Ibadieten,
Imamieten
Independent Order of Odd Fellows,
Internationaal Verbond voor Vrijzinnig Christendom en Geloofsvrijheid,
International Council for Christian Leadership
Internationale Bond van Vrije Evangelische Gemeenten,
Internationale Gemeenschap voor Krishna Bewustzijn,
Internationale Raad van Christelijke Kerken
Internationale Raad van Congregationalisten
Internationale Zendingsraad,
International Humanist and Ethical Union
Islam V E R B R E I D I N G. Islamitische Broederschap
Isma'ilieten
IsraŽlitisch Kerkgenootschap, Nederlands




Ibadieten,
z Charidjieten.



Imamieten
of Twaalvers,
in de islam een der groepen van de *Sjitieten. Zij erkennen een keten van twaalf imams als geestelijk leider. De twaalfde imams Mohammed al-Mahdi, zou ca. 880 uit de wereld verdwenen zijn om er als mahdi (Arab., = verlosser) terug te keren. Deze tak van de Sji'a is staatsgodsdienst in PerziŽ.



Independent Order of Odd Fellows,
z. Odd Fellows, Orde der.



Internationaal Verbond voor Vrijzinnig Christendom en Geloofsvrijheid
, officieel: The International Association for Liberal Christianiti and Religious Freedom (IARF) geheten, is een internationale aaneensluiting van vrijzinnige Kerken en groepen.
In 1900 werd te Boston The International Council of Unitarian and other Liberal Workers gesticht. In 1910 veranderde de naam in The International Congress of Free Christians and oeher Religious Liberals. De tegenwoordige naam werd in 1932 aanvaard, tegelijk met een vaste organisatie en een permanent secretariaat, gevestigd in Den Haag. Sinds 1900 heeft de IARF een reeks congressen gehouden in hoofdsteden van die landen van Europa en Amerika waar zich leden-groepen bevinden. Buiten Europa en Amerika is de IARF vertegenwoordigd in AustraliŽ, India, Japan, de Filippijnen en Zuid-Afrika. De IARF geeft op ongeregelde tijden een bulletin uit, IARF Information Service, waarin korte beschouwingen over de vragen van het vrijzinnig christendom en berichten over de leden-groepen verschijnen. De koers die de IARF vaart, wordt gemarkeerd door de instellmg op het congres te Londen in 1966 van enige studiecommissies die vnl. ten doel hebben de plaats van kerk en godsdienst nader te bepalen en de dialoog tussen de wereldgodsdiensten te bevorderen.



International Council for Christian Leadership
(ICCL), in 1935 opgericht door de Amerikaanse predikant Abraham Vereide, is een beweging van leidinggevende reformatorische en katholieke christenen die door en in hun maatschappelijke positie een bijdrage willen geven aan de eenheid van de christenen en aan de samenwerking van de kerken. Zij heeft een belangrijke rol gespeeld voordat de oecumenische beweging in de kerken werd geÔnstitutionaliseerd. In Nederland zijn 35 afdelingen. Zij komen een keer per maand bijeen voor gezamenlijke bezinning en bespreking van de activiteiten. Elk jaar wordt een nationale conferentie gehouden. Het internationaal secretariaat is gevestigd te Washington.



Internationale Bond van Vrije Evangelische Gemeenten,
z. Vrije Evangelische Gemeenten.



Internationale Gemeenschap voor Krishna Bewustzijn,
z. Hare Krishna-beweging.



Internationale Raad van Christelijke Kerken
(Eng.: lnternational Council of Christian Churches; ICCC), in 1948 te Amsterdam gesticht op initiatief van de American Council of Christian Churches (1941), beoogt een verbinding van die kerken die onvoorwaardelijk de bijbel als Gods woord aanvaarden, en keert zich met alle kracht tegen de Wereldraad van Kerken. Regelmatig worden er congressen belegd, ook van regionale aard. In Nederland zijn de Christelijke Gereformeerde Kerken bij de Raad aangesloten. Als organen verschijnen Getrouw (maandelijks) en Reformation Revieu (driemaandelijks) Er is ook een afzonderlijk jeugdcontact, met een eigen orgaan, Ichthus. Sedert 1956 bestaat er in Nederland een organisatie ter bevordering van het werk van deze raad, waarvan leden uit diverse kerken persoonlijk deel uitmaken Voor internationale hulpverlening werd als orgaan in het leven geroepen de Internationale Christelijke Handreiking, terwijl ook steun verleend wordt ten behoeve van de ondergrondse kerk in de communistische wereid.



