk van de Vrijmetselarij. Zij ontstond in Engeland in de jaren rond 1750, waarschijnlijk, doordat handwerksgezellen die tot geen enkel gilde werden toegelaten (vandaar vermoedelijk de naam oddfellows: overblijvende of losse gezellen). zich aaneensloten voor onderlinge hulpverlening. De orde breidde zich uit naar de Verenigde Staten, waar een uit Engeland geŽmigreerd lid, de smid Thomas Wildey, vanuit Baltimore de verspreide loges wist te verenigen en aldus de Amerikaanse tak van de orde stichtte (1819). Van de Verenigde Staten uit deed de orde haar intrede op het vasteland van Europa, het eerst in Duitsland (1870). De eerste loge in Nederland ontstond in 1877; in 1900 werd de Groot-Loge voor het Koninkrijk der Nederlanden opgericht te Amsterdam.

De Odd Fellows vormen een onderlinge broederschap, die op vrij nauwkeurige ballotage is gebaseerd, en stellen zich als hoofddoel de broederschap onder alle mensen zowel ideŽel als daadwerkelijk te bevorderen en te dienen. Van de leden wordt gevraagd de erkenning van een Hogere Macht, doch hun wordt principieel vrijheid gelaten ten aanzien van de vorrn van eventuele dienst daaraan. Zij komen samen in hun Tempel, punt van samenkomst van een plaatselijke loge, waarin men door ethische voordrachten en besprekingen voor elkaar geestelijke verdieping zoekt. Het geheel staat onder de 'Soevereine Groot-Loge, in de Verenigde Staten, terwijl men per nationaliteit spreekt van een 'Groot-Loge' voor de desbetreffende "Jurisdictie'. Elke Groot-Loge staat onder leiding van een gekozen Grootmeester.

Tot de Jurisdictie Nederland behoort ook BelgiŽ. De Odd Fellows kennen een gradensysteem, als teken van persoonlijke verdieping in de orde-idealen. Deze laatste word en gesymboliseerd door drie aaneengesmede schakels van een gouden ketting; hun betekenis is: vriendschap, liefde, waarheid. De orde kent inwijdingsceremoniŽn en verbindt aan het gradensysteem symbolen. Zij is een 'geheim' genootschap inzoverre er tegenover buitenstaanders een zekere geheimhouding betracht wordt ten aanzien van ritueel en graden en er gebruik gemaakt wordt van enkele geheime tekens en woorden, dienende tot onderlinge herkenning. Het totaal aantal leden over de hele wereld kan worden geschat op 2 miljoen. In Nederland bestaan 50 mannenloges (ca. 2500 leden) en 28 vrouwenloges (ca. 1300 leden; deel uitmakend van de afzonderiijke, sedert 1851 bestaande Rebekkah-tak). Bovendien zijn er 15 Jong Odd Fellow Clubs met ca. 300 leden.

Lit.: C. H. BROOKS, History and manual of the Independent Order of Odd Fellows (1893 VV ); J. VISSER CZN. en C. VAN DER ZEYDE, De onafhankelijke orde van Odd Fellows (1901); A. LOTTHAMMER, Handbuch fur Odd Fellows |1907); R. W. MOFFREY, A century of Odd Fellows(1910); A. WEISZ, Der 0dd Fellowsorden(l922)



Oecumenische beweging
is een poging tot herstel van de eenheid der christenen in een organisch verband. Het woord oecumenisch is afgeleid van het Griekse oikoomene, dat in het Nieuwe Testament gebruikt wordt voor 'de gehele wereld', feitelijk beperkt tot het Romeinse Rijk (vgl. Hand. 1731 met Luc. 2 :1). Later is het op de christelijke kerk toegepast. Men spreekt van oecumenische concilies als samenkomsten van bisschoppen der gehele wereld; van oecumenische symbolen of geloofsbelijdenissen; de patriarch van Constantinopel noemt zich oecumenisch patriarch. Tegenwoordig wordt het begrip oecumenische beweging vooral gebruikt voor het eenheidsstreven der christelijke kerken, bijv. in oecumenische raden.

De oecumenische beweging komt in verschillende vormen voor. Zo ontstonden wereldbonden van kerken die tot ťťn confessie behoren, nl. van baptistische, hervormde, lutherse en methodistische kerken (de World Methodist Council noemde zich oorspronkelijk Ecumenical Methodist Conference). Andere confessies komen in bisschopsconferenties samen (anglicanen) of in vergaderingen van ambtsdragers, zoals de Gereformeerd Oecumenische Synode.

Reeds op de Concilies van Lyon (1274) en Ferrara-Florence (1437-l439) zijn poglngen gedaan om tot herstel van de eenheid tussen de oosterse en de westerse kerken te komen, echter tevergeefs. In de 16de en volgende ecuwen hebben o.a. Luther, Calvijn, Erasmus, Hugo de Groot, Comenius, Leibniz en Bossuet voorgesteld een concilie te houden om tot eenheid der kerken te komen. De 19de eeuw liet het ontstaan zien van verscheidene verenigingen op interconfessionele of oecumenische grondslag, zoals de Young Men Christian Association, Young Women Christian Association, de World's Student Christian Federation, World Council of Christian Education and Sunday School Association.
De World's Student Christian Federation was van groot belang, omdat deze verscheidene leiders voor de latere oecumenische beweging heeft opgeleverd (J. R. Mott, W. A. Visser 't Hooft e.a.). In de studentenbeweging ontstonden twee belangrijke gezichtspunten: 1. het gaat om kerken en niet om vrienden van de oecumene; 2. men blijve loyaal jegens de eigen confessie als inbreng in het geheel en vermijde het zoeken van een grootste gemene deler.



