HET GEZICHT VAN DE VRIJMETSELARIJ ZOALS:
DE VRIJMETSELARIJ IS,
DE VRIJMETSELARIJ ZOU MOETEN ZIJN,
DE VRIJMETSELARIJ ZOU HEBBEN KUNNEN ZIJN.


Vrijmetselarij als religie
Non- the´sme
Vrijmetselarij in de interreligieuze dialoog
Vrijmetselarij als spiritueel humanisme
Vrijmetselarij als rationele spiritualiteit
Vrijmetselarij als empirische spiritualiteit
Vrijmetselarij is geen Waar Geloof
Verlichting als ongeloof
Een religie door en voor de mens
Egoloosheis als Vrijmetselaars ideaal. ?
Zelfverlossing
Zelfverlossing en spirituele (bege)leiding
De Opz.░.- Leerling/ Gezel relatie in de Vrijmetselarij.
De Mašonnerie als neergeschreven leer
De Opz.░. als uitlegger van de neergeschreven Ritualistiek
De Opz.░. als persoonlijke Opz.░. of mentor
Toewijding en transmissie
De hachelijkheid van de relatie met de mentor
Samenvatting
Ethiek en de Mašonnieke praktijk van het handelen
Ethiek in de westerse cultuur
Het geweten tegen de hartstochten
De Rede tegen de hartstochten
Het effect van de ethische optiek op onze geest
De grondslag van Mašonnieke ethiek
Voorschriften voor het pad.
Voorschriften in de A.A.S.R.









Vrijmetselarij als religie

begin
Al op school leren we dat Boeddhisme, christendom, jodendom, islam, hindoe´sme en tao´sme, de zes wereldgodsdiensten zijn. Boekhandels en de Bibliotheken plaatsen de boeken over Vrijmetselarij niet onder de rubriek 'Religies' of 'Godsdienst' maar onder vage rubrieken zoals 'Esoterie', 'Mystiek' of 'New Age'. Hoe dat ook zij, wat een godsdienst en de Vrijmij.░. tot een wereldorganisatie maakt is dat zij niet gebonden zijn aan een bepaalde cultuur, maar een visie en levenspraktijk uitdragen die transcultureel is: Zij zijn in staat fundamentele waarden over te dragen en uit te drukken in andere culturen dan waarin zij zijn ontstaan. Vaak ondergaan ze daarbij een verandering, die ten dienste staat van het totstandkomen van communicatie met de andere cultuur. Ook de verbreiding van De Vrijmetselarij laat zulke veranderingen zien.
Wanneer een beweging zich begint te verbreiden buiten de cultuur waarin zij ontstond, komt zij in aanraking met de religieuze en levensbeschouwelijke begrippenkaders uit andere culturen en gaat zij daarmee een dialoog aan. Bij de verbreiding van De Vrijmetselarij zijn dat in de eerste plaats christelijke en humanistische begrippenkaders. We zien die kaders al meteen aan het in de bewering dat De Vrijmetselarij met de zes wereldgodsdiensten niet gebonden is aan een cultuur. De Vrijmetselarij is weliswaar een traditie, die transculturele waarden in zich draagt, maar het is geen godsdienst. Welke definitie men ook aan het woord 'godsdienst' geeft, ze is - zoals we hieronder zullen zien - niet van toepassing op De Vrijmetselarij.
Tegelijk bezit De Vrijmetselarij in zijn verschijningsvorm toch ook weer allerlei aspecten die ons sterk aan een godsdienst doen denken: er bestaan Vrijmetselaars tempels, er wordt met bepaalde symbolen gewerkt, die we ook bij andere godsdiensten wel zien, zoals het reciteren van teksten, het branden van wierook en zo meer. En of men nu naar een Vrijmetselaars tempel in Bangkok, New York, Petersburg, Tokio, Kathmandu of Amsterdam gaat, men kan er allerlei ceremonies meemaken, van inwijdingen, "dopen van kinderen" en huwelijken tot ceremonies voor gestorvenen. Ook hier speelt onze westerse visie op godsdienst weer een doorslaggevende rol: omdat we deze ceremonies in onze cultuur alleen kennen als uitdrukkingsvormen van godsdienst, concluderen we al gauw dat het wel godsdienstige verschijnselen moeten zijn. En na die conclusie resoneren al onze positieve of negatieve ideeŰn mee, die we over godsdienst hebben.
Toch verschilt De Vrijmetselarij zo sterk van de wereldgodsdiensten, dat wel is geopperd dat het iets als een levensbeschouwing of levensleer moet zijn, mogelijk zelfs een soort psychologie of zelfs een vorm van psychotherapie. Omdat Vrijmetselaars spiritualiteit gaat over de transformatie van de menselijke geest en niet over de transformatie van de relatie tussen mens en God, heeft De Vrijmetselarij inderdaad naast zijn religieuze gezicht ook vele ander gezichten: een psychologisch, een sociaal, een ethisch en filosofisch gezicht. In dit artikel zullen we, door De Vrijmetselarij met onze opvattingen over godsdienst te vergelijken, bezien wat het religieuze gezicht van De Vrijmetselarij is. Want een ding is duidelijk: al is De Vrijmetselarij dan geen godsdienst, ze tracht wÚl antwoorden te geven op vragen, die ook in de godsdiensten centraal staan. Vandaar dat we in congressen waar de dialoog tussen de wereldgodsdiensten wordt gevoerd, ook vaak Vrijmetselaars aantreffen. De Vrijmetselarij kan met andere woorden wel een gesprekspartner voor de godsdiensten willen zijn, zoals bepaalde levensbeschouwingen dat ook zijn, zonder zelf godsdienst te zijn.
Non- the´sme

begin
Wanneer Vrijmetselaren met mensen uit religies spreken dan typeren zij hun eigen traditie wel als een religie zonder gezamenlijke God en zonder centraal geloof. Dat is niet alleen vanuit een christelijk perspectief een wonderlijke uitspraak. Want deze uitspraak zet De Vrijmetselarij ook apart van de wereldgodsdiensten. Een godsdienst is De Vrijmetselarij dan ook zeker niet; we zouden het eerder kunnen typeren als een non- the´stische religie, een religie die - in tegenstelling tot de wereldgodsdiensten - geen eigen godsbegrip hanteert.
Maar waarom gebruiken we hier de hybride term 'non-the´sme' in plaats van 'athe´sme' om De Vrijmetselarij mee te typeren? De reden is dat we, om De Vrijmetselarij te plaatsen, een onderscheid moeten kunnen maken tussen twee standpunten: het ene standpunt is: niet geloven dat " De God" bestaat en het andere is: geloven dat God (in welke vorm dan ook) niet bestaat. Het eerste standpunt verwoordt de afwezigheid van een bepaald geloof. Daarvoor gebruiken we hier de term non-the´sme. Het tweede standpunt verwoordt de aanwezigheid van een geloof, in dit geval het geloof in het niet-bestaan van God. We zullen dat athe´sme noemen. Als we deze termen zo definiŰren, betekent dat, dat athe´sten aan een bepaalde gedachte geloof hechten, namelijk aan de gedachte 'God bestaat niet'. Hun tegenvoeters, de the´sten, hechten ook geloof aan een bepaalde gedachte, namelijk de gedachte 'DE God bestaat'. Maar non-the´sten hechten aan geen van beide gedachten geloof.
Volgens deze definitie is de vrijmetselarij dan ook noch athe´sten noch the´sten. WÚl zijn zij door de eeuwen heen altijd zeer ge´nteresseerd in wat een godsbegrip of de afwijzing ervan met de menselijke geest doet en in welke richting de invloed gaat, zoals de oude discussies laten zien. Volgens de non-the´stische Vrijmetselarij kan het geloof hechten aan een van beide gedachten, zowel een hindernis als een opstap naar de ontwikkeling van humaniteit zijn. Of het ÚÚn dan wel het ander het geval is, hangt helemaal af van het godsbeeld dat athe´sten en the´sten voor zichzelf en in hun (vaak verhitte) discussies hanteren.
Zijn vrijmetselaren in deze kwestie dan misschien verwant aan de agnostici, aan mensen die zeggen niet te weten of God wel of niet bestaat? Ook dat niet. Want waar we vraagtekens kunnen zetten bij dat woordje 'bestaan', dat we in het dagelijks leven nogal achteloos hanteren. Juist op onze alledaagse notie van wat werkelijk(heid) is richt De Vrijmetselarij zijn pijlen. Of deze 'werkelijkheid' er nu eentje is waarin God een plaats heeft of juist niet, in beide gevallen is ze voor een belangrijk deel een mentale constructie, een gedachtewereld, die mensen voor werkelijkheid houden. Waar het spirituele pad van De Vrijmetselarij dan ook over gaat is helder te leren zien waar en in welke mate onze dagelijkse ervaring - ons bestaan - een mentale constructie, een verbeelde werkelijkheid is. En dat niet om filosofische redenen, maar omdat De Vrijmetselarij stelt, dat het bevangen zijn in onze eigen mentale constructies, ons vooroordeel van de werkelijkheid - van onszelf, de wereld, God - de oorzaak is van enorm veel lijden.
Net als wereldreligies spoort De Vrijmetselarij zijn beoefenaars dan ook aan om naar wegen te zoeken, die het lijden kunnen verzachten. Maar anders dan de godsdiensten zoekt deze levensstijl het opheffen van het lijden niet in het oefenen van gehoorzaamheid aan God of de goden, maar in het doorzien en loslaten van onze verbeelde werkelijkheid en te zoeken naar onze eigen werkelijkheid. Daartoe wendt zij analytische methoden aan, zowel in de vorm van logische analyse (Gezellengraad) als in de vorm van zelf analyse (Leerling). Omdat juist De Vrijmetselarij een zo grote invloed aan onze verbeeldingskracht toekent, beperkt het zich niet tot deze twee methoden van analyse. Het ziet er ook een kracht in, die kan worden aangewend om mensen erin te trainen destructieve beelden en voorstellingen om te vormen tot constructieve. Constructief betekent hier: leidend tot bevrijding uit de bevangenheid in voorstellingen en beelden, die lijden voor onszelf en anderen veroorzaken. Als (en zolang) bijvoorbeeld een (Gods)beeld zo'n constructieve functie voor een mens blijkt te hebben, zien vrijmetselaren daar niet alleen niet iets schadelijks in, maar eerder iets dat heilzaam kan zijn. Hetzelfde geldt voor een wereldbeeld waarin het bestaan van God wordt ontkend. Maar als mensen op grond van b.v. hun geloof in het bestaan of in het niet-bestaan van God bijvoorbeeld menen superieur te zijn aan andersgelovigen, dan verliest hun geloof zijn constructieve functie. Dan leidt het ook niet langer tot de staat van verlichting in Mašonnieke zin, die, religieus gesproken, bevrijding van the´sme en athe´sme inhoud.
Vrijmetselarij in de interreligieuze dialoog

begin
De Vrijmetselarij nodigt ons dus uit om heel pragmatisch te kijken naar de invloed die begrippen en denkwijzen - inclusief een godsbegrip - heeft op de spiritualiteit en humaniteit van mensen. Het ziet het godsbegrip als een abstracte (van de mens losgemaakte) voorstelling van wat het beste in een mens is; als een begrip dat het ideaal van volmaakte wijsheid en inzicht, liefde en toewijding bevatten. Deze kwaliteiten zijn eigen aan de mens, ook al manifesteren zij ze dan ook zelden in volmaakte vorm. Maar zij kunnen worden gecultiveerd en daar richt de vrijmetselaarsspritualiteit zich op. De kwaliteiten, die de the´stische religies dus toeschrijven aan God, schrijft De Vrijmetselarij als ontwikkelingsmogelijkheid toe aan de mens. Vanuit een vrijmetselaars perspectief is het godsbegrip dus in zekere zin een metafoor, die een bepaalde wijze van spreken mogelijk maakt. Wanneer het christendom Jezus van Nazareth de Zoon van God noemt, heeft De Vrijmetselarij daar dan ook geen moeite mee, zolang zij dat mag verstaan als een aanduiding voor het feit dat Jezus onvoorwaardelijke humaniteit de geest van wijsheid, liefde en mededogen - volledig heeft gerealiseerd en gemanifesteerd in de wereld. Niet in theologische, maar wel in praktische zin is Jezus dan niet anders dan de Boeddha. Ook dit weerspiegelt weer de praktische en op de mens gerichte visie van vrijmetselaars spiritualiteit.
Omdat verlichting, bevrijding, leegte of welke termen de traditie dan ook gebruikt, als een menselijke mogelijkheid wordt gezien, is het ontkennen ervan de kern van de profane levenshouding en een ernstige zaak. Want wat doet die ontkenning met onze geest? Zij vormt onze geest op een wijze, die ons doet afzien van elke poging onze humaniteit te ontwikkelen. En daarvan afzien betekent dat wij onze humaniteit ook inderdaad niet ontwikkelen en dat we daardoor menen (te zien) dat zo'n ontwikkeling ook niet mogelijk is. Zo leidt dus de ontkenning van deze mogelijkheid tot de bevestiging van de onmogelijkheid, zowel in onze geest als in ons handelen.
Omdat De Vrijmetselarij kwaliteiten en mogelijkheden aan de mens toekent, die de the´stische tradities juist in God plaatsen, wordt De Vrijmetselarij nog wel eens als een vorm van religieus panthe´sme gezien. Panthe´sme is de visie dat God de essentie van de wereld is en in alle schepselen woont. Daartegenover staat dan de (christelijke) visie van het the´stisch immanentisme, volgens welke God (wat Zijn aanwezigheid en werkzaamheid betreft) wel in de wereld is, maar voor wat zijn essentie betreft 'transcendent' aan die wereld is, boven die wereld staat.
Binnen De Vrijmetselarij kunnen de termen 'transcendent' en 'immanent' niet in deze the´stische betekenis worden gebruikt, want het hanteert immers geen benoemd godsbegrip. Daarom is De Vrijmetselarij ook geen vorm van panthe´sme. Wanneer we dan al termen als transcendent en immanent binnen De Vrijmetselarij zouden willen gebruiken, dan kunnen we zeggen dat verlichting transcendent is aan ego, dat wil zeggen transcendent aan een egocentrisch perspectief. En dat verlichting immanent is aan de mens, dat wil zeggen, dat verlichting in ieder mens woont en dat ieder mens, ongeacht ras of stand, verlichting kan realiseren.
Vrijmetselarij als spiritueel humanisme