Internationale Raad van Congregationalisten
(Eng.: Intereational Congregationa! Councirl is een vereniging van alle unies van congregationalistische gemeenten en van geestverwante kerken, gesticht {189l) en gevestigd te Londen. Sedert de Tweede Wereldoorlog komt de raad om de vijfjaar bijeen, bij toerbert in Engeland en de Verenigde Staten. Aangesloten zijn kerken uit zeventien landen met ca. 3500000 communicanten, vooreerst de Unies vanCongregationalisten in Engeland en Wales, Schotland, AustraliŽ enz. vervolgens de Verenigde Kerk van Canada (een vereniging van congregationalisten, methodisten en presbyterianen), de United Church of Christ (waarin congregationalisten en hervormden zijn samengekomen in de Verenigde Staten), de Nederlandse Remonstrantse Broederschap en de Zweedse Zendingsbondkerk. De raad is in 1970 een fusie aangegaan met de *Wereldbond van Hervormde Kerken onder de naam World Alliance of Reformed Churches (Presbyterian and Congregational). Voorts * Congregationalisme.



Internationale Zendingsraad,
internationaal samenwerkingsverband op het terrein van de zending der protestantse kerken; opgericht in 1921. In 1961 ging de raad op in de Wereldraad van Kerken, waar zijn werkzaamheden worden voortgezet door de *Division of World Mission and Evangelism.



International Humanist and Ethical Union
(opgericht 1952, gevestigd te Utrecht}, omvat humanistische organisaties en groepen uit de gehele wereld, o.a. het Humanistisch Verbond in Nederland en BelgiŽ en Humanitas (maatschappelijk werk).



Islam
(Arab., = overgave, namelijk aan Allah) is het Arabische woord dat de islamitische godsdienst aanduidt. Van dezelfde woordstam komt het woord moslim (of moslem), dwz. hij die 'islam' doet, en het via het Perzisch van moslim afgeleide woord muzelman. Over de wording van de islam, de jongste der grote wereldgodsdiensten, staan ons veel historische gegevens ten dienste. Het is evenwel zeker dat de islamitische traditie een groot aantal feiten niet meer zuiver historisch weergeeft. De stichter van de islam was de profeet *Mohammed~ die tot 622 te Mekka predikte en daarna uitweek naar Medina, waar hij ten slotte grote aanhang vond en een soort theocratische staat stichtte, die ook Mekka aan zich onderwierp.
Het jaar van de uitwijking (hidjra) van Mohammed (622) is later genomen als het begin van de islamitische jaartelling. De prediking te Mekka had aanvankelijk als voornaamste inhoud de Mekkanen te waarschuwen voor het spoedig te verwachten einde der wereld en het jongste gericht, en hen met het oog daarop tot geloof aan Allah (Arab., = de God) op te wekken; de geÔnspireerde bewoordingen waarin Mohammed zijn prediking kleedde, vormen de kern van de *koran, zoals die later is opgetekend. In Medina ging Mohammed voort met zijn prediking, die allengs van inhoud was veranderd en o.a. verhalen over vroegere profeten en een aantal voorschriften van sociale, politieke en ritueel-godsdienstige aard in zich opnam. Voor zover die voorschriften in de vorm van openbaringen zijn gegeven, zijn zij mede verzameld in de koran.