De moderne oecumenische beweging
in anglicaanse, orthodoxe en reformatorische kringen dateert van de 20ste eeuw. In 1910 werd te Edinburgh onder leiding van John Mott een wereldconferentie over zendingsvraagstukken gehouden, waar de verdeeldheid der kerken als hinderpaal voor de verbreiding van het evangelie het belangrijkste thema was. Een resultaat van deze conferentie was de oprichting (1921) van de Internationale Zendingsraad, die in 1961 in de Wereldraad van Kerken werd geÔntegreerd. Voorts groeide allengs de overtuiging dat de kerken in het verleden de sociale en internationale noden der mensen te veel genegeerd hebben. In 1914 werd te Konstanz de Wereldbond voor Internationale Vriendschap door de kerken gesticht~ die grote activiteit op pacifistisch gebied ontvouwde.

Op de conferentie te Oud-Wassenaar (1919) bepleitte Nathan SŲderblom de oprichting van een oecumenische raad die de christelijke kerken zou vertegenwoordigen. Het door hem begonnen werk op sociaal, economisch en internationaal gebied werd georganiseerd als de 'universele christelijke conferentie voor leven en werken de kerken' (Life and Work). Als derde component der beweging valt te noemen de beweging voor geloof en kerkorde (Faith and Order). Voor de eenwording bleek nl. meer nodig dan samenwerking op praktisch gebied, met name overeenstemming in zaken van geloof, liturgie en ambt. Op de conferenties van Oxford en Edinburgh (1937) werd besloten beide bewegingen te bundelen in de *Wereldraad van Kerken.

Tot voor kort had de Rooms-Katholieke Kerk niet met de genoemde bewegingen meegewerkt. De traditie omtrent het oecumenisme was dat de ene kerk, door Christus gesticht, reeds bestaat en de paus van Rome als haar aards hoofd erkent. Men betreurde de afscheidingen van deze kerk en hoopte vurig op terugkeer van de afgescheiden broeders naar de ene bestaande kerk. Dit kon gebeuren door aanvaarding van de geloofsbelijdenis, de sacramenten en het hiŽrarchisch geordende leergezag. Wel bestond grote belangstelling voor de afgescheidenen, vooral voor anglicanen en orthodoxen.
Van 1890 tot 1896 hadden samensprekingen plaats tussen de anglicaan lord Halifax en pater F. Portal, welke van 1921 tot 1926 herhaald werden in tegenwoordigheid van de Mechelse kardinaal Mercier (de zgn. Mechelse besprekingen). Leo Xlll stelde in 1895 een pinksternovene of gebedsweek in voor verzoening met de afgescheidenen. Hij erkende de gelijkwaardigheid van de oosterse tradities en liturgie met de Romeinse. Te Rome werden een oosters instituut en de Congregatie voor de oosterse kerken opgericht. Kloosters, vooral van benedictijnen, werden oecumenische centra {Chevetogne, Istina te Boulogne bij Parijs7 Paderborn, Niederaltaich, Lyon). In Nederland werd in 1927 het Apostolaat der Hereniging ingesteld. In Duitsland ontstond de Una Sancta Bruderschaft onder leiding van M. J. Metzger.

Vele theologen schreven over het oecumenisme (J. A. MŲhler, Y. M.-J. Congar, C. J. Dumont, N1. Villain, W. H. van de Pol). In de encycliek Mortaliam snimos (1928) herhaalde Pius Xl echter de leer van het primaat en werd terugkeer tot de moederkerk geŽist. Een monitum van het heilig oficie (1948) waarschuwde tegen het houden van bijeenkomsten van katholieken en niet-katholieken over geloofsvragen, waarin de instructie Ecclesia catholica (1949) enige verruiming bracht. In 1952 kwam op initiatief van F. Thijssen en J. Willebrands de *Confťrence Catholique pour les questions oecumťniques tot stand. Ook ontstonden er vele gesprekskringen van geestelijken en leken.

In 1960 richtte paus Johannes XXIll het Secretariaat tot bevordering van de eenheid der christenen op. Het secretariaat (voorzitter kardinaal E}ea, secretaris J. Willebrands, die Bea als voorzitter opvolgde) was bedoeld voor voorlichting aan niet-katholieken over het Tweede Vaticaans Concilie, maar is sedertdien het orgaan dat intens samenspreekt en samenwerkt met de Wereldraad. De belangrijkste gebeurtenis is uiteraard het concilie zelf, dat o.a. het decreet Unitatis redintegratio (1964) over het oecumenisme en een principiŽle verklaring over de godsdienstvrijheid, Dignitatis humanae (1965), opstelde. In het decreet worden de van Rome afgescheiden gemeenschappen voor het eerst officieel kerken of kerkelijke gemeenschappen genoemd. Binnen deze zijn volgens het decreet 'sporen, wezenlijke elementen, der ware kerk te vinden'.

Verder wordt er in gesteld dat het bij hereniging niet gaat om een terugkeer zonder reserve (want het verlenen van genadegaven door de Heilige Geest aan niet-katholieke kerken wordt ronduit erkend) en dat de eenheid der kerk slechts wordt bereikt door vernieuwing van alle (ook de katholieke) kerken. Dank zij het concilie zijn de oecumenische bewegingen in ťťn bedding gekomen, al werd in het begin van de jaren zeventig de houding van het Vaticaan weer wat stroever, zoals o.a. bleek uit de verklaring van de Congregatie voor de Geloofsleer Mysrerium Ecclesiae (24 juni 1973). Contacten tussen rooms-katholieken en protestanten worden steeds hechter. In verscheidene landen vieren geestelijken samen de dienst van woord en tafel, al is dit niet officieel toegestaan. Wel officieel vinden besprekingen plaats, o.a. met anglicanen, Pinksterkerken en lutheranen. Besprekingen zijn ook gaande van anglicanen en lutheranen met oosters-orthodoxen.