begin
Al is De Vrijmetselarij dus geen godsdienst, we zijn vanwege de religieuze verschijningsvorm ervan toch geneigd om te veronderstellen dat De Vrijmetselarij, net als de religieuze tradities, iets met 'het hogere' te maken heeft. Maar alweer ligt De Vrijmetselarij hier dwars: het is niet gericht op 'het hogere' als daarmee een bovenaardse, bovenmenselijke, transcendente werkelijkheid wordt bedoeld. Waar is het dan wel op gericht? Op de mens en het menselijke bestaan, zoals zich dat nu aan levende mensen voordoet en op het hervinden van de diepte in ons bestaan. In die zin is De Vrijmetselarij geen theocentrische maar een antropocentrische religie: niet God maar de mens staat centraal. De O.B.D.H.wordt binnen de traditie dan ook niet als een god gezien en vereerd. Volgens het non-the´stische Vrijmetselarij zijn mensen, ook als het over goden spreekt, principieel belangrijker dan goden. Maar ook praktisch belangrijker, want de manier waarop en de kracht waarmee mensen hun humaniteit tegenover elkaar kunnen manifesteren, kan ons meer dan goden of hun geboden inspireren om onze eigen waarachtige menselijkheid te cultiveren. Niet goden, maar (sommige) mensen laten ons immers met eigen ogen zien dat een humane wijze van leven misschien moeilijk bereikbaar, maar wel mogelijk is.
In het Westen is het humanisme vanouds een traditie 'die voor alles de menselijke waardigheid, de vrijheid en de waarde van de persoonlijkheid wil hooghouden en bevorderen en die het geloof aan een persoonlijke god niet als premisse stelt' (Van Dale, 1970). Is De Vrijmetselarij dan wellicht een vorm van humanisme? Ten dele. Want het moderne humanisme ziet geen heil in de beoefening van spirituele oefeningen als middel tot het bevorderen van humaniteit. Net als de wereldreligies, hecht De Vrijmetselarij echter groot belang aan 'geestelijke oefeningen' en in het bijzonder aan inwijding en ritualen. Immers, de vrijmetselaars inzichten in de aard van de menselijke geest en ervaring komen eruit voort. Een humanisme dat spirituele disciplines zou benutten als methoden voor het ontwikkelen van diepgaande mensenkennis en menslievendheid, zou heel dicht komen bij de humanistische spiritualiteit van De Vrijmetselarij. Zo'n vorm van humanisme zouden we spiritueel humanisme kunnen noemen.
Vrijmetselarij als rationele spiritualiteit

begin
Ons westerse humanisme is vooral een rationeel humanisme. Een van zijn uitgangspunten is dat het redelijke denken, de ratio, het instrument bij uitstek is om humaniteit te cultiveren: voor het bevorderen van een humanere wereld is het nodig dat mensen een beetje redelijker en verstandiger worden, kritischer ook, zodat ze misleidende ideeŰn eerder en beter leren onderkennen.
Alhoewel De Vrijmetselarij eveneens waarde hecht aan het trainen en gebruik van onze ratio, ligt het verschil tussen De Vrijmetselarij en het westerse humanisme in hun opvatting over wat bruikbare instrumenten voor de ontwikkeling van kennis of wijsheid zijn. Het verschil in opvatting daarover gaat terug op een verschil in visie op de relatie tussen denken en ervaren, of wat technischer geformuleerd: tussen conceptuele en perceptuele wijzen van kennen en onwetendheid. De vrijmetselaars tradities claimen dat spirituele methoden zoals inwijdingen onze wijze van ervaren kunnen verhelderen en dat rationele methoden geschikt zijn om onze wijze van denken te verhelderen. En omdat onze wijze van denken en onze wijze van ervaren elkaar zowel positief als negatief kunnen be´nvloeden, is oefening in zowel spirituele als rationele methoden zinvol en nodig voor het cultiveren van onze humaniteit. Om die reden zou men De Vrijmetselarij ook als een vorm van rationele spiritualiteit kunnen typeren.
Het rationele karakter van De Vrijmetselarij betekent niet dat deze traditie een onromantische traditie zou zijn zonder oog voor de affectieve kant van ons mens-zijn. Ook hier stuiten we weer op een typisch westerse tweedeling: de tweedeling in het emotionele en het rationele: sommige mensen zijn wat rationeler en anderen wat emotioneler, zo zegt men dan. En als De Vrijmetselarij een rationele vorm van spiritualiteit zou zijn, zal het dus wel geen of te weinig oog voor het emotionele aspect van mensen hebben. Ongeveer zoals rationeel ingestelde mensen (lees: mannen) geacht worden weinig affiniteit te hebben met meer emotioneel ingestelde mensen (lees: vrouwen) en andersom...
Maar het idee dat emoties en rationaliteit elkaar op de een of andere manier zouden uitsluiten en daarom met elkaar verzoend zouden moeten worden, is De Vrijmetselarij vreemd. Inzicht, helderheid van geest en heilzame emotionaliteit, compassie, wekken elkaar juist op. Anders gezegd: wanneer een verstandelijke benadering tot hardvochtigheid leidt is dat volgens de vrijmetselarij een aanwijzing dat deze benadering in feite niet verstandig en niet rationeel is. Omgekeerd, wanneer een emotionele benadering tot irrationaliteit leidt, is dat een aanwijzing dat er in deze emotionele benadering toch een onopgemerkte hardvochtige kern zit.
Wanneer we Vrijmetselarij typeren als rationele spiritualiteit, dan heeft de term 'rationeel' ook betrekking op het volgende aspect van haar non-the´sme. Volgens De Vrijmetselarij worden de aangename of onaangename gevolgen van ons denken, handelen en spreken niet veroorzaakt door een belonende of straffende respons van een voor de ratio ondoorgrondelijk goddelijk wezen. Zij worden veroorzaakt door gedachten, woorden en daden, die op onwetendheid over de aard van de werkelijkheid zelf zijn gebaseerd. Wanneer we handelen zonder de feitelijke samenhang der dingen te kennen, een samenhang waarvan wij - met ons denken, handelen en spreken - deel uitmaken, dan is dat vragen om moeilijkheden. Vanwege de samenhang der dingen geldt, simpel gezegd: wie kaatst moet de bal verwachten. De positieve kant daarvan is: wie goed doet, goed ontmoet. De negatieve kant ervan is: wie zijn billen brandt moet op de blaren zitten. En dat alles niet omdat er een straffende of belonende Hand is, die ons blaren bezorgt of ons goed doet, maar omdat de werkelijkheid nu eenmaal zo in elkaar steekt. Niet ongehoorzaamheid aan God en zijn Wetten, maar handelen op basis van onwetendheid over de samenhang tussen oorzaak en gevolg is wat mensen doet lijden. Daardoor loopt de mens spiritueel en humanitair in zeven sloten tegelijk.
Vrijmetselarij als empirische spiritualiteit

begin
De radicale spirituele vernieuwing, die de Vrijmetselarij introduceerde, was van meet af aan een spiritualiteit zonder dogma's en zonder bijgeloof. De Vrijmetselarij typeert zichzelf dan ook als een traditie, die zich niet baseert op geloofsovertuigingen, maar op 'onbevangen waarneming'. Dat wil in dit geval zeggen: op waarneming, zoals die zich voordoet als we zonder vooropgezette ideeŰn - zonder geloof - naar onze geest en ervaring kijken.
De emancipatie van De Vrijmetselarij van een spiritualiteit, die op geloof (in God of goden als bestierende krachten) en op dogma's was gebaseerd, is te vergelijken met de emancipatie van het westerse (filosofische en wetenschappelijke) denken, dat zich tijdens de Verlichting (n.b. !) bevrijdde van christelijke geloofszekerheden, waarbinnen het zich eeuwen had bewogen. In plaats van zich te richten op het interpreteren van Gods Wet en Wil en op de relatie tussen onze daden en Zijn straffende of belonende Hand, begon het westerse denken zich te richten op de waarneembare, in eerste instantie vooral materiŰle, werkelijkheid en op het achterhalen van de wetten van oorzaak en gevolg die in deze werkelijkheid heersen. Zo ontstond het empirisme in de westerse cultuur; een benadering waarin kennis niet door overlevering of geloof maar proefondervindelijk wordt verworven. In de westerse cultuur bleef de spiritualiteit zelf echter voortbestaan binnen het religieuze kader van het christendom.
In Engeland liep het zo'n 350 jaar geleden met de ontwikkeling van haar spiritualiteit deels heel anders. Daar emancipeerde vrijmetselaars spiritualiteit (en het denken erover) zich van de bestaande the´stische context. Vrijmetselaars spiritualiteit hield zich niet bezig met het peilen van wat de goden met de mensen willen of met het naspeuren en naleven van hun Wetten. De Vrijmetselaar richtte zich radicaal op de menselijke werkelijkheidsbeleving zelf, op het lijden en de geestelijke blindheid, die zich daarin voordoet. En op het achterhalen van wat oorzaak en gevolg is in deze beleefde werkelijkheid. De Vrijmetselaar richtte zich vooral op het lijden en het vinden van de oorzaak ervan en op de beŰindiging van dat lijden en het vinden van de oorzaak daarvan. Zo ontstond 350 jaar geleden een proefondervindelijke, een empirische vorm van spiritualiteit in de Engelse cultuur. Dat een dergelijke vorm van spiritualiteit, een dergelijk spiritueel pad, mogelijk was en daadwerkelijk leidde tot wat in de traditie de beŰindiging van lijden is gaan heten, dat was de grote revolutionaire ontdekking die de Vrijmetselarij deed op het moment van de verlichting. Een ontdekking, die spiritualiteit zelfs losmaakte van godsdienst, en die tegelijkertijd de basis legde voor strikte spirituele en intellectuele disciplines. Een ontdekking ook, die spiritualiteit los maakte van door goden gewilde maatschappelijke positie, sekse, kaste, geaardheid of geleerdheid.
Zoals in het Westen enkele eeuwen terug een empirische benadering van de materiŰle dimensie van de werkelijkheid ontstond, zo onthulde de Vrijmetselarij een empirische benadering van de spirituele dimensie. Vandaar dan ook, dat niet kennis van de goden, maar kennis van causale verbanden op het spirituele vlak de kern vormt van vrijmetselarij. De Vrijmetselaars streven ernaar te ontdekken wat de spirituele/geestelijke oorzaken en gevolgen zijn van bepaalde denkwijzen op ons spreken en handelen en vice versa. Dat heeft een enorme schat aan inzichten en knowhow opgeleverd, die niet gebaseerd is op geloofsovertuigingen, maar op proefondervindelijk ervaren. Zo ontstond de Vrijmetselarij leer. De status, die De Vrijmetselarij aan zijn leer toekent is echter die van suggesties, van hypothesen. Voor wat het opstellen van hypothesen betreft, behoeven we dus het wiel niet opnieuw uit te vinden. We zullen deze hypothesen echter wel zÚlf moeten toetsen. Als een vorm van empirische spiritualiteit houdt De Vrijmetselarij zo het besef levend dat de B.v.d.H.K. geen goddelijke leerstuk is, maar suggesties, die ons kunnen helpen helder zicht op en hart voor het menselijk bestaan te ontwikkelen.
Vrijmetselarij is geen Waar Geloof