Toen de in Medina levende joden hem niet als profeet wilden erkennen, verdreef Mohammed hen uit de stad. Hij verklaarde de heilige boeken van joden en christenen, dus van de 'schriftbezitters', voor vervalst voor zover hun inhoud afweek van het aan hem zelf geopenbaarde. Hiermede stelde hij de islam in bewuste tegenstelling tot de andere grote godsdiensten; zich zelf noemde hij de laatste der door God gezonden profeten.
Reeds eerder was de islam in tegenstelling geplaatst tot de heidense gebruiken en instellingen van de Arabieren; hun afgoden worden in de koran als machteloos voorgesteld. Toch heeft Mohammed aan de Oudarabische traditie concessies moeten doen, waarvan de voornaamste was het opnemen van de met de jaarmarkt in Mekka verbonden riten, welker middelpunt de verering van de Ka'ba met de Zwarte Steen was. Mohammed zelf heeft in het jaar 630 aan deze ceremoniŽn, genaamd de hadj. deelgenomen en door zijn voorbeeld de gebruiken geij kt, die nu nog door de moslimse bedevaartgangers word en nagevolgd. De gebedsrichting (kibla) van het islamitische plichtgebed (salat) is naar Mekka gewend. Voor de wettiging van deze praktijken verkondigde Mohammed dat de Ka'ba oorspronkelijk door Abraham (Ibrahim) gebouwd was en stempelde hij deze oude heidense tempel tot Allahs huis.

De wording van de islam tot wereldgodsdienst hangt ten nauwste samen met de door de Arabieren gevoerde veroveringsoorlogen, die begonnen onder Mohammeds tweede opvolger als leider van zijn gemeente, de kalief Omar (634444). Deze oorlogen waren niet uitsluitend de consequentie van de prediking van Mohammed, doch de economische en sociale toestanden die de Arabieren buiten ArabiŽ dreven, konden eerst doorwerken nadat een godsdienstige leus en de vereiste eensgezindheid voor die expansie in het leven waren geroepen. Onder het kalifaat van Omar en Osman werden niet alleen Irak, MesopotamiŽ en SyriŽ veroverd, maar ook PerziŽ en Egypte met Noord-Afrika. In deze eerste periode waren de Arabieren nog uitsluitend

. de veroverende heersers, maar weldra begon de islam proselieten te maken in de veroverde landen. Na Osmans dood (656) ontbrandde in de islamitische gemeente een hevige strijd om de leiding, het kalifaat, en bij deze gelegenheid vormden zich de politieke partijen der 1'Charidjieten en *Sjitieten, waarvan de eersten een eigen kalief kozen en de laatsten het kalifaat voor Mohammeds schoonzoon, Ali, opeisten. De politieke macht in het rijk bleef ten slotte aan Moe'awija uit het Mekkaanse geslacht der Omajjaden, dat zich tot 750 van Damascus uit wist te handhaven. Al deze politieke gebeurtenissen zijn van overwegend belang geweest voor de ontwikkeling van het godsdienstige stelsel van de islam.

De privileges, aan hen die 'islam' deden toegekend, brachten allengs meer bewoners der onderworpen landen (Perzen, SyriŽrs, Egyptenaren) ertoe tot de islam toe te treden . Hun afstammelingen werden allengs in de leidende kringen der moslims opgenomen en zij werkten mede aan de uitbouw van het met de nieuwe godsdienst zich ontwikkelende theologische en juridischsociale stelsel. De grondslagen tot de formulering daarvan zijn gelegd in de eerste eeuw van de dynastie der Ahbasiden (750-1258) die op de Omajjaden volgde.