Het verst vorderden de gesprek ken tussen hervorrnd en en lutheranen in de zgn. Leuenberger Concordia (I971}, welke door vele der betrokken kerken is aanvaard (1974). - In de laatste jaren hebben sommigen - vooral jongeren - kritiek geuit omdat de oecumenische beweging te zeer aan institutionalisering vervallen zou zijn. Velen van hen willen minder de eenheid der kerk dan wel de eenheid (oecumene) der mensheid, en wel uitsluitend in het wereldlijke vlak, bevorderen. - Ook * Kerkverenigingen.

Lit.: Y. M.-J. CONGAR, Chretiens dťsunis. Principes dbun oecumťnisme catholique (1937); W. R. HOGG, Ecumenical Éoundahons A history of the International Missionars Council and its :gth cent. background (X952); R. ROUSE en S. C. NEILL, History of the Ecumenicai Movement 1517-1948 (1954}; W. A. VISSER 'T HOOFT, DĘS Sinn des Wortes iŲkumenisch (1955); W. F. GOLTERMAN, Een Heer, ťťn Kerk (1956); w. H. VAN DE POL, De oecumene (Ig6l); M. VILLAIN, Introduction ŗ lsoecumťnisme (3I961), W. F. GOLTERMAN, Eenheid in de chaos der kerken (1962); N. KARLSTR÷M, Okumene in Mission und Kirche {vert. 1962); 1. F. LESCRAUWAET, Compendium van het oecumenisme (tg62) H. A. M. FIOLET, Dilemma doorbroken (1965); H. VAN DrR LINDE, De oecumene in een planetaire wereld 1 1 967); H. E. FEY (red.). The ecumenical advance (1970), o. CULLMANN. vrai et faux oecumťnisme (1971); N. JUNG, silan de lsoecumťnisme contemporain {1971); G. CASALIS7 oie Zukunft des Okumenismus (1972); N. GOODALL, Ecumenical progress. a decade of change in the ecumenical movement (1972)7 M. L!ENHARD, Lutherische-Reformatorische Kirchengemeinschaft (I972); H. MEYER, Luthertum und Kathoaizismus im Gesprach (1973); W. A. V!SSER 'T HOOFT, Heeft de oecumenische beweging toekomsto i 1933).



Oermonotheisme
heet de theorie die het geloof in ťťn god niet beschouwt als de vrucht van een geleidelijke, eeuwenlange godsdienstige ontwikkeling, maar als het begin van het godsdienstig besef van de rnensheid. Dit oermonotheÔsme zou vervolgens ontaard zijn in veelgodendom en demonengeloof. Deze godsdienstwetenschappelijke opvatting sluit aan bij de vooral door rooms-katholieke theologen verdedigde leer van de oeropenbaring, volgens welke de eerste mensen zuivere godskennis hebben bezeten, die Zij door de zondeval grotendeels verloren hebben. Verder zoekt deze theorie steun in de merkwaardige gegevens die`Andrew Lang als eerste bij natuurvolken ontdekte. Hij vond nl bij sommige zeer primitieve volken een geloof in een Hoogste Wezen, dat verheven eigenschappen bezit, een voorstelling die aan een aanvankelijk *monotheisme doet denken.

Het is de verdienste van vooral Wilhelm Schrnidt en zijn School dat deze voorstellingen grondig zijn bestudeerd en gepubliceerd. Het onderhavige probleem blijkt ingewikkeld te zijn. Het valt nl. niet te bewijzen dat het geloof in het Hoogste Wezen aan het begin van de godsdienstige ontwikkeling der mensheid staat. Naast dit geloof treft men in de oudste lagen van het godsdienstig bewustzijn der mensheid het *animisme, het geloof in geesten en zielen van gestorvenen, en het 'dynamisme' de schroom voor een bovennatuurlijke macht, aan. Godsdiensthistorisch is het monotheÔsme een laat verschijnsel, nl. de vrucht enerzijds van godsdienstige bezinning,, die het ťne goddelijke wezen achter de veelheid van godengestalten zocht, anderzijds van profetische openbaring, waarin de ťne &od zijn wezen en zijn wil bekend maakte. Het oerrnonotheÔsme in de strikte zin van het woord is momenteel een verlaten standpunt.

Lit.: A. LANG, The making of religion (3Igog); W. SCHMIDT, lDer Ursprung der Gottesidee (12 din., 1912 1956); R. PETTAZZONI, Dio, Formazione e sviluppo del monoteisme nella storia delle religioni, 1: L'essere celeste nelle credenze dei populi primitivi (1922); K. TH. PRFUSS Glauben und Mystik im Schatten {~es hŲchsten Weses 1926); N. S÷NERBLOM, Das Werden des Gottesglauben (1926); J. I. FAHRENFORT, Het hoogste wezen der primitieven (1927); W. F. ALBRIGHT, From the stone age to christianity (1940); A. E. JeNsEN, Mythos und Kult bei NaturvŲlker (195l); W. E. MUHLMANN, Das Prohlem des Urmonotheismus, in: Theol. Literaturzeitung, 78 (1953), biz. 705; P. RADIN, Gott und Mensch in der primitiven Welt 11 9S3); Wr. MUHLMANN, Homo creator ( 1962).