begin
De vrijmetselarij leringen en oefeningen worden door de traditie zelf Inwijdingen genoemd. Het zijn middelen in de zin van handreikingen, die de mens kunnen helpen zijn persoonlijke levenservaring te verhelderen, levensangst te overwinnen en vreugde te scheppen in een zorgzame levenshouding. De Vrijmetselarij ziet haar eigen uitspraken dan ook niet als absolute waarheden, maar als 'relatieve waarheden', dat wil zeggen als verbale middelen die effectief zijn om de waarheid aan het licht te brengen. 'Absolute waarheid' is volgens deze traditie geen kwalificatie die aan uitspraken kan worden toegekend, maar alleen aan ervaringen. Daarom worden de termen 'waarheid' en 'werkelijkheid' vaak als synoniemen van elkaar gebruikt.
In onze cultuur is 'waarheid' vooral een kwalificatie die aan uitspraken wordt toegekend. Uitspraken zijn waar, hetzij omdat ze Gods woord zijn of omdat ze op hun waarheid zijn getoetst. De enige claim die de Vrijmetselaar en De Vrijmetselarij zelf aan zijn uitspraken hecht is dat, wanneer we ze toetsen aan onze eigen ervaring, ze ons perspectief op ons bestaan verhelderen en onze levenshouding menselijker maken. De waarde van een uitspraak ligt in de Vrijmetselaars visie dus niet zozeer in haar waarheid maar in haar effectiviteit. En met effectiviteit wordt dan bedoeld het vermogen van de uitspraak om de werkelijkheid (waarheid) zichtbaar, ervaarbaar te maken. Wat doen opvattingen, als ze tot een geloofszekerheid uitgroeien, met de menselijke geest? Hebben ze een humaniserend effect op de menselijke geest, het handelen en spreken of juist niet? Die vragen staan centraal in de vrijmetselaars spiritualiteit en niet de waarheid van opvattingen. Deze pragmatische opstelling is typisch voor De Vrijmetselarij en vormt ook de kern van haar epistemologie: op het spirituele vlak is waarheid immers niet in begrippen te vangen, maar een ervaringszaak. Onze opvattingen kunnen wel wijzen in de richting van ervaringswaarheden, maar ze bevatten deze waarheden niet. Met die stellingname zette de epistemologie van De Vrijmetselarij zich, vanaf Desaguliers en Anderson tot in onze tijd, af tegen de absolute waarheidsclaims die door de katholieke scholen aan uitspraken uit hun Heilige Schriften, de Katholieke Bijbel, worden toegekend. En diezelfde stellingname neemt De Vrijmetselarij in onze tijd in tegen gelijksoortige waarheidsclaims, wanneer die door de huidige abrahamethische tradities aan de thora, bijbel en koran worden toegekend.
Deze typering van de vrijmetselaars leer, zegt uiteraard iets over de manier waarop in deze traditie aangekeken wordt tegen geestelijke activiteit zoals 'geloven', 'voor onomstotelijk waar aannemen', 'denken', etcetera. Volgens de vrijmetselaars tradities (en we hebben daarbij niet alleen de Engelse-school op het oog) is de wens om iets te geloven, zich daaraan vast te houden en het boven ervaring te stellen, een vorm van blindheid, van zelfbedrog: dat wat we geloven kan veroorzaken dat we de werkelijkheid juist niet onder ogen zien. Wat we geloven kan voortkomen uit de behoefte om een veilig geestelijk nest te bouwen, zodat we de gapende diepte van de werkelijkheid, die we misschien bij momenten wel vermoeden, niet behoeven te ervaren. Geloven wordt dan een vorm van niet-willen-weten, een vorm van geestelijke blindheid. Handelen op basis daarvan leidt tot pijnlijke botsingen en lijden. Voorzover we niet willen weten, dat deze blindheid de oorzaak van dit lijden is, zullen we de oorzaak elders zoeken: bijvoorbeeld bij datgene waar we in onze blindheid pijnlijk tegenaan botsen: onze omgeving. We proberen dan de vermeende oorzaak van ons lijden te ontlopen of te vernietigen. Zo komt uit niet onderkende blindheid een wereld van agressie en destructie voort in naam van het streven naar harmonie en geluk.
Verlichting als ongeloof

begin
Niet alleen voor religieuze geloofsopvattingen, maar ook voor andere 'geloofsartikelen', zoals het vooruitgangsgeloof of de overtuiging dat het er allemaal alleen maar slechter op wordt, of het geloof dat de mens in wezen goed is of juist slecht of de overtuiging dat de wetenschappelijke benadering van ons mens-zijn beter is dan een mythologische benadering, of dat beschrijvend proza ons meer over de realiteit vertelt dan poŰzie of andersom, - voor al deze overtuigingen geldt dat ze een onbevangen waarneming in de weg kunnen staan. De staat van verlichting wordt in De Vrijmetselarij zelf dan ook vaak omschreven als een 'non-conceptuele' staat van zijn, dat wil zeggen als een wijze van zijn die niet gebonden is aan of gebaseerd op concepten, op overtuigingen of geloof.
Verlichting in Vrijmetselaars zin, is niet gebaseerd op een bepaalde denkwijze of overtuiging, maar ze behelst een onvoorwaardelijke geestelijke onbevangenheid ten opzichte van ons denken: een totale bevrijding van de hypnotische kracht van ons denken. En daarmee wordt beslist niet de afschaffing van het denken bedoeld!
Daartegenover staat dan de onverlichte staat, waarin we houvast zoeken in een opvatting en er een geloofszekerheid van maken. Dat is als het planten van een stok in een onmetelijk wijd landschap. Een landschap zo onmetelijk en overweldigend wijd, dat ons de vrees om het hart slaat dat we, als we ons er voor openstellen, 'niet meer zouden weten waar we zijn'. Daarom planten we een stok in de grond en nu kunnen we in ieder geval onszelf vertellen waar we zijn: vandaag een beetje rechts van de stok, morgen misschien wat meer links. Waar we nu ook mogen zijn, we hebben zo de geruststellende illusie geschapen dat we weten waar we zijn in relatie tot onze stok en dat we weten waar de stok is in relatie tot onszelf. Eerst wisten we niets en nu in ieder geval deze twee dingen! Als nu maar niets of niemand die stok van ons afpakt. . .
Misschien hebben mensen in onze omgeving, die eveneens door levensangst werden beheerst, ons deze stok wel aangereikt, toen ze ons moment van ontzag en ontreddering zagen, ontreddering tegenover de onpeilbaarheid, de onbegrensdheid en onbeheersbaarheid van het bestaan. Misschien hebben ze ons ook wel verteld dat het planten van zo'n stok noodzakelijk is om ons door het leven heen te slaan. Dat het loslaten ervan een ondraaglijke angst zal geven... Misschien hebben zij die angst aan den lijve ervaren, doordat ook hun weer indringend is verteld dat het loslaten ervan een duizelingwekkend diepe angst zou geven. En reken maar, dat dat dan ook zo was! Het punt van deze vergelijking is natuurlijk niet dat we geen begripsbepalingen zouden mogen gebruiken, geen oriŰntatiepunten. Daarin steekt volgens De Vrijmetselarij, met haar rijke begrippenkaders, geen gevaar. Het gevaar steekt erin, dat we onze begrippenkaders als absolute referentiepunten gaan gebruiken: 'eerst was er de stok en daaromheen ontvouwde zich deze wijde wereld.' Maar zo is het echt niet gegaan...
De beoefenaar van de Vrijmetselarij streeft er dan ook naar om al deze stokken te leren onderkennen en los te laten, zodat hij of zij de werkelijkheid zoals zij is leert zien. Dat betekent niet dat vrijmetselaars inwijding een oefening is in gedachteloosheid, leeghoofdigheid of 'je leeg maken'. Eerder is het een oefening in het aangaan van een 'onbepaalde' relatie met de onmetelijke wijdheid van het landschap van de ervaring zelf, in plaats van te vluchten in een 'bepaalde' relatie via onze stok. Daartoe moeten we ons vermogen ontwikkelen om op elk moment illusie en werkelijkheid van elkaar te scheiden. Dat is geen intellectueel vermogen, geen denkactiviteit, maar een vorm van sensitiviteit, die in staat is heen te zien door de betoverende werking van zowel de meest verfijnde, indrukwekkende en logisch sluitende gedachteconstructies als van de meest grove en primitieve en irrationele gedachtespinsels.
In De Vrijmetselarij gaat het er dus ook niet om bepaalde (geloofs)overtuigingen voor andere (bijvoorbeeld boeddhistische) te vervangen. Waar het om gaat is de bereidheid om steeds, hier en nu, onze eigen geest te proeven, te onderkennen wat het (on)spirituele en (de)humaniserende effect is van de overtuigingen en gedachten die men heeft, gedachten over zichzelf, over de ander, de wereld, God, of over wat dan ook. Die bereidheid vormt de basis van de Vrijmetselaars werktuigen en van het handelen en spreken.
Een religie door en voor de mens

begin
Vanuit de the´stische visie van het christendom en de andere wereldgodsdiensten is een religie, die niet theocentrisch, maar eerder antropocentrisch is, een dubieuze zaak: ze is immers 'mensenwerk' in dubbele zin: ze is niet alleen door de mens, maar ook voor de mens gemaakt. Zulk mensenwerk in dubbele zin gaat een stap verder dan de liberale opvatting - zoals we die bijvoorbeeld bij Kuitert (1992) vinden - dat de christelijke religie door mensen is gemaakt om het bovenmenselijke, het goddelijke of God te kunnen naderen of in ons leven toe te laten.
Zijn we dan met De Vrijmetselarij terug bij de opvatting van Protagoras uit de Klassieke Oudheid, dat de mens de maat van alle dingen is? Loopt een religie, die voor en door mensen is gemaakt in plaats van voor en door God, niet het risico om ruimte te laten aan religieuze 'doe-het-zelvers', die - zonder dat misschien te willen of te merken - in feite hun egocentrisme niet ontmantelen, maar het juist aankleden en rechtvaardigen in religieuze termen? De 'goddeloze Vrijmetselarij' zal daar toch een dam tegen moeten opwerpen, ook al ziet het zelfzucht en ego´sme niet als een vorm van ongehoorzaamheid aan God. Maar wat voor middelen heeft het om dat te doen, als God of goden in deze traditie geen rol spelen? Egoloosheis als Vrijmetselaars ideaal. ?