In deze eeuw bestonden nog veel uiteenlopende meningen, die elkander fel bestreden; in de theologie heerste toen de richting der rationalistische Moe'tazilieten, die zich bezighielden met discussie over de verhouding van God tot Zijn eigenschappen, over de verantwoordelijkheid van de mens voor zijn daden, over het al of niet geschapen zijn van de koran en dergelijke onderwerpen. De theologische strijd kwam tot een betrekkelijk einde door het optreden van de geleerde al-Asj'ari (gest. 935), die een theologisch systeem opstelde, dat voor latere tijden als het orthodoxe geldt en waarin stelling wordt genomen tegen de leringen der Moettazilieten. Fr zijn uit deze tijd enige geloofsbelijdenissen over, die thans nog door de orthodoxe islamieten gevolgd worden en in haar verschillende artikelen getuigen van de absolute verhevenheid van de Wet boven de rede, de ontkenning der tweede oorzaken naast God, dus ook van de menselijke vrije wil.
In de islamitische staat mogen christenen, joden en enkele andere categorieŽn hun godsdienstplichten uitoefenen, mits zij een hoofdgeld (dyizja) betalen; polytheÔsme echter wordt niet geduld. Typerend voor de gehele levenshouding der moslims is dat zich daarin sedert eeuwen vaste normen hebben vastgezet, zoals ook de - niet uitdrukkelijk door de plichtenleer voorgeschreven sluiering en afgescheidenheid der vrouwen en het verbod levende wezens af te beelden. Deze verstarring is terecht beschouwd als een van de oorzaken waardoor de islamitische maatschappij zich op den duur niet aan nieuwe sociale en economische omstandigheden heeft kunnen aanpassen en bijgevolg zeer reactionair is geworden. Dit is niet altijd zo geweest. In de eerste eeuwen zijn de islamitische geleerden en leiders toegankelijk geweest voor de cultuur waarden van oudere volken, vooral van de klassieken; zij hebben toen een geheel eigen type geestescultuur geschapen, dat mede een machtige factor is geweest voor het bijeenhouden van de islam als godsdienst in latere eeuwen.

Sedert de 9de eeuw heeft ook de mystiek haar intrede gedaan in de islamitische godsdienst. Naar oorsprong bevatte de islam weinig mystieke elementen, maar de ascetische neigingen die zich gaandeweg vertoonden, gepaard aan populair-godsdienstige opvattingen, overgeŽrfd uit zeer oude tijden, en aan verzet tegen het wettische karakter van de plichtenleer, hebben allengs een grote invloed gekregen. Vťrgaande mystieke leringen zijn in de eerste eeuwen vaak met kracht onderdrukt en de orthodoxe theologen hebben zich eveneens lang tegen de verschillende vormen van mystiek verzet. De mystici (soefi's) gingen echter voort met hun denkbeelden te verspreiden en ontwikkelden daarbij diepzinnige systemen, waarin neoplatoonse en boeddhistische opvattingen verwerkt waren.
De orthodoxie heeft ten slotte een gematigd mysticisme moeten aanvaarden, vooral door de werkzaamheid van al-Gazali (gest. 1111). In de 12de eeuw kwam overal in de islamwereld een groot aantal mystieke orden (tarika's) op. die zich noemden naar haar stichters. De leden van deze orden zijn de derwisjen, die vaak samen in een soort klooster leefden of als reizende derwisjen het land doorkruisten; soms behoorden grote massa's van de bevolking van een bepaald gebied tot een mystieke orde. Ook verbreidde zich alom de heiligenverering in de islam. De mystieke vorm van de islam is vooral in later eeuwen een werkzame factor geweest bij de verdere verbreiding van deze godsdienst, met name onder de Turken en in Afrika.