Oosterse kerken
noemt men de kerken die ontstaan zijn in het oostelijk deel van het Romeinse Rijk of van daaruit gemissioneerd zijn. Zij onderscheiden zich van de Latijnse kerk door eigen eredienst, wetgeving, gebruiken, cultuur e.d. Door emigratie bevinden zich vele leden der oosterse kerken in West-Europa en Amerika, zodat het begrip niet uitsluitend geografisch bepaald is. Een gedeelte van de oosterse christenen leeft in gemeenschap met Rome; anderen zijn onafhankelijk met eigen hiŽrarchie. Het totale aantal der oosterse christenen wordt geschat op 150 miljoen: 140 miljoen orthodoxen, 10 miljoen katholieken.



INDELING.
Voor het klasseren van deze kerken is ťťn verdeelsleutel niet voldoende. Men kan ze onderbrengen:
a. volgens geloof in: nestoriaanse, monofysitische~ Byzantijns-orthodoxe en katholieke kerken;
b. volgens liturgie in: kerken met Antiocheense liturgie, hetzij van de Oostsyrische tak (nestoriaanse of Chaldeeuwse liturgie: PerzlŽ; Syro-Malabaarse liturgie: India), hetzij van de Westsyrische tak (jakobitische liturgie: Edessa, SyriŽ, Zuid-Turkije; Syro-Malankarese liturgie: India; maronitische liturgie: Libanon), hetzij van de Syro-Aziatische tak (Byzantijnse liturgie: Constantinopel, Griekenland, Balkan, Rusland, GeorgiŽ; Arrneense liturgie: ArmeniŽ), en in kerken die de Alexandrijnse liturgie volgen (Koptische liturgie: Egypte; Ethiopische liturgie: EthiopiŽ);
c. volgens hiŽrarchie in: enerzijds de *Byzantijnse Kerk, onder te verdelen in *autocefale (volledig zelfstandige) kerken (Constantinopel, AlexandriŽ, AntiochiŽ, Jeruzalem, Rusland, GeorgiŽ, Bulgarije, RoemeniŽ, JoegoslaviŽ [= ServiŽ], Griekenland, Cyprus, Polen, Isjechoslowakije, AlbaniŽ) en autonome (gedeeltelijk zelfstandige) kerken (Kreta, Sinai, Finland, Hongarije, China) en anderzijds de zgn. kleine oosterse kerken, hetzij van nestoriaanse oorsprong (Nestorianen, ChaldeeŽn en Malabaren), hetzij van monofysitische oorsprong (ArmeniŽrs, WestsyriŽrs [en Malankarezen], Maronieten, Kopten, EthiopiŽrs).

Met uitzondering van de Maronieten, die allen met Rome zijn verenigd, hebben alle oosterse kerken een orthodoxe en een met Rome verbonden (geunieerde) tak. De met Rome verbonden christenen van de Byzantijnse patriarchaten AlexandriŽ, AntiochiŽ en Jeruzalem noemt men Melkieten. Van bijna alle kerken leven groepen gelovigen in het Westen. Zij zijn vaak onderling verdeeld en hebben dan onafhankelijke hiŽrarchieŽn opgericht. In 1970 heeft de Russische Kerk van Moskou autocefalie verleend aan een groep Russen in de Verenigde Staten, meestal 'de metropolie' genaamd; tevens werd autonomie verleend aan de Russische Kerk in Japan. Deze zelfstandigheidsverklaringen zijn echter binnen de orthodoxie nog zeer omstreden en worden door de meeste andere orthodoxe kerken niet aanvaard. Hetzelfde kan men zeggen van de Macedonische Kerk die zich in 1967 autocefaal verklaarde, los van de Servische Kerk in JoegoslaviŽ.



GESCHIEDENIS.
De apostelen en hun leerlingen trokken vanuit Jeruzalem naar de grote centra van het Romeinse Rijk: AlexandriŽ, AntiochiŽ, Efeze e.a., waar Griekse en Semitische invloeden op elkaar inwerkten. Verscheidenheid van land, bevolking, taal, cultuur, bestuurlijke indeling brachten ook verscheidenheid van denken, leven en uitdrukking mee.
Dit manifesteerde zich ook in de spontane beleving van de eredienst, de theologische verwoording van de leer, de kerkorde. Liturgisch, canoniek en theologisch eigengeaarde kerkelijke gebieden ontstonden rond de grote centra volgens het patroon der staatkundige indeling. Het Eerste Oecumenisch Concilie van Nicaea (325) bevestigde deze situatie. Zo ontstonden de patriarchaten (de naam dateert uit een latere periode). Vanuit deze centra zijn andere kerken gesticht. Hier werd de liturgie overgenomen, maar aangepast aan taal en cultuur Ondanks deze verscheidemeid vormden deze groepen een eenheid in geloof, gezag en sacramenten.

De verscheidenheid in eenheid lie) echter uit op gescheidenheid. Na het Concilie van Efeze (431) en Chalceeon (451) maakten de kerken in de grensgebieden van het Byzantijnse Rijk PerziŽ, ArmeniŽ, SyriŽ, Egypte) zich los van Constantinopel. Het theologi$h twistpunt was de christologie, maar nationalisme speelde een grote rol.De invasie van de islam (na 632) heeft het isolement van de randkerken geconsolideerd. Vanaf de 9de eeuw breidde Byzantium zijn invloed uit naar he noorden en het westen door missionering in de Halkan en Rusland, war de Byzantijnse ritus werd ingevoerd.
Maar intussen groeide de vervreemding tussen Oost en West, in de hand gewerkt door verschil van taal, gebrek aan communicatie en de politieke situatie, maar eveneens door theologische en liturgische conflicten en een verschil in kerkopvatting.
De verveemding werd afgunst en vijandschap. De scheiding wordt gesymboliseerd in de excommunicatie die in 1054 de Romeinse kardinaal Humbertus te Constantinopel uitsprak tegen de patriarch van deze stad. De kruistochten hebben de situatie nog verslechterd. Na de mislukte poging op de Conrilies van Lyon (1274) en Florence (1439) zijn door het werk van' de Latijnsemissionarissen, gesteund door westerse mogendheden, 'voornamelijk Frankrijk, gedeeltelijke herenigingen met Rome tot stand gekomen (de zogelaamde geunieerde kerken). Ook * Byzantijnse kerken.