begin
Het antwoord op die vragen ligt bij het volgende fundamentele punt van de vrijmetselaars; ze is weliswaar antropocentrisch, maar niet egocentrisch. Alsof het loslaten van een Godsidee voor een religie al niet radicaal genoeg is, legt De Vrijmetselarij ons ook nog eens voor, dat ook het ik dat mensen koesteren een illusie is. Deze illusie is een werkelijke, waarachtige illusie en zij is het, die onze ervaringswereld een egocentrische structuur geeft . De egocentrische mens is volgens de Vrijmetselarij zeker niet de maat van alle dingen, maar het is de verlichte mens, die zich van dit egocentrische perspectief heeft bevrijd, DE Vrijmetselaar. Of anders gezegd, onze eigen geest is, op de momenten waarop hij niet bevangen is door 'ego', de maat voor wat humaniteit is.
In de Mašonnieke optiek is ego niet een geestelijke entiteit maar een geestelijke activiteit. Deze activiteit is vergelijkbaar met het snel rondzwaaien van een lichtbron in de duisternis, zodat we een lichtcirkel zien. Net als die lichtcirkel bestaat ego zolang de gewoonte van onze geest om rond te draaien rond dit ik-concept niet doorbroken is.
In de maatschappij van 350 jaar geleden, waar de Vrijmetselarij zich als een radicale reformatie tegen afzette, was het gemeengoed om te denken dat de mens een onvergankelijk en op zich zelf staand 'zelf' of 'ik' bezit. Het zou dit 'ik' zijn dat van het ene leven naar het andere zwerft (re´ncarneert) of opgenomen wordt in een hemel c.q. hel, dat handelt en de vruchten van zijn handelen plukt in de vorm van wel en wee en in de vorm van wedergeboorte of een bepaalde plaats in de " Hemel". Dit 'ik' is ook gehecht geraakt aan de materiŰle wereld en haalt zich daardoor voortdurend allerlei lijden op de hals. Door middel van oefeningen zou het zich kunnen bevrijden van deze gehechtheid en van dat wat haar steeds naar beneden trekt: de wereld van de zinnen. Einddoel van religieuze oefening zou dan zijn om dit ik, volledig te bevrijden van de grof-stoffelijke wereld, zodat het op kan gaan in het Al
Veel spirituele tradities die over het bestaan van een hoger of dieper Zelf spreken, zien ons lichaam meestal als iets dat behoort tot de materiŰle wereld en niet tot ons ware zelf. Daarom zien zij ons lichaam en het streven naar lijfsbehoud vaak ook als datgene wat ons spirituele zelf (behoud of -ontplooiing) juist in de weg staat. Ego is in hun visie een 'lager zelf' dat uit het lichaam voort zou zijn gekomen. Toen de Profaan aanklopte, zag hij van deze ascetische benadering af en bereikte zo verlichting. Volgens de Vrijmetselarij is niet het streven naar lijfsbehoud, maar het streven naar zelfbehoud de basisenergie van een geest, die de wereld op een egocentrische manier structureert. De Leerling moet ontdekten dat onze geest en niet ons lichaam de schoot is waarin de illusie van ego ontstaat. Ons lichaam is volgens de Mašonnieke traditie dan ook uiterst kostbaar. We moeten er goed voor zorgen en het beschermen, omdat het de basis is voor spirituele ontwikkeling. Lijfsbehoud is een noodzakelijke voorwaarde voor het loslaten van zelfbehoud.
Tegen de negatieve waardering van het materiŰle en het lichamelijke bestaan heeft de Vrijmetselarij zich van meet af aan gekeerd. In de dialoog met de Kerk werpt de Vrijmetselarij dan ook een aantal principiŰle vragen op: wat is de invloed van de wens om onszelf uit het lijfelijke en materiŰle bestaan te bevrijden op hoe wij met ons leven omgaan, hoe wij onze wereld vormen en beleven? Is niet juist deze wereldverzaking precies datgene wat ons egocentrisme voedt en er zelfs de uitdrukking van? Is onze wens om onze ziel, onszelf, te redden niet ten diepste een vorm van egocentrisme en levensangst? En zouden, als onze wens dan al werd vervuld, dit egocentrisme en deze angst niet juist hebben gezegevierd, in plaats van dat we ze zouden hebben overwonnen? Dat kan toch niet het doel zijn van een religieus leven. Spiritualiteit of religie, die de uitdrukking is van (levens)angst zit volgens de Vrijmetselarij op een dood spoor. Maar als levensangst inderdaad verbonden is met de illusie dat we onszelf, ons ego, kunnen en moeten veilig stellen, dan wordt ook een weg naar het overwinnen van die angst zichtbaar: het loslaten van deze illusie.
Zeker, de wens en het streven om ons te ontdoen van ongemak, van pijn en frustratie is verankerd in ons mens-zijn. Maar als deze wens onvervulbaar en dit streven onrealistisch is, voegt dit streven dan juist niet meer pijn en frustratie toe aan ons bestaan? Bestaat dan niet de kans dat we door die toegenomen pijn en frustratie nog heviger gaan wensen en streven naar dat wat juist door dit streven niet kan worden vervuld? Aan Le▀ing werd eens gevraagd op welke wijze hij - met uiteindelijk succes - naar verlichting had gestreefd. Waarop deze antwoordde: 'Door niet te streven. ' Met dat antwoord wordt geen apathische levenshouding gepropageerd, maar een dynamische levenshouding die zich vrijmaakt van elk streven dat egocentrisch en onrealistisch is. In de Vrijmetselarij wordt dan ook gezegd dat dit streven voortduurt zolang het geloof in het bestaan van ego - hoe concreet of abstract dan ook opgevat - voortbestaat, omdat dit streven voortkomt uit de wens onszelf te redden.
Toch hebben mensen iets, dat we in onze cultuur aanduiden met de term 'ik-besef'. De Vrijmetselarij ontkent dat niet, maar benadrukt dat datgene waarvan we een besef denken te hebben, in feite geen besef, geen ontdekking is, maar een geestelijke uitvinding. Op zich zelf zou er in die uitvinding of aanname hiervan niet zoveel kwaad behoeven te schuilen, ware het niet dat dit geloof het plechtanker is voor een egocentrische levenshouding. Dit egocentrisme belemmert onze natuurlijke betrokkenheid en zorg voor de wereld om ons heen. Sterker nog, het maakt ons doof voor de oproep tot menselijkheid. Op zijn best versmalt dit egocentrisme onze humaniteit tot het 'redelijk' afwegen van eigenbelang tegen dat van anderen.
Als opstap naar de ontwikkeling van een egoloos perspectief raadt de Vrijmetselarij aan, in de latere ontwikkeling, er niet aan vast te houden dat er in de mens een soort kern te vinden is die de mens dan 'in diepste wezen' zou zijn en die hij of zij zou moeten zien te vinden en beschermen om 'waarachtig zichzelf' te worden en te blijven. Volgens deze traditie is het 'zoeken naar zichzelf' uiteindelijk niet vruchtbaar voor het ontwikkelen van waarachtige menselijkheid, om de simpele reden, dat men met een dergelijke zoektocht zijn hele leven kan vullen: de creativiteit van ons voorstellingsvermogen is immers eindeloos en kan ons onbeperkt steeds nieuwe 'zelfontwerpen' voortoveren, waarover we ons dan kunnen afvragen: ben ik dat echt? Is dit mijn ware Zelf? Maar de ontdekking dat deze zoektocht uiteindelijk spiritueel vruchteloos is, is opzichzelf een vruchtbare ontdekking, want zij toont ons iets van de ware aard van onze geest: zijn vermogen om werelden van illusie te scheppen en teniet te doen. Mašonnieke spiritualiteit richt zich dan ook niet op de ontdekking van een hoogste of diepste Zelf, maar op de ontdekking van de ware aard van de geest. Daarom wordt ook de ervaring van egoloosheid ook wel het zien van de ware aard van de geest genoemd.
Dat neemt niet weg, dat het, aanvankelijk, heilzaam kan zijn om op zoek te gaan naar ons 'Ware Zelf'. Want dat kan de manier zijn om persoonlijk te ontdekken dat zo'n Zelf in de ervaring niet te lokaliseren of te vinden is: 'True self is no self.'
Zelfverlossing

begin
De grote vraag is natuurlijk of mensen van deze egocentrische ervaringsstructuur vrij kunnen raken. In het christendom is sprake van verlossing door goddelijke genade. Weliswaar kunnen we deze vrije, goddelijke genade niet kopen en ook niet (of nauwelijks) verdienen, maar toch, de noodzaak en mogelijkheid van bevrijding van egocentrisme wordt onderkend . Denk aan de veel geciteerde passage uit de bijbel: 'Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is) niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij' (Galaten 2: 20).
De Vrijmetselarij gaat natuurlijk niet uit van verlossing door goddelijke genade. Het proclameert de mogelijkheid van zelf verlossing. Daarmee wordt bedoeld dat de menselijke geest zichzelf van een egocentrisch perspectief op het bestaan kan verlossen. Daartoe is de mens, maar niet zijn 'ik' in staat. Dat 'ik' is immers een illusoire creatie van de menselijke geest. Die creatie kan zichzelf niet als illusie doorzien, want ze heeft geen leven van zichzelf. Ze lijkt een eigen leven te leiden, zoals Jan Klaassen of Katrijn levende wezens lijken door de energieke hand van de poppenspeler die hen doet bewegen. We moeten de term 'zelfverlossing' in de Vrijmetselarij dan ook opvatten als een mentale beweging van de menselijke geest: de menselijke geest verlost zichzelf van 'ik', van een egocentrisch perspectief op het bestaan. Die verlossing wordt voltrokken door onze geest, dat wil zeggen door het trainen van onze geest in het doorzien van de door hemzelf geschapen en in stand gehouden illusie van ego. Daarmee verlost de mens zich ook van alle vormen van egocentrisme in denken, spreken en gedrag. Dat is het doel ook van alle Mašonnieke oefening.
De energie waarmee de mens 'zichzelf' als Jan of Katrijn tracht te behouden en gelukkig te maken, komt bij het loslaten van de ik-illusie vrij. Ze verliest haar beperkte object 'Jan', 'Katrijn' en neemt haar natuurlijke vorm aan van onvoorwaardelijke zorgzaamheid en mededogen ten opzichte van de wereld der verschijnselen in haar totaliteit, een wereld waar ook wijzelf als mens een deel van zijn. Het inzicht, dat met het realiseren van egoloosheid samengaat, is een helderheid van geest die niet meer wordt ingeperkt door egocentrisme. Dat inzicht waarborgt dat de energie van zorgzaamheid geen blinde of kortzichtige liefde wordt, maar werkelijk doeltreffende en verstandige zorgzaamheid.
Wanneer de illusie van een 'ik' volledig doorbroken is, dan wordt de staat van verlichting of verlossing bereikt. Deze staat is er niet een die zich van de wereld heeft afgekeerd, maar die juist elke neiging tot zich afkeren heeft overwonnen en daarom met totale toewijding en tegenwoordigheid van geest betrokken is op de wereld van de verschijnselen. Kortom, wat de Vrijmetselarij met ego in spirituele zin bedoelt, is de kracht die voortdurend werkzaam is als levensangst en niet-willen-zien, en zo onze menselijkheid, onze natuur in gijzeling houdt . Egoloosheid is de staat van geest, waarin deze kracht is getransformeerd in zorgzaamheid voor en helder zicht op alles. Maar daarmee zijn we al aanbeland bij het onderwerp van het volgende hoofdstuk: namelijk wat de Mašonnieke tradities in psychologische zin met ego en egoloosheid bedoelen.
Zelfverlossing en spirituele (bege)leiding

begin
In onze moderne westerse cultuur, met haar nadruk op. individuele ontplooiing, 'zelf doen', wekken noties als 'zelfverlossing' gemakkelijk misverstand: men zou al gauw kunnen denken dat zelfverlossing een houding propageert waarin geen plaats is voor spirituele begeleiding. Of misschien moeten we zelfs zeggen: men hoopt al gauw dat zulke begeleiding niet nodig is. Want niet alleen is spirituele begeleiding - in tegenstelling tot psychotherapeutische in onze westerse cultuur een vrijwel onbekend verschijnsel geworden, maar ook wil men - uit gŕne, uit argwaan of uit arrogantie - er vaak geen pottenkijkers bij waar het om spirituele ontwikkeling gaat. En dat spoort wonderwel met het westers individualisme, waar in ook geestelijke privacy of geslotenheid tussen mens en veel al als een verworvenheid wordt gezien.
Voorzover spirituele begeleiding en onderricht binnen het christendom nog bestaat, ligt het accent daar vooral op het toegankelijk maken van zijn boodschap en op het toepassen van zijn leer op de levensproblemen, waar mensen mee komen. Begeleiding komt neer op godsdienstonderwijs en pastorale hulp. De pastor heeft primair als taak de relatie tussen God en gelovige tot stand te brengen, te bevorderen of te herstellen. De spirituele relatie zelf en de verdieping ervan wordt echter gezien als iets dat uiteindelijk ligt binnen de intimiteit tussen God en de gelovige. Een ander mens kan daarin niet binnen treden. Hier treedt zelfs de begeleider beschroomd terug. En als zich daarin dan al momenten van verlossing voordoen, dan komen deze van God. Maar waar het gaat om het ontwikkelen van een religieuze houding tegenover de problemen van het menselijk bestaan, daar is de pastor weer present. En zo nodig verwijst deze door naar de psychotherapeut.
Volgens athe´stische humanisten zou de mens er beter aan doen - waar het fundamentele levensproblemen betreft - niet de pastor maar de ratio als leidsman te nemen, tenzij deze pastor natuurlijk de redelijkheid zelve is... En waar het om onze houding tegenover het menselijk bestaan gaat, zouden mensen het niet moeten zoeken in de oncontroleerbare en mogelijk imaginaire relatie tot een goddelijk principe, maar te rade gaan bij de humanistische raadsman of raadsvrouw. Beide westerse tradities bieden begeleiding wanneer er persoonlijke religieuze of fundamentele problemen zijn. Pastor en raadsman helpen ons door het leven heen. Ze zijn - net als de psychotherapeut - voornamelijk probleemoplossers geworden, al zullen zij zich dan wat meer dan de psychotherapeut richten op existentiŰle problemen in plaats van op psychologische. Een vorm van begeleiding, die zich niet beperkt tot het hanteerbaar of verdraagbaar maken van levensproblemen, maar die zich richt op het cultiveren van het menselijk hart, heeft in onze cultuur echter nauwelijks (meer) plaats. Het bewust tot bloei brengen van de roos van humaniteit in en door middel van een persoonlijke relatie met een spirituele mentor ziet noch het christendom noch het humanisme als een van haar taken. Of misschien moeten we zeggen: zij zien dat niet (langer) als een taak waartoe zij (ge)machtig(d) of toegerust zijn. De knowhow daartoe maakt ook niet langer deel uit van deze westerse tradities: ze komt niet voor in de opleiding tot pastor, raadsvrouw of raadsman.
Het onvermijdelijke gevolg daarvan is wel, dat de nadruk komt te liggen op theorie en studie in plaats van op spirituele praktijk en beoefening. Het wordt dan aan de mensen zelf overgelaten om die knowhow al of niet te (her)ontdekken en toe te passen in hun leven. En inderdaad zien we in elke generatie steeds weer individuele mensen, die met vallen en opstaan iets van die knowhow herontdekken. Zulke enkelingen zijn dan - zolang ze leven - de spirituele bakens voor anderen. Maar van een systematische overdracht en vermeerdering van deze knowhow door de generaties heen, is in de westerse tradities toch geen sprake meer.
Persoonlijke overdracht van knowhow op het gebied van wetenschap en kunst kennen we in onze cultuur wel, maar overdracht van het geestelijke 'handwerk' op het gebied van spiritualiteit en levenshouding bepaalt toch niet meer het gezicht van religieuze en levensbeschouwelijke tradities. Toch is de persoonlijke relatie tussen een spirituele Opz.░. en leerling ook kenmerkend voor het vroege christendom en voor de antieke cultuur waarin het humanisme haar wortels heeft. Ook daar waren leraren, die mÚÚr deden en konden dan onderricht geven in de christelijke of humanistische leer of het verlenen van geestelijke eerste hulp. Zij wisten hoe ze het hart van hun leerlingen konden openen en humaniteit, mensenliefde (philanthropia) bij hen konden cultiveren. En die knowhow bepaalde ook het karakter van de Opz.░.-Leerling relatie.
Door te bezien hoe in de Mašonnieke tradities de relatie tussen Opz.░. en leerlingen/ Gezellen ligt, leren we dan ook het religieuze gezicht ervan beter kennen en hoe dat gezicht verschilt van onze westerse visie op godsdienst en spiritualiteit.
De Opz.░.- Leerling/ Gezel relatie in de Vrijmetselarij.