Het theologische systeem van de islam is opgebouwd op de korantekst en op de talrijke tradities (A1adith) omtrent uitspraken en gedragingen van de profeet die sedert het begin van de islam in omloop waren. Ca. 900 zijn deze tradities in grote canonieke verzamelingen geredigeerd. Naast de orthodoxe theologie bleven in vele kringen, vooral die der Sjitieten, ook andere leermeningen bestaan. Niettemin heeft zich de theologische bespiegeling overal in dezelfde richting bewogen. Hetzelfde is het geval geweest met de uitwerking van de islamitische Heilige Wet (sjarlea): het resultaat is de zgn. plichtenleer (fikh). De islamitische geleerden hebben zich in de eerste eeuwen beziggehouden met het afleid en van dit religieuze wetssysteem uit koran en traditie, volgens bepaalde methoden.
Uit de aanvankelijk talrijke leermeningen kristalliseerden zich ca. 900 vier door de orthodoxie erkende rechtsscholen, nl. die der Hanafieten, Hanbalieten, Malikieten en Sjafi'ieten, genoemd naar gezaghebbende autoriteiten uit de 8ste en 9gde eeuw . Ook bij de niet-orthodoxe sekten heeft het religieuze recht zich volgens dezelfde lijnen ontwikkeld, zodat over de gehele islamitische wereld de verschillende leerscholen der Wet slechts op ondergeschikte punten afwijken. De theologen en juristen, die de dragers van deze godsdienstige wetenschappen zijn, de oeluma, zijn daardoor ook de geestelijke leiders van de islam, niet echter als priesters en middelaars tussen de mens en God. De islam kent geen priesterschap en de moslim is zelfstandig tegenover Allah verantwoordelijk voor zijn handelingen.

De betekenis van de oude politiek-religieuze sekten is in de loop der eeuwen sterk afgenomen. De Sjitieten, die in oude tijden de grote bewegingen der Fatimiden, Karmaten en Assassijnen hebben teweeggebracht, zijn thans vnl. geconcentreerd in PerziŽ en een groot deel van Irak.
Verder vindt men overblijfselen der Sji'ieten in SyriŽ en Libanon (de *Metawali's en de Druzen), in Voor-lndiŽ (de zgn. *Chodja's), terwijl de zeer gematigde vorm van de sji'itische *Zaidieten vooral in Jemen is blijven voortleven. *Charidjieten zijn op het ogenblik vooral de ibaditische Berbers in Noord-Afrika en de bevolking van Oman. Van tijd tot tijd hebben zich ook puriteinse stromingen in de islam geopenbaard, waarvan de bekendste is die der in het midden der 18e eeuw in Centraal-AziŽ opgekomen *Wahhabieten. Hun leer gaat terug op autoriteiten van veel oudere datum en de ontplooiing van hun politieke macht in ArabiŽ onder Ibn Satoed bewijst welk een bezieling nog altijd van het islamitische geloof kan uitgaan. Een andere merkwaardige sekte-ontwikkeling is in het midden der 19de eeuw het *babisme geweest.

In de moderne tijd ziet men hoe verschillende islamitische volken op verschillende wijzen ertoe zijn gekomen opnieuw hun houding te bepalen ten opzichte van de veranderde wereldomstandigheden. In Egypte is in het laatst der 19de eeuw een modernistische richting opgekomen die met beroep op de koran wil aantonen dat de islam niets bevat wat onverenigbaar is met de moderne beschaving; een soortgelijke reformatorische beweging is onder de Voorindische moslims ontstaan in de *Ahmadiyya-beweging (1889). Tn Turkije heeft sedert de vorming van de nieuwe nationalistische staat de islam opgehouden staatsgodsdienst te zijn, hoewel de islamitische eredienst er als vroeger wordt uitgeoefend.

Het saamhorigheidsgevoel van de islamitische volken blijft intussen krachtig gelijk o.a. kan blijken uit de grote deelneming aan de jaarlijkse bedevaart naar Mekka (hudj) van moslims uit oost en west. In de 19de eeuw heeft de door Djamal al-Din al-Afgani gepredikte samenwerking van alle islamitische volken het politieke begrip van panislamisme naar voren gebracht. Na de Eerste Wereldoorlog zijn er ook pogingen geweest om het in 1258 verdwenen en later door de Turkse sultans voor zich opgeŽiste kalifaat te herstellen . De hang naar religieuze eenheid is evenwel sedert het einde van de vorige eeuw doorkruist door het nieuw opgek omen nationalisme, dat ten dele door het gevoel van eigenwaarde dat de islam eigen is, wordt gesteund, maar anderzijds in strijd is met het kosmopolitische karakter van deze godsdienst.