BYZANTIJNSE KERKEN.
Evenals de katholieken nemen de orthodoxen met de Heilige Schrift de overleveling aan als bron van kerkelijke leer en tucht. Deze traditie vindt haar litdrukking in geloofsbelijdenissen, uitspraken van de eerste zeven oecurrznische concilies (325 787), geschriften van de kerkvaders en de liturgie. De symbolische boeken, die o.a. een stellingname tegen protestantse invloeden in de 17de eeuw bevatten, worden niet algemeen aanvaard door de orthodoxie. Ondanks fundamentele overeenkomst bezitten de orthodoxe kerken geen uitgebouwde, algemeen aanvaarde leer.
Over het algemeen onderschrijven de orthodoxen de traditionele bezwaren tegen de katholieke leer aangaande het filioque (de voortkomst van de Heilige Geest uit de Vader en de Zoon) en de loutering na de dood, en Wijzen zij de na het Zevende Oecumtnische Concilie geformuleerde dogma's af:
de onbevlekte ontvangenis van Maria, de pauselijke onfeilbaarheid, de opneming van Maria ten hemel. Maar ook hier lopen de meningen uiteen. De Byzantijnse kerken hebben allen dezelfde liturgie; het enige verschil is de taal, die in beginsel de volkstaal is. De Byzantijnse liturgie stamt uit AntiochiŽ, maar onderging in Byzaltium de invloed van o.a. de hofceremonies en plaatselijke dichters en theologen. De Goddelijke liturgie (dwz. de eucharistieviering) kent drie formulieren (anaforen): een van Basilius (voor de zondagen in de vastentijd), een van Johannes Chrysostomus (voor de meeste feestdagen} en de anafoor van de tevoren geconsacreerde Gaven (woensdag en vrijdag in de vastentijd, Goede Week). Kenmerkend voor de Byzantijnse liturgie zijn de vele litaniegebeden.

De hiŽrarchie bestaat uit metropolieten of bisschoppen onder leiding van een patriarch of een aartshisschop. Te zamen vormen zij het hoogste gezag in de Heilige Synode. Het dagelijks bestuur berust bij een kleine synodes samengesteld uit de patriarch of aartsbisschop en enkele voor een korte periode gekozen metropolieten of bisschoppen. De clerus bestaat uit seculieren (papas of pope), die over het algemeen gehuwd zijn (dit geldt ook, zij hct in mindere mate, voor de geunieerden), en regulieren of monniken. Het kloosterleven heeft een grote invloed uitgeoefend op het kerkelijk leven en de spiritualiteit. Het monnikendom kent verschillende vormen, van het kluizenaarsleven tot het gemeenschappelijk leven in grote kloosters. Een typisch Byzantijns monachale devotie is het Jezusgebed, voortdurende aanroeping van de naam Jezus om tot innerlijke rust te komen (hesuchia).

Het hesychasme heeft grote mystieken voortgebracht als Simeon de Nieuwe Theoloog (11de eeuw) en Gregorios Palamas (14de eeuw). Bekende kloosters zijn het Studion in Constantinopel, St.-Sabas bii Jeruzalem, St.-Catharina aan de voet van de SinaÔ en in Rusland het Holenklooster te KiŽv en het Drievuldigheidsklooster bij Moskou. De kloosters op de Athos in Oriekenland vormen een soort monnikenrepubliek. De Byzantijnse kerken kenden ook vrouwenkloosters.



KLEINE OOSTERSE KERKEN.
Deze worden ook wel Voorchalcedoniaanse kerken genoemd, omdat zij zich voor (de Nestorianen) of bij gelegenheid van het Concilie van Chalcedon in 451 (de ArmeniŽrs, Kopten, EthiopiŽrs. WestsyriŽrs) van Byzantium en daarmee indirect van Rome afscheidden. Voor de geschiedenis van deze groepen zie de afzonderlijke kerken.

Het kernpunt van de leer der nestoriaanse kerken ligt nog steeds in de stelling dat in Christus twee personen zijn, doch op zeer innige wijze verenigd. Over de interpretatie van deze leer bestaat geen eensgezindheid. De Nestorianen aanvaarden slechts de uitspraken van de eerste twee oecumenischc concilies. - Volgens de kerken van monofysitische oorsprong gaat de menselijke natuur van Christus op in de goddelijke. Over de juiste zin hiervan wordt getwist. Zij houden zich aan de leer van de eerste drie oecumenischc concilies. Zowel de Nestorianen als de monofysieten verwerpen het primaatschap van Rome.

In de eredienst volgen deze kerken de oude inheemse gebruikene die ondanks latere ontwikkelingen nog dicht bij de sde-ecuwse ritus van AlexandriŽ, resp. AntiochiŽ liggen. Onderling wijken de liturgieŽn van de diverse kerken veel van elkaar af. Alle kerken bedienen zich van inheemse talen. Het kloosterleven, in Egypte en SyriŽ ontstaan, is in deze landen nu vrijwel uitgestorven; het is daarentegen tot op de dag van heden buitengewoon sterk ontwikkeld in de *Ethiopische Kerk.