begin
Een tekst over de Opz.░.- Leerling/ Gezel relatie komt uit een verhaal waarin Lessing vlak voor zijn dood met een Br.░. spreekt. Deze Br.░. vraagt bezorgd aan de Lessing hoe het na zijn dood verder moet. Lenning zegt dan: 'Misschien Br.░., komt bij ÚÚn van jullie deze gedachte op: "Het woord van de Opz.░. is heengegaan; wij hebben geen Opz.░. meer." Maar dat moet niet zo gezien worden. De leer en de discipline, die door mij onderwezen en uiteengezet zijn, die zijn na mijn heengaan jullie Opz.░..'
Wat zegt deze tekst over de Opz.░.- Leerling/ Gezel relatie in de Mašonnieke traditie? Staat hier dat een persoonlijke relatie tussen Opz.░. en Leerling/ Gezel uiteindelijk niet belangrijk is? Hoe ligt de relatie tussen de Opz.░., de Leerling/ Gezel en de leringen in de Mašonnerie?
Om een antwoord op deze vragen te geven moeten we bovenstaand citaat - volgens goed Mašonniek gebruik - in zijn context plaatsen. De context hier is de aanstaande dood van Lessing. Of anders geformuleerd: de context is het moment, waarop de fysieke nabijheid tussen Opz.░. en Leerling / Gezel ten einde loopt. In die context geeft Lessing dan te kennen dat hij de leer, en haar beoefening volledig heeft overgedragen aan zijn Leerling/ Gezelen en dat zij in dat feit vertrouwen moeten stellen. Zij kunnen de Vrijmetselarij beoefenen Ún doorgeven aan volgende generaties. De Opz.░. zelf, kan dat niet langer voor hen doen.
Dit thema resoneert in allerlei varianten tot op de dag van vandaag in de Vrijmetselarij. In Mackey zijn bijvoorbeeld vele verhalen (hagiografieŰn) te vinden over Leerling/ Gezelen, die op een gegeven moment van hun Opz.░. te horen krijgen: 'Ik heb je alles onderwezen, dat je nodig hebt om verlichting te bereiken. Ga nu en beoefen wat ik je heb geleerd totdat je metterdaad verlichting hebt bereikt.' Op een gegeven moment - en dat wordt meestal door de Opz.░. aangeven moeten we ons begrip van het pad leren vertrouwen. Zulke verhalen hebben vaak het volgende, veelzeggende vervolg: wanneer de Leerling/ Gezel dan verlichting bereikt en zijn of haar Opz.░. wil opzoeken om deze realisatie aan de Opz.░. voor te leggen, dan blijkt deze inmiddels gestorven te zijn... Uiteindelijk zal de Leerling/ Gezel ook zijn eigen verlichting moeten leren vertrouwen. En niet zelden is de dood van de Opz.░. daar de katalysator voor.
De Mašonnerie als neergeschreven leer

begin
Maar de context van dit citaat bevat nog een ander belangrijk en enigszins paradoxaal aspect: er zouden een tientallen jaren overheen gaan, voordat de leer op schrift zou worden gesteld. De Mašon verwijst in dit citaat dus zeker niet naar teksten over de oorspronkelijke leer en haar discipline, die hem na zijn sterven zouden kunnen vervangen, want die teksten bestonden niet. Waar verwijst hij dan wel naar? Naar mensen, die de Vrijmetselarij, zoals door hem onderwezen, belichamen: zijn verlichte Leerling/ Gezelen, die ieder voor zich - naast de algemene uiteenzettingen van de Vrijmetselarij - op hun persoon(lijkheid) toegesneden Vrijmetselarij-onderricht van de Opz.░. hebben ontvangen. Voor de volgende generaties is persoonlijk contact met deze Leerling/ Gezelen van de Opz.░. dan ook de manier om de Vrijmetselarij te leren kennen en te leren beoefenen. Op de waarde van zo'n relatie wijzen de Mašonnieke scholen, ook in onze tijd, wanneer zij zich erop laten voorstaan een ongebroken lijn van transmissie van Opz.░. op Leerling/ Gezel te belichamen, een lijn die teruggaat op de "stichters " zelf.
Van Desaguliers b.v zelf zijn geen uitspraken bekend waarin hij zijn Leerling/ Gezelen aanspoort om een en ander op schrift te stellen. Wel heeft het op schrift stellen, de relatie tussen Opz.░. en Leerling/ Gezel veranderd. Het opende immers de mogelijkheid om de Vrijmetselarij niet te zien als een bepaalde visie, die van Opz.░. op Leerling/ Gezel wordt doorgegeven, maar haar te vereenzelvigen met de neergeschreven teksten. En in sommige tijden en scholen is de verleiding om de Vrijmetselarij zo op te vatten zeker groot geweest. Toch zijn de neergeschreven teksten op zijn best de verwoording van een visie, ze zijn niet de visie zelf. De verwoording is een hulpmiddel om de Vrijmetselarij te begrijpen en te realiseren, het is niet de Vrijmetselarij zelf en kan het ook niet zijn, al was het maar omdat een effectieve verwoording hooguit effectief is voor mensen in een bepaalde tijd en cultuur. Ook de verwoording kan en moet veranderen om verstaanbaar te blijven. De vraag doemt dan op hoe wij - levend in onze cultuur - deze teksten moeten lezen en verstaan. Wat is de juiste interpretatie van deze teksten? Wie kan ons daarbij helpen? Daarmee zijn we terug bij de Opz.░..
De Opz.░. als uitlegger van de neergeschreven Ritualistiek

begin
Voor het vinden van de juiste interpretatie van deze teksten kunnen we niet zonder het contact met een Rituaal-Opz.░.. Maar wat is de juiste interpretatie? Is het de interpretatie die westerse filosofen, - coronari of andere rituaal wetenschappers eraan geven? Of kunnen we deze vraag beter aan de mašonnieke tradities zelf voor leggen? Volgens de Mašonnieke tradities is de juiste interpretatie er een, die de Leerling/ Gezel in de richting van verlichting leidt. En die interpretatie ligt niet vast; er is niet per definitie ÚÚn juiste interpretatie voor iedereen, maar hooguit ÚÚn juiste interpretatie voor een bepaalde (groep) leerling (en) op een bepaald moment in een bepaalde situatie. We vinden daarvan vele voorbeelden in de ritualen zelf. Effectiviteit van onderricht hangt af van de soort Leerling/ Gezel, de leersituatie zelf en van wat er door welke Opz.░. onderwezen wordt.
Een bekwame Opz.░. is iemand, die het vermogen om Mašonnerie te onderwijzen is dan ook gebaseerd op het onderscheidingsvermogen, dat de Opz.░. in staat stelt de juiste onderwerpen op het juiste moment aan de juiste persoon te onderrichten. Dat vermogen heeft hij of zij weer geleerd van zijn of haar eigen Opz.░.. Zoals een muziek leraar ons auditieve onderscheidingsvermogen traint om bepaalde fraseringen en dicties in een muziekstuk te horen, ten gehore te brengen en later aan anderen te leren, zo oefent de Mašonnieke Opz.░. de Leerling/ Gezel om een geestelijk onderscheidingsvermogen te ontwikkelen, dat hem of haar in staat stelt de muziek van de Vrijmetselarij te horen en door te geven.
In dat leerproces en in de relatie tussen Opz.░. en Leerling/ Gezel is er ook ruimte voor leringen, die weliswaar niet de diepste, 'uiteindelijke Vrijmetselarij verwoorden, maar die wel als opstap daarheen, als 'voorlopige instructie' waardevol zijn. Het onderscheid tussen 'voorlopige' of 'voorbereidende' instructie en 'uiteindelijke' Vrijmetselarij is vergelijkbaar met het soort van voorbereidende natuurkunde, dat op de middelbare school wordt onderwezen en dat - alhoewel niet geheel juist - toch als opstap naar de universitaire natuurkunde dienst doet. Ook daar speelt het inzicht van de Opz.░. in wat voor de Leerling/ Gezel op een bepaald moment te behappen is een rol: heeft de Leerling/ Gezel voldoende 'voorbereidende' kennis om met hogere natuurkunde aan te komen? Op dezelfde wijze draagt de rituaal-Opz.░., die zelf ook Leerling/ Gezel was (en in zekere zin altijd Leerling/ Gezel blijft), bij aan een juist begrip bij de Leerling/ Gezel.
De Opz.░. als persoonlijke Opz.░. of mentor

begin
Toch is het wekken en overdragen van een juist begrip van de neergeschreven rituaal maar ÚÚn van de functies van een rituaal Opz.░.. De Opz.░. is niet noodzakelijk alleen maar exegeet en catecheet, alhoewel sommige leraren alleen deze functie uitoefenen. Want begrip allÚÚn is niet waar het om gaat. De beroemde Goethe placht dan ook te zeggen: 'Verwar begrip niet met realisatie en realisatie niet met verlichting.' Immers, wat zou men er aan hebben intellectueel te begrijpen wat de Vrijmetselarij is, als men zich de geesteshouding en levenshouding van de Mašon niet eigen zou kunnen maken, als men het pad van de Mašon niet daadwerkelijk zou kunnen gaan?
Wat betekent het om het pad van de Mašon te gaan? Zoals we hiervoor al bespraken, betekent het: het bewerkstelligen van een geestelijke transformatie, het ontdekken en cultiveren van een manier van leven, die vrij is van een egocentrisch perspectief en van bijbehorende egocentrische emotionaliteit. Dat is een veel ingrijpender proces dan Vrijmetselaars teksten bestuderen en proberen te begrijpen. Het gaat dieper dan het overnemen van rituele opvattingen. Daadwerkelijk op pad gaan is een proces waar hart en ziel bij betrokken zijn; het gaat tot op het bot. En juist daarbij hebben we een leidsman of leidsvrouw nodig, iemand die dit pad uit eigen ervaring kent; iemand die het ego-loze perspectief, waarnaar de mašonnieke-teksten verwijzen, in voldoende mate belichaamt om vanuit dat perspectief met ons om te gaan. Daarmee is al aangegeven dat een rituaal-Opz.░. nog een andere functie kan hebben: die van spirituele mentor. Als mentor heeft de Opz.░. de functie om de Leerling/ Gezel allereerst te brengen tot persoonlijke ervaring van wat verlichting is en op basis daarvan vervolgens de Leerling/ Gezel te onderrichten hoe hij of zij de onomkeerbare staat van verlichting kan bereiken. In die functie komt de relatie tussen Leerling/ Gezel en Opz.░. ook anders te liggen: ze wordt persoonlijker, directer en gebaseerd op groeiend onderling vertrouwen. In oude terminologie: de Opz.░. wordt een 'spirituele vriend' .
Misschien is de spirituele mentor niet de grootste tekstgeleerde in de Rituaal-kunde, maar wel een mens, die ons door zijn levenshouding laat zien dat de weg naar Vrijmetselaarsschap begaanbaar is. De persoonlijk Opz.░. is mentor voorzover hij of zij de Vrijmetselarij belichaamt en voorzover zo'n Opz.░. de knowhow, de vaardigheid bezit om persoonlijke begeleiding bij de beoefening van de Mašonnieke disciplines te geven. Die disciplines hebben betrekking op het trainen van de geest door middel van studie, en op het trainen van ons spreken en handelen, kortom op alle aspecten van ons leven. De mentor is degene die individuele instructie en begeleiding geeft.
De vaardigheid om dit soort begeleiding te geven is eveneens vanaf Anderson generaties lang van mentor op Leerling/ Gezel doorgegeven. Deze was zelf vooral een spirituele mentor. Deze vaardigheid vormt, ook in onze tijd, de praktische rijkdom van de Mašonnieke scholen. 'Praktisch' omdat deze rijkdom zich aanpast aan de tijd en plaats waarin ze wordt gebruikt. Ze reikt verder dan de rijkdom aan overgeleverde teksten en de interpretatie daarvan. Hier gaat het niet om de letter van het rituaal, maar om de levende ritus en om de transmissie daarvan op de volgende generatie van beoefenaars. Door contact te maken met deze levende ritus wordt de visie van de Vrijmetselarij mÚÚr dan een intellectueel vergezicht of een spirituele droom. En dat contact wordt gemaakt in de persoonlijke relatie tussen mentor en Leerling/ Gezel en in de persoonlijke begeleiding bij de beoefening van de spirituele disciplines, die de mentor de Leerling/ Gezel geeft.
Toewijding en transmissie