VERBREIDING.
De verbreiding van de islam heeft zich in verbazingwekkend snel tempo voltrokken, speciaal in die gebieden waar nog heidense nomadenstammen woonden, met name in de omgeving van Mekka en Medina en op geheel het zgn. Arabisch schiereiland.
Maar ook in de gebieden waar christenen woonden, in SyriŽ, Palestina7 Egypte en Noord-Afrika, hadden de scheuringen, veroorzaakt door monofysitisme, manicheisme en pelagianisme, de christenheid dermate verzwakt dat de islam in 711, minder dan een eeuw na zijn ontstaan, kon oversteken naar Spanje. Politieke tegenstand had de islam in de eerste eeuw van zijn bestaan weinig te overwinnen, aangezien bij het merendeel van de veroverde volkeren de afkeer van de Byzantijnse heerschappij in de 6de eeuw nog levendig was. In 732 werd de islam verslagen door Karel Martel, in de slag bij Poitiers, en bij de verovering van Constantinopel in 1453 vierde de islam zijn laatste grote triomf. Uiterst eenvoudig in zijn theologie en in zijn plichtenleer wist de islam vroeger, en weet hij ook nu nog, vele aanhangers te maken.

Maar ook de islam raakte al vroeg verdeeld, en wel bij de dood van de vierde zgn. 'rechtgeleide' kalief Ali in 66I, toen de grote meerderheid der moslims zich groepeerde tot de Soennieten, die thans wonen van Marokko tot en met Pakistan, en de Sjitieten zich afsplitsten, die in PerziŽ de grote meerderheid uitmaken, doch die men ook aantreft in Irak, Jemen, SyriŽ en Voor-IndiŽ. Van minder belang is de afgescheiden groep der Ahmadiyya, die een reformistisch en missionair karakter heeft en die in vele steden van West-Europa (o.a. in Den Haag) en Amerika afdelingen heeft gevormd en moskeeŽn gesticht.

Het totale aantal islamieten werd in 1976 geschat op ruim 15% van de wereldbevolking, d. i. ca. 600 miljoen. De bevolking van het Arabisch schiereiland, Afghanistan, Algerije, Egypte, Irak, JordaniŽ, LibiŽ, Marokko, MauritaniŽ, Pakistan, PerziŽ, SomaliŽ, TunesiŽ en Turkije is voor 90 ŗ 100%; islamitisch. In AlbaniŽ, Bangladesh, Gambia, Guinee, IndonesiŽ, Komoren, Libanon, MaleisiŽ, Mali, Niger, Nigeria, Senegal, Soedan, SyriŽ en Tsjaad bestaan islamitische meerderheden. Het aantal islamieten in de Sovjet-Unie wordt op I2%, in China op 10į,/o van de bevolking geschat. Het aantal islamitische gelovigen groeit nog steeds snel, vooral in de jonge Afrikaanse staten.

Lit.: M. HARTMANN, Der Islam (1909); D. B. MACDONALD, The religious attitude and life in Islam (1909); C. SNOUCK HURGRONJE, Der Islam, in: Lehrb. d. Religionsgesch. (1924); H. LAMMENS, L Islam. croyances et institutions (1926); MAULANA MOHAMMAD ALI, De rehgie van den islam (Ned. vert. 1938); H. A R GIBB, Mohammedanism (1949, 1955); A. GUILLAUME, Islam (1954): Encyclopaedia of Islam, uitg. d. B. LEWIS, C. PELLAT en J. SCHACHI (5 dln., 2 1954-l960); H. GOTTSCHALK, Weltbewegende Macht Islam (1962); M. RAFIG KHAN, Islam in China (1963); J. E. VON GRUNEBAUM, Der Islam im Mittelalter ( 1963); J . J. SAUNDERS, A history Of medieval Islam { 1965); A. BENNINGSEN en CH LEMERclER-QuELQUEsoyn Islam in the Soviet Union (1967): L. GARDET, De Islam (1967), B. LEWIS, The documentary hist. of Westenx civilization (1974); The Midd3e East and North Africa, Ig7tAlg77. A survey and directory (1976).