ONDERLINGE CONTACTEN.
Ondanks verscheidene pogingen zijn de Byzantijnse kerken er sinds 787 niet in geslaagd een algemene synode of concilie bijeen te roepen. Dank zij het doorzetten van patriarch Athenagoras van Constantinopel kwamen in 1961 op Rhodos vertegenwoordigers van nagenoog alle Byzantijnse kerken bijeen (afwezig was de Kerk van AlbaniŽ) om een panorthodoxe synode voor te bereiden. Sindsdien is er een nauwe samenwerking gegroeid. Nog driemaal (tweemaal op Rhodos en eenmaal te Chambťsy bij Geneve) werden dergelijke bijeenkomsten belegd. Er is een duidelijk program opgesteld, de werkwijze werd bepaald en een aantal commissies toog aan het werk. Men hoopt o.a. tot ťťn gemeenschappelijk kerkrecht te komen.

Ook de kleine oosterse kerken zoeken contact met elkaar, hetgeen leidde tot een bijeenkomst van deze kerken in Addis Abeba (1965) en de vestiging van een perrnanent secretariaat te CaÔro. Tussen de Byzantijnse en de kleine oosterse kerken groeien ook contacten, maar officiŽle onderhandelingen zijn nog niet geopend. - Voor de betrekkingen van de oosterse kerken met de andere christelijke kerken * Oecumenische beweging.

Lit.: Algemeen: M. JUGIE, Theologia dogmatica christ. orient. (5 dln., I926 I935); W. DE VIUES, Der christliche Osten in Geschichte und Gegenwart (I9ST}; IDEM, Die orientalischen Kirchen (1960}; B. 5PULER, Die morgenlandischen Kirchen (1961); Oriente cattolico (1962); J. SAUGET, Bibliographie des liturgies orientales, sgoo 1960 (1962); W. DE VRIES, Rom und die Patriarchate des Ostens (1963); A. BRUNELLO, Le chiese orientali e runione(lg66; m. uitgebr. bibl.); F. HEILER, Die Ostkirchen (21968); E. VON IvANKAe a., Handbuch der Ostkirchenkunde (1971). - Byzantijnse kerken: V. GRUMEL, Les rťgestes daB actes du patriarcat de Constantinople (3 afl., 1932-1947); V. LOSS}CY, Essai sur la thOologie mystique de l'…glise d'Orient (1944); E. MERCENIER, La priere des …glises de rite byz. (3 dln., 1937-1972); R. JANIN, La gťographie eccl. de l'empire byz. {1953); H. &. BECßC, Kirche und theologische Literatur im byz. Reich (Igsg); P. EVDOKIMOV, Lfiorthodoxie (1959); J. MEYENDORFF, De Orthodoxe Kerk. Verleden en heden (1964); E. BENZ, De Oosters-Orthodoxe Kerk (1966); N. EDELBY, Liturgikon. Messbuch des byz Ritus (1967}. - Kleine oosterse kerken: J. CHABOT, Synodicon orientale (Igo4); M. VAN DEN OUDENRUN, De ArmeniŽrs en hunne kerk (1950); 1. ORTIS DE URBINA, Patrologia syriaca (1958); M. CRAMER, Das christlich-koptische Agypten einst und heute 11959); l. M…C…RIAN, Histoire et institutions de l'…glise armťnienne (1965). - Tijdschriften: Irenikon (Chevetogna, 1926 vv.); Orientalia Christiana Periodiaca (Rome, 1935 w.); Het Christelijk Oosten (Nijmegen, 1948 vv.); Proche Orient Chrťtien (Jeruzalem, XgSI w.); Ostkirchliche Studien (Wurzburg, 1952 vv.).



Oostersyrische Kerk,
z Syrische kerken.



Opus Dei
(Lat., = werk Gods), verkorte naam van de Societas Sacerdatolis Sanctae Cracis et Opus Dei (Sp.: Sociedad sacerdotal de la Santa Cruz y Opus Dei), rooms-katholieke kerkelijke organisatie, opgericht in 1928 te Madrid door Josť Maria Escriva de Balaguer (geb. 1902, priester gewijd in 1925). De stichter resideert te Rome als president van het Opus Dei, dat in 1947 kerkrechtelijke erkenning verwierf als een van de zgn. seculiere instituten die als canonieke innovatie naast de ordes en congregaties werden ingevoerd. De constituties worden door het instituut zelf geheim gehouden, maar zijn in 1970 gepubliceerd door J. Ynfante. Het Opus Dei presenteert zich als een vereniging met 'uitsluitend spirituele en apostolische doeleinden'.

De leidende beginselen zijn te vinden in het boek van de stichter, Camino (Sp., = De weg), een verzameling van spreuken en overwegingen, waarin motieven van militant leiderschap, innerlijke onderworpenheid, handhaven van de groepsgeest en intransigentie ten aanzien van de eigen principes op de voorgrond treden. Voor het handhaven van deze spiritualiteit bezit het Opus Dei een kader van veelzijdig opgeleide priesters. Er zijn drie graden van lidmaatschap: de numerarii (universitair gevormd en celibatair levend ). de supernumerarii en de oblaten; voorts zijn er vele coopersdores of medewerkers. De vereniging heeft ook een vrouwelijke tak. Als medewerkers worden ook niet-christenen aangenomen.