begin
Wanneer de Leerling/ Gezel ontdekt dat het opvolgen van de instructies van de mentor hem of haar inderdaad dichter bij de verwerkelijking brengt van de mašonnieke-natuur, dan zal de Leerling/ Gezel zich steeds meer openstellen voor de mentor en andersom. Zo ontwikkelt zich tussen mentor en Leerling/ Gezel een wederzijdse vertrouwensband. Deze gevoelsband kan tenslotte uitgroeien tot wederzijdse, onvoorwaardelijke toewijding en tot een verlichte relatie tussen twee mensen. Die relatie wordt niet meer bepaald of gekleurd door egocentrisme en de bijbehorende emoties van hebzucht, agressie en onverschilligheid. Mentor en Leerling/ Gezel bevinden zich dan in dezelfde geestelijk ruimte van onvoorwaardelijke toewijding. En daarin vindt de persoonlijke transmissie van de geest van de Vrijmetselarij plaats. Want die ruimte is de geest van de Vrijmetselarij.
Met het ontwikkelen van onvoorwaardelijke toewijding aan de mentor is een begin gemaakt met de ontwikkeling van onvoorwaardelijke toewijding aan het bestaan. 'Onvoorwaardelijke toewijding aan het bestaan' benoemt de gevoelswaarde, de affectieve kant van de staat van verlichting zelf. En dat is waar het de mentor om gaat: dat de Leerling/ Gezelen hun hart onvoorwaardelijk leren te openen voor de wereld om hen heen. En waar kan men daar beter mee beginnen dan in de relatie met een mentor, die zelf die onvoorwaardelijke toewijding beoefent en tot op zekere hoogte heeft gerealiseerd? Want verlichting is geen abstracte, privÚ-aangelegenheid, maar ze is, zoals The Hermetic Brotherhood-Vrijmetselarij dat noemt, een zaak van 'liberating intimacy'. Het is iets dat wordt getraind tussen levende mensen en zich in die relatie manifesteert.
Onvoorwaardelijke toewijding betekent echter niet dat het daarbij om een houding gaat waarin geen plaats is voor kritische intelligentie, weerwoord of eigen initiatief. Net zomin als onvoorwaardelijke toewijding aan het bestaan betekent, dat men alles maar over zijn kant laat gaan, zo betekent onvoorwaardelijke toewijding tussen mentor en Leerling/ Gezel niet dat zij over en weer alles maar voor zoete koek aannemen. Toewijding heeft hier dan ook vooral de betekenis van openhartigheid. Die openhartigheid zal de Leerling/ Gezel dan ook al lereerst tegenover zichzelf moeten ontwikkelen door middel van inzicht. Dat is in de Vrijmetselarij bij uitstek de discipline die ons leert om zonder terughouding en onvoorwaardelijk de capriolen van onze geest te zien. Onvoorwaardelijke openhartigheid tegenover de mentor stelt de Leerling/ Gezel in staat om onder alle omstandigheden zich aan de mentor te laten zien zoals hij of zij is: de Leerling/Gezel is dan in staat zijn of haar geest aan de mentor te tonen. En omgekeerd kan de mentor dan zijn of haar geest tonen aan de Leerling/ Gezel. Juist dat maakt effectieve begeleiding en transmissie mogelijk. De mentor kan dan zien of en hoe de Leerling/ Gezel vordert op het pad van de Vrijmetselarij. Dan komt er een moment, waarop de mentor dit vertrouwen vorm geeft door de Leerling/ Gezel te machtigen om zelf als mentor op te treden. Zo voltrekt zich dan de transmissie van de Mašonnerie op een volgende generatie.
In termen van de Vrijmetselarij wordt deze ontwikkeling zo geformuleerd: wanneer zich onvoorwaardelijke toewijding tussen mentor en Leerling/Gezel ontwikkelt, ontdekt de Leerling/Gezel de mentor als spreekbuis van de werkelijkheid. In dit verband wordt de mentor wel de 'uitwendige meester' genoemd. Wanneer deze onvoorwaardelijke relatie, die aanvankelijk op de mentor was gericht, zich verbreedt tot het gehele bestaan, dan begint de Leerling/Gezel de werkelijkheid als de spreekbuis van de mentor te zien. Dat wordt ook wel de ontdekking van de 'inwendige meester' genoemd. Deze interne meester is niet anders dan de eigen natuur, en die is niet anders dan de geest van de externe meester zelf: 'Leerling/Gezel en Opz.░. zijn ÚÚn in het rijk van de geest' is daar een klassieke formulering voor. En in gedichten van Vrijmetselaars wordt gezegd: 'Waar ik ook kijk, ik zie het gezicht van de meester. Wat ik ook hoor, elk geluid is de stem van de meester en wat ik ook denk, het is de geest van de meester.'
Voor de ontdekking van de inwendige meester moet zich dus allereerst een concrete relatie van toewijding aan de externe meester ontwikkelen. Dat betekent niet dat de Leerling/Gezel voortdurend in de fysieke nabijheid van de mentor moet zijn, maar wel dat de Leerling/Gezel een concrete, geestelijke relatie met de mentor heeft. Wanneer die relatie er is, dan kan zelfs het voortdurend verkeren in de fysieke nabijheid van de mentor een hindernis gaan vormen voor de ontwikkeling van onvoorwaardelijke toewijding aan de werkelijkheid in haar totaliteit. Voor die laatste ontwikkeling is het dan ook soms nodig dat aan de fysieke nabijheid tussen mentor en Leerling/Gezel een einde komt.
De hachelijkheid van de relatie met de mentor

begin
Dat het opgeven van geestelijke privacy en het aangaan van een openhartige relatie met een ander mens zijn tijd nodig heeft en bij elke verdere stap regelmatig als 'griezelig' of hachelijk wordt ervaren is zeker waar. Zelfs wanneer men verstandelijk wel inziet dat openhartigheid te verkiezen is boven geestelijke geslotenheid.
Waar komt het gevoel van hachelijkheid vandaan? En waarom is de relatie tussen mentor en Leerling/Gezel even inspirerend als ongemakkelijk? Principieel is ze ongemakkelijk omdat de relatie tussen een egocentrische mentaliteit en een mentaliteit die daar vrij van is ongemakkelijk is. De psychologische ruimte van egoloosheid ligt buiten ego. Daarom heeft ego er geen greep op. Maar greep willen hebben en houden is kenmerkend voor een egocentrische levenshouding. Juist het zoeken naar absolute zekerheid, naar absolute garanties is een kenmerk van de levensangstige, egocentrische mentaliteit, die altijd vaste grond onder de voeten wil hebben. De relatie met de mentor biedt echter geen absolute zekerheid. Zij biedt hooguit een proefondervindelijke zekerheid, dat wil zeggen een voorlopige zekerheid. Deze zekerheid is gebaseerd op de ervaring dat de mentor tot nu toe de egoloze ruimte manifesteert. Ze is geen garantie dat de mentor straks niet de egocentrische partij zal zijn en de Leerling/Gezel de egoloze. Juist de afwezigheid van deze garantie houdt de Leerling/Gezel scherp en voorkomt dat hij of zij zich verliest in de gemakzuchtigheid van blinde overgave.
Maar de relatie met de mentor is ook inspirerend en verhelderend, omdat ze ons doet ervaren dat terughouding en geslotenheid niet nodig is om (voort) te bestaan, sterker nog, dat geslotenheid ons bestaan verarmt en versmalt en de roos van humaniteit verstikt. Deze relatie dwingt ons te kijken naar wat we denken en vrezen dat op het spel komt te staan wanneer we een stap nemen in de richting van grotere openhartigheid. Onze eigenwaarde? Onze zelfstandigheid? Ons wantrouwen tegenover mensen in het algemeen? Maar wat is onze eigenwaarde waard als zij niet op onze waarachtige menselijkheid is gebaseerd, maar bijvoorbeeld op succesvolle competitie met anderen of op wat wij als onze individuele prestatie zien? Is het zwakker of minder verdienstelijk zijn van een ander mens onze kracht en verdienste? Bestaat er zoiets als een individuele prestatie? En wat is de waarde van zelfstandigheid als ze de bereidheid om van anderen te leren in de weg staat? Is zelfstandigheid geen illusie in een wereld waarin wederzijdse afhankelijkheid tussen mensen een gegeven is? En hoe gerechtvaardigd is ons wantrouwen, als het voortkomt uit gefrustreerd eigenbelang of uit de ervaring dat andere mensen niet altijd en overal onze behoeften en wensen bevredigen?
Deze en verwante vragen komen onvermijdelijk op in de relatie tot de mentor, juist omdat deze relatie er een is tussen mensen, en niet tussen een mens en een abstract principe in de vorm van een aanwezigheid of in de vorm van een Opz.░. die alleen in onze geest, als voorstelling, bestaat. Juist de persoonlijke, egoloze relatie met een ander mens van vlees en bloed is het klimaat waarin de roos van verlichting bloeit. Vanuit die relatie kan zij zich ontvouwen totdat zij onze hele ervaringswereld omvat.
Samenvatting

begin
We hebben gezien dat de Vrijmetselarij geen religie is en niet op zoek is naar God of naar het goddelijke in de mens. Ook is het geen religie die ons belooft dat geloof in haar gedachtegoed ons zal redden van waar we maar van gered willen worden - van het leven, de dood, van eenzaamheid of ongemak, van ruzie met de buren. De Vrijmetselarij roept ons ook niet op om te geloven dat de mens in wezen goed is. Want niet geloof in de wezenlijke goedheid van de mens, maar het ontdekken van de geestelijke oorzaken van onze eigen hardvochtigheid en menslievendheid, van geestelijke blindheid en helderheid van geest, staat centraal. Maar bij die ontdekking laat de Vrijmetselarij het niet. Want het bezit ook de knowhow om de geest te trainen, dat wil zeggen de knowhow om de oorzaken van hardvochtigheid en blindheid weg te nemen en onze waarachtige menselijkheid tot bloei te brengen. De Opz.░. die deze knowhow bezit geeft haar door aan zijn of haar Leerling/Gezelen in het proces van persoonlijke begeleiding. Dat stelt de Leerling/Gezel in staat zelfstandig verlichting te bereiken.
De knowhow waarover de Opz.░. moet beschikken bestaat dus enerzijds uit de vaardigheid om als rituaal-Opz.░. op het juiste moment de meest toepasselijke Vrijmetselarij te onderrichten en anderzijds uit de vaardigheid om als mentor de Leerling/Gezel persoonlijk te instrueren en te begeleiden bij de beoefening van de Mašonnieke disciplines. Deze disciplines vormen de praktijk van de Mašonnerie.
Natuurlijk laten deze disciplines ons nog het meest concreet het religieuze gezicht zien van deze traditie. Toch hebben we in dit stuk eerder de religieuze visie dan de praktijk van de Vrijmetselarij besproken. De reden daarvoor is dat de praktijk evenzeer verankerd is in de psychologische visie van de Vrijmetselarij als in de religieuze. Daarom is het voor een goed begrip van de praktijk nuttig om eerst naar de 'psychologie' van de Vrijmetselarij te kijken, naar haar visie op de menselijke geest, ervaring en handelen.
Ethiek en de Mašonnieke praktijk van het handelen

begin
In onze cultuur wordt de discussie over ethiek, over de fundering van de moraal en over de rol van religie daarbij, vooral gevoerd tussen athe´stische humanisten en the´sten uit christelijke tradities . Daarbij gaat het dan vooral om de vraag of, en zo ja, wat ethiek en religie met elkaar te maken hebben. Zijn ze van elkaar afhankelijk of niet? En is de invloed van zedelijkheid op onze geest dezelfde als die van religie? Ligt hun werking (altijd) in elkaars verlengde? We zullen deze vragen bezien vanuit de Vrijmetselaars visie op religie en ethiek en onderzoeken wat deze traditie bij te dragen heeft vanuit haar religieuze, maar non-the´stische visie.
Ethiek in de westerse cultuur

begin
Over de relatie tussen religie en ethiek is natuurlijk in alle wereldreligies diep nagedacht en veel gezegd. Te veel om hier zelfs maar samen te vatten. We zullen ons hier beperken tot die punten, waar de Mašonnieke visie raakt aan en afwijkt van onze westerse noties.
Laten we beginnen bij wat we in onze westerse cultuur met 'ethiek' bedoelen. De term 'ethiek' komt van het Latijnse woord ethica, dat 'zedekunde' betekent. De zedekunde omschrijft zedelijkheid of moraliteit als het vervullen van plichten en het beoefenen van deugden. Iets anders geformuleerd gaat zedelijkheid over het thema van goed (doen) en kwaad (doen), het thema van rechtvaardigheid. Zowel in ons persoonlijk als ook in ons maatschappelijk leven, in het klein en in het groot, is dat thema steeds weer aan de orde. In feite legt onze ethiek in termen van gedragsregels vast wat we met rechtvaardigheid bedoelen en met goed en kwaad (doen). Ze definieert en formaliseert in zekere zin ons rechtvaardigheidsgevoel.
Maar onze ethiek doet ook nog iets anders: ze geeft ook uitdrukking aan een bepaalde visie op de menselijke geest. Ze gaat uit van bepaalde ideeŰn en vooronderstellingen over de aard daarvan. En deze ideeŰn over de menselijke geest hebben op hun beurt weer invloed op onze geest. We zullen deze ideeŰn en hun invloed hieronder bezien.
Het geweten tegen de hartstochten