Islamitische Broederschap
(Arab.: Al-ichwan ul-moeslimin), een in 1925 in Egypte door sjeik Hasan al-Bana gestichte politiek-religieuze beweging, die beschouwd kan worden als een reactie van de zijde der orthodoxe islamieten op de westerse oriŽntering van Egypte. De beweging verwierf miljoenen leden, vooral onder de plattelandsbevolking, en was om de door haar uitgeoefende terreur zeer gevreesd. Na de moord op Hasan al-Bana (1949) verloor de broederschap tijdelijk aan betekenis, tot haar door de nieuwe leider Hasan al-Hodeibi (1953) nieuw leven werd ingeblazen. De door hem voorgestane verzoeningspolitiek tegenover de regering werd aanleiding tot ongeregeldheden te CaÔro (1953). Na een mislukte aanslag op Nasser (1954) werd al-Hodeibi met enige andere leiders ter dood gebracht. De beweging werd officieel ontbonden; ondergronds is zij echter als een geheime broederschap blijven bestaan. Lit.: 1. M. HUSAINI, The Moslem Brethren (1956); R. P. MITCHELL, The society of the Muslim Brothers, in: Middle Eastern Monographs, 9 (1969).



Isma'ilieten
of Zeveners, in de islam een der groepen van de *Sji'ieten, genoemd naar Ismatil (gest. 765), de zoon van de 6de imam der Sji'ieten, die zij beschouwen als de 7de en laatste imam. Diverse ondergroeperingen der Isma'ilieten hebben in de moslimse geschiedenis grote sociale en politieke bewegingen veroorzaakt, o.a. de Karmaten, Fatimiden, Druzen en Assassijnen. Thans vindt men Isma'ilieten nog vnl. in SyriŽ (de Noesairi's), PerziŽ, Afghanistan, Pakistan en India (de *Chodjats}. Onder alle Isma'ilieten zijn esoterische leringen verbreid, gedeeltelijk teruggaand op het neoplatonisme.

Lit. B. LEWIS, The origins of Ismailism (I940).



IsraŽlitisch Kerkgenootschap, Nederlands
, omvat alle binnen de grenzen van Nederland gevestigde joodse gemeenten die de 'Hoogduitse' (Asjkenasische) orthodoxe ritus volgen. De naam IsraŽlitisch dateert nog uit de Napoleontische tijd, toen men de joodse gemeenschap niet langer als 'joodse natie ? maar als kerkgenootschap naast de andere kerkgenootschappen wilde zien. liet bestuur is opgedragen aan een Centrale Commissie. De dagelijkse leiding berust bij een Permanente Commissie. Het aantal gemeenten is na de Tweede Wereldoorlog sterk verminderd. Terwijl vroeger het kerkgenootschap verdeeld was in provinciale 'ressorten' onder een eigen opperrabbijn, is het land tegenwoordig verdeeld in vier opperrabbinaten, te weten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht. Utrecht omvat alle ressorten buiten de drie grote steden.
In een zeer klein aantal gemeenten berust de dagelijkse geestelijke leiding bij een voorganger. Het beheer berust bij een kerkbestuur. In Amsterdam is nog altijd een seminarie voor de opleiding van rabbijnen en godsdienstonderwijzers, echter niet meer als volledige dagschool. IsraŽlitisch Kerkgenootschap, Portugees, benaming voor de organisatie van joodse gemeenten in Nederland die de Sefardische of Spaansjoodse ritus volgen. Het kerkgenootschap had voor de Tweede Wereldoorlog gemeenten met eigen synagogen in Amsterdam en Den Haag. Thans fungeert alleen nog de Amsterdamse gemeente. Haar synagoge, ingewijd in 1675, bleef in de oorlog betrekkelijk ongeschonden. De gemeenten werden wel zeer getroffen in de Tweede Wereldoorlog. De leiding van het kerkgenootschap berust bij een Hoofdcommissie van drie leden, de geestelijke leiding bij een chagam (opperrabbijn), door een rabbijn geassisteerd.