De leden zijn over hun innerlijk leven verantwoording verschuldigd aan een geestelijk leidsman, te kiezen uit de priesters van het 0pus. De verplichting tot heiliging van het eigen beroep en tot apostolaat impliceert ook politieke en sociale activiteit, onder meer door het bekleden van invloedrijke ambten. De leden werken in deze ambten samen met niet-leden, volgens een strikte regel, die het optreden als groep of partij verbiedt. Het Opus Dei heeft vestigingen in alle landen van Europa en Amerika en in een aantal landen daarbuiten. De bloei is in Spanje het grootst.

In de periode 1937-1947 is Opus Dei er in geslaagd een groot aantal hoogleraarszetels aan Spaanse universiteiten te bezetten (volgens D. Artigues ongeveer een kwart van het totale aantal); in 1952 volgde de oprichting van een eigen universiteit te Pamplona. De penetratie in het landsbestuur voerde in 1957 tot de eerste benoemingen van ministers en in 1969 tot de vrijwel volledige beheersing van het regeringsapparaat. De beweging als geheel heeft de trekken van de Spaanse katholieke traditie, zoals deze zich ook manifesteert in de beweging van generaal Franco. In het gewijzigde politieke klimaat sinds de dood van deze laatste (1975) lijkt de invloed van Opus Dei in Spanje minder te worden. - In Nederland en BelgiŽ heeft het Opus Dei enkele vestigingen, waarvan de bekendste zijn het studentenhuis Leidenhoven te Amsterdam, dat in 1961 geopend werd, en Arenberg in Leuven.

Lit.: J. M. ESCRIVA, Camino (ed. Rialp, vele drukken); Conversaciones con Mons. Escriva de Balaguer (ed. Rialp, 1968); TH. SINNIGE, OPUS Dei, een nieuwe contrareformatie naar Spaans model, in: lle Bazuin (4 mei 1969); J. YNFANTE, La prodigiosa aventura del Opus Dei. Gťnesis y desarrollo de la Santa Mafia (ed. Ruedo Ibťrico, 197C): D. ARTIGUES, El Opus Dei en Espana, 1928-1962. Su evolucion ideologica y politica (ed. Ruedo Ibťrico, 1971); TH. SINNIGE, De geheime constituties van het Opus Dei, in: De Bazuin (24 jan. Ig711; Y. en A. LE VAILLANT, Sainte Maffia. Le dossier de l'Opus Dei(1971)



Orthodoxe kerken,
z Oosterse kerken.



Oude Testament,
z.Bijbel.



Oud-Gereformeerde Gemeenten in Nederland
zijn gemeenten, ontstaan uit de arbeid van L.G.C. Ledeboer, die niet zijn meegegaan met de vorming van het verband van de Gereformeerde Gemeenten in 1907. De leiding berustte bij ds. L. Loone (1860 1935) te Sint-Philipsland, die evenwel rondreizend ook andere gemeenten bediende. Er zijn 66 gemeenten, verdeeld over de classes 's-Gravenhage en Montfoort, met negen predikanten. In het geheel tellen zij ruim 15 ooo leden. Men is afkerig van een predikantenopleiding en predikanten worden geordend op grond van singuliere gaven. De psalm berijming van Dathenus is in gebruik. Men staat afwijzend tegenover vaccinatie en het sluiten van verzekeringen. Drie gemeenten, verenigd in de classis Dordrecht, staan op zichzelf; deze zijn van oordeel, de gedachten van Ledeboer over de orde des heils zuiverder te vertolken dan de overige gemeenten. Voorts zijn er nog diverse op zichzelf staande gemeenten, die in feite een gelijke signatuur vertonen.

Lit.: M. A. MIERASS DS. L. Boone herdacht (1957).



Oud-katholieke kerken
is de benaming van kerken die hun ontstaan danken aan afwijzing van het Romeins kerkcentralisme. In Nederland geschiedde dit rond ca. 1700. Vanouds wordt daar de Oud-Katholieke Kerk genoemd de Roomsch Katholieke Kerk van de Oud-Bisschoppelijke Cleresie (of: clere y; Fr.: clergť)
Rechtsmoeilijkheden rond de bisschopsbenoeming in de Nederlanden leidden in 1724 tot een breuk tussen Nederlandse katholieken en de zetel van Rome. De Romeinse instanties, van mening dat ten tijde van de Reformatie de kerkelijke hiŽrarchie in Nederland te gronde was gegaan, brachten Nederland als missiegebied onder de zorg van de Congregatie De Propaganda Fide en wensten zonder medewerking van de leidende Hollandse geestelijkheid, met name van de kapittels, bisschoppen te benoemen en af te zetten. Deze pretentie wees men in Nederland af vanuit de overtuiging dat het canoniek kerkelijk bestuur- zij het aan de situatie aangepast - was blijven bestaan.
Toen in 1702 Petrus Codde op beschuldiging van jansenisme door de paus werd geschorst (in 1704 werd hij definitief afgezet), ontstond een jarenlang durend conflict, dat leidde tot de verkiezing door het Utrechts Kapittel of Vicariaat van een nieuwe bisschop, Cornelis Steenovene zonder toestemming van Rome (1723). Wel raadpleegde het kiescollege van tevoren de Leuvense kerkjurist Z. B. van Espen en verwierf het de instemming van naburige Franse bisschoppen. Steenoven werd in 1724 door de Franse missiebisschop Dominicus Varlet gewijd. Rome sprak over hem de ban uit; daarmee werd de breuk een feit. Achtergrond van het conflict vormde - naast het verschil van inzicht inzake spiritualiteit, liturgieviering en genadeleer (aangeduid met de verzamelnaam jansenisme) - verzet tegen de groeiende centralisering van kerkgezag in Rome ten nadele van een kerkbeleving meer aangepast aan landsaard en situatie.