begin
In onze westerse cultuur bestaat een veel verbreide, en misschien wat na´eve theorie dat in de menselijke psyche twee krachten aan het werk zijn. Aan de ene kant een kracht die met een ouderwets woord wel als onze 'hartstochten' wordt aangeduid. Met die term worden dan onze ego´stische driften bedoeld, zoals het ongebreideld uitleven van onze hebzucht en wellust, het botvieren van onze agressie op onze medemensen en op onszelf, en het ruim baan geven aan onverschilligheid ten opzichte van het wel en wee van andere mensen en ten opzichte van het leven in het algemeen.
Veel moraaltheologen, maar ook zij die over 'natuurlijke ethiek' praten - over ethiek zoals die zich in een cultuur voordoet - zijn het er over eens dat de bovenomschreven hartstochten moeten worden omgevormd en als dat niet kan, dan toch in ieder geval moeten worden ingetoomd. Dit omvormen of intomen van de menselijke natuur, van 'al dat menselijke dat ons niet vreemd is' geschiedt door het beoefenen van zedelijkheid. De achterliggende veronderstelling is hier dus dat onze ego´stische natuur door deze beoefening kan worden omgevormd; onze menselijke natuur kan worden opgevoed.. Die veronderstelling wordt ondersteund door de aanname dat de mens niet alleen egocentrische driften kent, maar dat er nog een tweede kracht in de menselijke geest werkzaam is: ons geweten, ons vermogen om goed en kwaad van elkaar te kunnen onderscheiden en daarnaar te handelen.
Volgens deze theorie over de menselijke geest staan dus onze egocentrische driften, het kwade, tegenover ons geweten, het goede. Deze tweedeling vinden we in heel veel benaderingen terug; wij zijn er in onze cultuur (vaak onbewust) door be´nvloed. Ook in sommige psychologie vinden we deze gedachtegang: het freudiaanse denken is er gedeeltelijk op gebaseerd. In Freuds dieptepsychologie klinkt deze tweedel´ng in de psyche door in het Id en het Super-ego, waarbij wij, als Ego, er dan het beste van moeten proberen te maken.
In veel religieuze tradities spreekt rmen over deze tweedeling in termen van de 'dierlijke ziel' en de 'goddelijke ziel'. De oude christelijk literatuur doet er nog een schepje bovenop en gebruikt voor de hartstochten de term daimonces, demonen, waarmee dan onze ego´stische neigingen worden bedoeld. Deze demonen moeten we leren te weerstaan door ons geweten te volgen. Daarbij zijn we zelf dan een soort derde partij, die op de een of andere manier met deze twee mentale krachten moet leren om te gaan. Vaak wordt de 'dierlijke ziel' ook verbonden gedacht aan het lichamelijke of de lichamelijke behoeften. Het lichaam krijgt dan al gauw de rol van boosdoener toebedeeld.
Ethische vorming, als middel voor het cultiveren van humani-teit, komt in deze visie neer op het mobiliseren van ons zuivere geweten tegen onze egocentrische hartstochten. Maar het probleem daarbij is - zo zeggen christelijke moraaltheologen - dat sinds de zondeval het geweten van de mens niet meer zuiver is. Het moet eerst worden gezuiverd, verhelderd, gecultiveerd. Alleen dan kunnen we het met succes mobiliseren ten behoeve van het overwinnen of indammen van onze hebzucht, agressie en onver-schilligheid.
Maar hoe zuiveren we ons geweten? Heel globaal gesproken is het antwoord dat daarop vanuit de religieuze tradities wordt gegeven: we moeten ons geweten verbinden met Gods wil. Als we dat doen, dan is ons geweten zuiver. Maar hoe kunnen we Gods wil kennen? Weliswaar wordt soms gezegd, dat die in ons hart geschreven is, maar we zijn niet (meer) in staat om deze wil onmiddellijk te lezen. We zijn dan ook gedwongen om via een omweg van deze wil kennis te nemen, namelijk door eerst iets anders te lezen. En dat kan, want volgens vele religieuze tradities is Gods wil aan ons kenbaar gemaakt in de vorm van Gods woord, te vinden in de heilige geschriften.
Deze benadering is kenmerkend voor de the´stische tradities en in het bijzonder voor de abrahamitische tradities: het christendom, de islam en het jodendom. Maar ook in het hindoe´sme vinden we hier en daar deze benadering terug. In de heilige geschriften van deze tradities worden uitspraken gedaan die aangeven wat Gods wil is en wat het voor ons betekent om in ons denken, handelen en spreken te gehoorzamen. De christelijke traditie heeft haar Tien Geboden, waarin heel bondig een ethiek wordt geformuleerd, die later is uitgewerkt in de moraaltheologie. De joodse traditie heeft haar Halacha, het normatieve deel van de Thora. Ook daar wordt uitgetekend hoe we ons leven zouden moeten leiden. In de islam vinden we de Sjarie'a: eveneens een uitgewerkt systeem van instructies hoe we met situaties en elkaar moeten omgaan, hoe we ons leven moeten leiden.
De Rede tegen de hartstochten

begin
De ethische optiek, waarin de mens wordt gezien als een in zich zelf verdeeld wezen met het geweten aan de ene kant en aan de andere kant de hartstochten, vinden we ook buiten de religieuze kaders: in het wereldlijke en maatschappelijke denken. Dit denken gaat uit van het gegeven dat elke cultuur een stelsel van gedrags-regels bezit, dat ons vertelt wat we wel en wat we niet mogen of moeten doen. De vraag hoe het geweten kan worden opgevoed, wordt dan als volgt beantwoord: we moeten ons die regels eigen maken, zodat we eruit gaan handelen. Nogal wat cultuur-filosofen zien cultuur en acculturatie als het middel om onze ego´stische hartstochten te temmen. Betekent dat dan dat de cultuur het laatste woord heeft als het gaat om het bepalen van wat goed en kwaad is? Of is er nog iets anders dan God of de cultuur te vinden waarop we ethiek kunnen baseren?
Teruggrijpend op een aspect van de klassieke Griekse filosofie, wordt sinds de Verlichting inderdaad nog een andere kandidaat naar voren geschoven: de Ratio, de Rede, het redelijke menselijke verstand. De redelijkheid zou de kracht zijn, die zowel onze cultuur in haar totaliteit, als ook haar leden kan humaniseren. Zedelijkheid dient op redelijkheid te worden gebaseerd. De Menselijke Rede kan en moet het opnemen tegen de irrationele, driftmatige kant van de mens, tegen de hartstochten. Die visie vinden we bijvoorbeeld in het humanisme. Ook daar gaat men er-van uit, dat het geweten niet zuiver is, maar wel daartoe kan worden opgevoed; en wel door het redelijke denken te cultiveren en zo de geest te bevrijden van de irrationele krachten van het (bij)geloof. Niet het oefenen van gehoorzaamheid aan de wil van God of goden, maar het oefenen van het verstand, logisch leren denken, geldige conclusies leren trekken uit waarnemingen, dat is de weg die bijdraagt aan het zuiveren van ons geweten. Gehoor-zaamheid aan deze getrainde Rede is de weg naar zedelijkheid.
Het effect van de ethische optiek op onze geest

begin
Het denken in termen van de tweedeling geweten versus hartstoch-ten lijken athe´sten en christenen met elkaar gemeen te hebben. En ook propageren ze eenzelfde morele opvoedingsstrategie: ons geweten zozeer te versterken, dat het het op kan nemen tegen de tegenstander, de daimones, onze ego´stische neigingen, ons onge-breideld driftleven. Alleen hun wapens zijn verschillend: het zwaard van de Rede en het Schild van het Geloof.
Met de rationalistische en religieuze denktrant over ethiek zijn we heel vertrouwd. We zijn ermee opgevoed en opgegroeid. De Mašonnieke traditie hanteert deze denktrant echter niet. Voor we daar op ingaan, zullen we ons eerst een vraag stellen, die de Vrijmetselaars traditie aan alle - inclusief haar eigen - theorieŰn stelt: wat doet deze denktrant met onze geest? We zien dan een aantal psychologisch belangrijke effecten.
Een eerste effect van deze denktrant is, dat ze de mens in zichzelf verdeelt en tegen zichzelf opzet, doordat ze ons doet geloven dat in de menselijke geest nu eenmaal goede en kwade krachten leven. Ze brengt ons ertoe op voorhand de realiteit en de onvermijdelijkheid van deze krachten te accepteren. 'Morele ontwikkeling' of het cultiveren van deugdzaamheid gaat dan inhouden dat we door middel van de goede krachten de kwade leren te beheersen, zodat die niet te veel kans krijgen zich in woorden en daden te uiten. Moreel hoogstaande mensen zijn zij, die daar de kracht toe hebben of die dat goed hebben geleerd.
Maar dat betekent wÚl, dat we volgens deze denktrant de morele verplichting hebben om voortdurend tegen onszelf, tegen onze negativiteit te strijden. .. Het psychologische gevolg daarvan is dat, elke keer als we de strijd tegen onze 'demonen', de boze geesten in ons, verliezen, dan voedt dat onze zelfhaat en ons schuldgevoel. Nu eens richt deze zelfhaat zich op onze negativiteit, onze ego´stische hartstochten zelf, dan weer op degene, die de strijd ertegen weer eens verloren heeft, op onszelf. En vanuit die zelfhaat komt verdere agressie voort tegen onszelf of de demonen. Maar die agressie zelf is ÚÚn van de demonen. Dus in feite voedt onze strijd onze negativiteit. De kracht van onze agressie wordt zo steeds groter en voedt op zijn beurt onze zelfhaat, zelfverwijt en schuldgevoel, om over haat jegens en schuld geven aan anderen nog maar te zwijgen. Deze vicieuze cirkel doet dan tenslotte een gevoel van onmacht en moedeloosheid in ons ontstaan: 'Ik wil het goede wel, maar kan het niet, ik heb er de kracht niet toe.' Dat pijnlijke gevoel van onmacht lijkt tenslotte alleen maar te kunnen worden verzacht door 'wereldwijs' ongeloof in de mogelijkheid om de humaniteit te cultiveren. En zoals we eerder zeiden, dat ongeloof in de mogelijkheid leidt tot geloof in de onmogelijkheid. De werkelijkheid waarin we dan denken te leven wordt een uitzichtloze cocon, die onze humaniteit niet bevordert, maar ver-stikt.
Naast de negatieve psychologische gevolgen die eigen zijn aan elke ethische denktrant, die uitgaat van twee tegengestelde krachten - geweten versus driften - is er nog een ander psychologisch effect, dat ontstaat zodra men ethiek vereenzelvigt met en fundeert op een ethische manier van denken, op ethische begrippen. Dit effect is zichtbaar geworden door het contact met andere culturen en religies. Zowel religieus gefundeerde als wereldlijke ethische begrippenstelsels blijken namelijk van elkaar te verschillen, afgezien van enkele vrij algemene gedragsregels zoals 'gij zult niet doden' of 'gij zult niet stelen' . En zelfs die algemene gedragsregels worden in de praktijk vaak opgevat als 'gij zult niet zonder goede reden doden of stelen'. Nog altijd wordt in discussies over de universele rechten van de mens in de Verenigde Naties het universele karakter van sommige mensenrechten door sommige landen ontkend. Uit de confrontatie met andere religies en culturen lijkt naar voren te komen, dat ethische begrippenkaders en gedragsregels slechts relatieve geldigheid hebben. Onze ideeŰn over goed en kwaad, over gewetensvol en gewetenloos zijn, zijn relatief. Wat onder een zuiver (of gezuiverd) geweten moet worden verstaan is dus ook relatief.
Morele voorschriften kunnen weliswaar een aan tijd en plaats relatieve definitie van rechtvaardigheid geven, maar geen absolute. Want zij kunnen, zoals bekend, hun eigen definitie van rechtvaardigheid immers niet gebruiken om te beoordelen of hun de-Emitie rechtvaardig is. Zij kunnen zichzelf niet zelf rechtvaardigen. Wat dat betreft hangen ze in het luchtledige. En elke poging om ze te rechtvaardigen, bijvoorbeeld door te zeggen: 'Dit is de wil van God', of 'Dit is de meest verheven uitdrukking van wat cultuur is', 'Dit is wat de menselijke Rede ons voorschrijft' wordt door andere mensen wel weer betwist. Het denken over goed en kwaad kan geen absolute basis leveren voor ethiek.
Het besef dat het ethische denken relatief is, is vanaf haar ontstaan gemeengoed in de Mašonnieke traditie. Maar in onze cultuur i s het besef van de relativiteit van ethische begrippen betrekkelijk nieuw; het heeft geleid tot grote twijfel bij mensen over de geldigheid van hun ethiek, tot een fiasco van het ethisch denken en tot die typische postmoderne morele moedeloosheid: iedereen moet het nu maar voor zichzelf weten. In zekere zin zijn we dan in het denken over het cultiveren van ons geweten als dam tegen onze ego´stische hartstochten terug bij af: niet alleen hebben we uiteindelijk geen basis gevonden voor onze ethische optiek maar ook bleek haar opvoedingsstrategie - het mobiliseren van het geweten tegen destructieve driften - niet effectief: de demonen in onszelf en om ons heen zijn niet verslagen, ja misschien zelfs gegroeid in kracht! Dit fiasco heeft in de moderne westerse cultuur geleid tot moreel defaitisme. Maar vanuit Vrijmetselaars perspectief opent het, juist doordat we deze hele cirkelgang hebben gemaakt, een nieuw en inspirerend perspectief.
De grondslag van Mašonnieke ethiek