Een minderheid der katholieken bleef Cornelis Steenoven trouw. Ter waarborging van de bisschoppelijke opvolging werclen in 1742 een bisschop van Haarlem en in 1758 een bisschop van Deventer gewijd (zonder diocees). Ondanks herenigingspogingen, waarvan o.m. het in 1763 te Utrecht gehouden provinciaal concilie getuigt, bleef het schisma bestaan. In de nu zelfstandige kerk werden geen grote veranderingen doorgevoerd. Wel protesteerden de oud-katholieke bisschoppen tegen de verklaring tot dogma van de leer van Maria's onhevlekte ontvangenis ( 1854).

Verzet tegen het onfeilbaarheidsdogma van 1870 leidde, o.m. door de invloed van I. von DŲllinger, in de Duitstalige landen tot andere oud-katholieke kerkgemeenschappen. Spoedig zocht men contact met de Utrechtse kerk. Nadat in Duitsland J. H. Reinkens tot bisschop verkozen was, werd hij door de bisschop van Deventer in 1873 geconsacreerd. Reinkens wijdde de eerste Zwitserse bisschop, E. Herzog. Men voerde belangrijke vernieuwingen in . Er constitueerde zich een synode van geestelijken en leken als bestuurs- en advieslichaam naast de bisschop. De liturgie werd herzien, de landstaal ingevoerd, de celibaatsverplichting der priesters afgeschaft, oorbiecht en vastenwetten werden vrijwillig gesteld.

Men hield vast aan de bisschoppelijke en priesterlijke structuur van de kerk, het katholiek sacramenteel leven en aan de symbolen conciliebesluiten van de ongedeelde kerk der eerste tien eeuwen. Dit vond zijn neerslag in de oud-katholieke 'Utrechtse bisschopsverklaring van 1889', die beschouwd kan worden als beginselverklaring. Op grond daarvan ontstonden ook in Oostenrijk, JoegoslaviŽ, Tsjechoslowakije, Polen en Amerika oud-katholieke kerken. De sinds 1870 in de buitenlandse kerken gerealiseerde vernieuwingen werden na 1900 ook in Nederland ingevoerd (bijv. in 1909 invoering van het Nederlands in de liturgie, in 1922 afschaffing van het verplichte priestercelibaat). Qua ledental zijn de verschillende bij de zgn. Unie van Utrecht aangesloten oudkatholieke kerken weinig omvangrijk. De Oud-Katholieke Kerk van Nederland telde in 1971 ca. 8000 leden, verdeeld over een dertigtal parochies met ongeveer evenveel dienstdoende priesters en bisschoppen (een aartsbisschop van Utrecht en bisschoppen van Haarlem en Deventer).

Kenmerkend voor de oud-katholieken is hun oecumenisch streven. In 1874 vonden reeds de 'Bonner Unionskonferenzen' tussen oud-katholieken' anglicanen en oosters-orthodoxen plaats. In 1931 werd de kerkelijke gemeenschap met de anglicanen hersteld (full communion); onderhandelingen dienaangaande met de oosters-orthodoxen zijn vergevorderd. Vanaf het begin namen oud-katholieken deel aan de oprichting van de Wereldraad van Kerken, waarvan zij lid zijn. De houding jegens de Rooms-Katholieke Kerk bleef gereserveerd; in 1950 wezen de bisschoppen het dogma van de lichamelijke tenhemelopneming van Maria af. Na het Tweede Vaticaans Concilie, dat in de Rooms-Katholieke Kerk een beweging op gang bracht die verwantschap vertoont met het oud-katholieke strevene kwamen toenaderingen tot stand .

Paus Paulus VI hief in 1966 de beperkingen op die van roomskatholieke zijde herenigingsgesprekken belemmerden, nl. de eis tot ondertekening van het formulier van Alexander VII en tot aanvaarding van de bul 'Unigenitus'. Er ontstonden in verscheidene landen officiŽle gesprekscommissies met het doel de nog bestaande geschillen te overbruggen. In 1970 legden de oud-katholieke bisschoppen een verklaring af over het primaatschap in de kerk. Onderhandelingen zijn gaande om binnen de door het Tweede Vaticaans Concilie geopende mogelijkheden te komen tot samenwerking op pastoraal-sacramenteel gebied. In 1972 werd door het Secretariaat der Eenheid te Rome alsook door de Internationale Oud-Katholieke Bisschopsconferentie een basisstuk, de zgn. Zurcher Nota, aanvaard, welke deze samenwerking mogelijk maakt.

Lit.: DUPAC DE BELLEGARDE, Histoire abrťgťe de 1 …glise mťtropolitaine d Utrecht (31852); J. F. VON SCHULTE, Der Altkatholizismus (1887, herdr. 1965) L. J. ROGXER Gesch. van het katholicisme in Noord-Ned. in de 16de en 17de eeuw (1917}; C. B. Moss, The old catholic movement ( 1948); E. LAGERWEIJ, De Oud-Kath. Kerk van Ned. (195l) B. A. VAN KLEEF, Gesch. van de Oud-Kath. Kerk van Ned. (1953); J. A. G. TANS en M. KOK, Rome-Utrecht (1966); U. KURYS Die altkatholische Kirche. thre Geschichte, ihre Lehre, ihr Anlicgen (1966); P. POLMAN, Katholiek Nederland in de 18de eeuw {1968); V. CONZEMIU5, Katholizismus ohne Rom (1969); F. SMIT, P. J. MAAN en J. VISSER, Onafhankelijk van Rome, toch katholiek (1973).