begin
Het fiasco dwingt ons namelijk, om opnieuw naar ons besef van goed en kwaad (doen) te kijken. Nu niet meer om met behulp van Gods geboden, van de Rede of van de heersende cultuur een ethisch begrippenkader te ontwerpen, maar om te zien of er niet misschien een diepere wortel is, die fundamenteler is dan ons geweten en ons denken in termen van goed en kwaad. Iets dat misschien wel aan het zicht wordt onttrokken zolang we bevangen zijn in ethische begrippenkaders waarin het geweten het tegen de hartstochten moet opnemen.
Volgens de Mašonnieke visie is die diepere wortel - ik durf het haast niet tegen rationalisten te zeggen - een gevoel, namelijk het universele en transculturele verlangen, dat in ieder mens leeft: het verlangen dat de situatie, waar we ons in aantreffen en deel van uitmaken, moge bloeien en dat al het leed daarin wordt verzacht. Dit verlangen gaat dieper dan elke ethiek en is er tegelijk het fundament van. Al verliezen we het contact met dit verlangen en wensen we dood en verderf aan onszelf en anderen, dan nog leeft in ons dit verlangen - zij het totaal geperverteerd - om ruimte te scheppen voor geluk. En dan nog steekt dit fundamentele verlangen bij ieder mens bij tijd en wijle de kop op. Natuurlijk betekent het bestaan en benadrukken van het belang van dit verlangen niet, dat de mens in wezen goed is. De typisch westerse discussie of de mens in wezen goed of slecht is, veronderstelt dat er zoiets bestaat als een 'in wezen' en de Mašonnerie verwerpt die veronderstelling. Daarom houdt zij zich buiten die discussie.
Volgens de Mašonnerie visie is dit universele menselijk verlangen niet gebaseerd op opinies of ideeŰn, niet op het morele oordeel dat het goed is om dit verlangen te hebben. En ook niet gebaseerd op de Ratio, op de gedachte dat dit verlangen redelijk of verstandig is. Noch ook op Gods wil. Maar dit verlangen is een ervaringszaak: het leeft in ons. Het is de koesterende kracht, die eigen is aan elk levend wezen. Niet alleen aan mensen, maar ook aan 'redeloze' en 'goddeloze' dieren. Zelfs de meest roofzuchtige tijger heeft onbaatzuchtige zorg voor haar welpen. Het verschil tussen mens en dier is dan ook slechts dat mensen dit verlangen en het handelen vanuit dit verlangen bewust kunnen cultiveren en dieren niet.
In vrijwel alle spirituele tradities - zowel de wereldlijke als religieuze - wordt deze wens op de een of andere wijze verwoord. Een klassieke formulering gaat bijvoorbeeld als volgt: Moge alle wezens geluk ervaren en de bron van geluk; vrij zijn van lijden en de oorzaak van lijden. Moge ze voorspoed ervaren en onpartijdige welwillendheid koesteren tegenover iedereen. Er zijn momenten waarop deze wens niet alleen meer een wens is, maar waarop we er feitelijk uit leven. Die momenten kennen we ook allemaal. Misschien gebeurt dat niet zo vaak, maar er zijn momenten waarop we boven onszelf uitstijgen, momenten waarop we, voor wat onze humaniteit betreft, op ons best zijn. In De verborgen bloei (De Wit, 1994) dat in algemene zin over dit thema gaat, wordt voor die momenten de termfundamentele menselijkheid gebruikt. Die term bedoelt aan te geven dat deze wens fundamen-teel eigen is aan ieder mens, een fundamenteel ervaringsfeit van het menselijk bestaan is. Dat wil niet zeggen dat we niet ˇˇk momenten kennen waarin we iemand een vervelende streek (zouden willen) leveren en erger, maar dat doet niets af aan het feit dat die wens in ons leeft en bij tijden gestalte krijgt in ons doen en laten. Wat er 'fundamenteel' aan deze momenten van menselijkheid is, is dat ze de basis van ons bestaan vormen, in de zin dat zulke momenten onze levensvreugde of levenskracht wekken.
Niet gehoorzaamheid aan de Rede, aan God of Staat, maar deze diepe wens, dit universele en fundamentele menselijke gevoel is de grondslag van Mašonnieke ethiek. In de dialoog tussen The´sten en non-the´sten wordt dit fundamentele menselijke verlangen - onze innerlijken zelf - wel benoemd als 'Christus in ons' of als de Heilige Geest die in en door ons hart werkt en zich zo kan manifesteren in ons handelen.
Voor rationalistische humanisten, die voor het funderen van hun moraal hun kaarten op het redelijke denken hebben gezet, is dit een moeilijk verteerbare visie. Rationalisten denken al gauw dat als ethiek wordt gefundeerd op zoiets vaags als een universeel menselijk verlangen in plaats van op de rede, dat we dan - voor we het weten - terug zijn in de Romantiek, die moraal baseert op gevoel. En daar is, zoals de geschiedenis inderdaad laat zien, niet veel goeds van gekomen. Rationalisten zijn dan ook vaak overgevoelige mensen waar het gaat om de plaats van het gevoel in de verankering van zedelijkheid. Het woord 'gevoel' roept bij hen al meteen negatieve gevoelens op: gevoelens zijn in hun optiek bijna per definitie irrationeel en gevaarlijk als basis voor de moraal. Die opvatting is mogelijk een erfenis van de christelijke traditie, die eeuwenlang het gevoel heeft ge´dentificeerd met iets negatiefs, met de 'hartstochten', de daimones. Het cultiveren van de grondslag van ethiek
Als dan onze diepste wens is dat alle wezens geluk en voorspoed ervaren, waarom leven we er dan niet voortdurend uit? Als we Zelf-natuur hebben, als dat eigen is aan ons mens-zijn, waarom manifesteren we het dan zo weinig? Waarom komt er van die diepste wens zo weinig terecht?
Deze wens wordt overschaduwd door angst voor lijden, door levensangst. Door die angst verkrampen we en proberen we ons af te schermen en af te scheiden van onze ervaring: we concipiŰren onze 'werkelijkheid' dan in termen van 'ik hier' en 'dat daar'. Deze mentale beweging kunnen we heel goed met het Oudgriekse woord diabolos (waar ons woord 'duivel' vandaan komt) aanduiden. De werkwoordsvorm daarvan is diaballein, dat letterlijk 'tussenwerpen' betekent, tweespalt scheppen. In de christelijke traditie van de Woestijnvaders wordt gezegd dat de duivel in zijn gevolg de demonen heeft, de hartstochten. Voordat de demonen van hebzucht, agressie, onverschilligheid, jaloezie, trots en noem maar op. zich kunnen manifesteren moet dus eerst de dualistische breuk plaatsvinden, het idee van ik hier en dat daar. Op basis van die gebrokenheid, die diabolos, beginnen dan onze egocentrische emoties, de daimones, te spelen, want deze emoties hebben 'ik hier' als subject en 'dat daar' als object. Geen wonder dat we de duivel niet op zijn staart kunnen trappen: hij is niet ervaarbaar, maar manifesteert zich als een wijze van ervaren. Toch ziet de christelijke traditie van oudsher de macht van het kwaad, de duivel, als iets dat zich buiten ons bevindt en ons tracht te verleiden. Het Humanisme daarentegen beschouwt onze irrationele, egocentrische emotionaliteit als iets dat eigen is aan de mens zelf. Het grote verschil met de christelijke en humanistische optiek is, dat in de Mašonnieke visie onze egocentrische emotionaliteit noch als inherent aan de menselijke conditie wordt gezien noch als het werk van een buiten de mens gelegen kracht. Anders dan in de humanistische en christelijke denktrant zijn de hartstochten volgens het Mašonnieke dus geen uiteindelijke realiteiten, die nu eenmaal eigen zijn aan de menselijke natuur of aan het menselijk bestaan sinds de zondeval. Maar het zijn mentale energieŰn, die eigen zijn aan ego. Ze ontstaan en zijn alleen werkzaam in de egocentrische bewustzijnsmodus . Eenmaal ontstaan zien we ze al s het kwade en zien we ons (gezuiverde) geweten al s het goede. Zo raken we bevangen in een innerlijke strijd. En daarmee alleen maar steviger gevangen in de strikken van de diabolos.
Waar De Vrijmij haar ethische vorming dan ook op richt is het cultiveren van momenten waarop we vrij zijn van de dualistische, egocentrische optiek en de eruit voortkomende emotionaliteit. Ethische vorming in de Vrijmetselaars optiek houdt dus niet in het mobiliseren van ons geweten tegen de hartstochten en het strijden ertegen, maar ze richt zich op het los leren laten van de egocentrische verkramping en het levensangstige perspectief waaruit deze hartstochten voortkomen. Hoe? Enerzijds door de beoefening van instructie: het leren zien, doorzien en opgeven van vooroordelen. En anderzijds door het geven van aanwijzingen op het vlak van het spreken en handelen, die ons bevrijden van egocentrische verkramping.
Deze aanwijzingen zijn echter geen in steen gehouwen verboden of geboden, maar praktische suggesties, die samen de Mašonnieke ethiek vormen.
Dat is goed om te weten in al die situaties waarin we bevangen zijn door levensangst en het contact met dit verlangen zijn kwijtgeraakt. In die situaties fungeren Vrijmetselaars gedragsregels als een soort krukken, die ons helpen het 'rechte pad' te bewandelen, wanneer we dat niet zelfstandig kunnen.
Vanuit de Vrijmetselaars optiek is een benadering die het geweten wil mobiliseren tegen de hartstochten vergelijkbaar met een benadering, die haar hoop heeft gesteld op het ontwikkelen van steeds betere krukken; terwijl de Mašonnieke benadering een mentaal revalidatieprogramma wil bieden, dat ons uiteindelijk van die krukken bevrijdt. Dat revalidatie-programma is gericht op het wakker roepen van ons diepste verlangen en dat te cultiveren in ons handelen en spreken.
In plaats van de vruchteloze innerlijke strijd tegen onze 'hartstochten' door ons geweten te mobiliseren, roept de Mašonnieke visie ons op om de wortel van deze hartstochten weg te nemen. Daarom begint de ethische vorming in deze traditie ook met het leren opgeven van deze innerlijke strijd met al haar schuldgevoel, haat en zelfhaat die zij wekt. Niet door uit ego een nieuwe duivel te maken, die zou moeten worden bestreden door onze egoloze Zelf-natuur, maar door er mee te beginnen te accepteren wie en wat we nu zijn, mÚt al onze egocentrische hartstochten.
Dat betekent niet dat we alles maar bij het oude laten. Door deze acceptatie te ontwikkelen laten we het juist niet bij het oude, bij onze oude innerlijke tweestrijd. Door deze innerlijk strijd te staken ontstaat volgens de Vrijmetselaars visie juist een nieuw perspectief, waarin we weer contact maken met ons fundamentele, universele menselijke verlangen. En het handelen dat daaruit voortvloeit is de spontane manifestatie van humaniteit.
Hoe ziet het handelen er nu uit, dat vrij is van deze verkramping? Interessant genoeg niet zo erg verschillend van wat we normaliter 'ethisch handelen' noemen. Dat is ook niet zo verwonderlijk want ethische regels zijn (op hun best) in begrippen en regels gestold inzicht en mededogen. Dat handelen wordt niet ingegeven door een ideologie of door ethische regels, maar komt direct voort uit onze helderheid van geest en diepste wens, kortom uit onze innerlijke-natuur. Daarom kunnen we ook zeggen dat dit handelen zowel voorbij als vooraf gaat aan ethische begrippenkaders. Want dit soort handelen is de directe uitdrukking van onze fundamentele menselijkheid ter plekke, in de situatie zelf.
Handelen, dat niet op gedragsregels is gebaseerd, vinden we natuurlijk ook terug in de christelijke traditie. Vooral in het Nieuwe Testament wordt het benadrukt: Jezus op de sabbat, uitgenodigd door de schriftgeleerden, zit aan de maaltijd. Er is een zieke in de buurt en dan vraagt Jezus hen: 'Zoudt u deze man genezen of niet op de sabbat?' Iemand genezen is werk en dat doet men niet op de sabbat. Zij blijven het antwoord schuldig en dan geneest Jezus de man. Dit verhaal laat goed zien dat de inspiratie van Jezus steeds is om fundamentele menselijkheid onvoorwaardelijk te manifesteren. Die inspiratie reikt dieper en hoger dan alle mogelijke ethische regels en wetten van fatsoen, omdat ze gebaseerd is op wat de basis is van alle ethiek: een warm hart en een heldere geest.
In de Mašonnieke visie zijn ethische gedragsregels dan ook niets minder maar vooral ook niets meer dan middelen om aan te geven hoe we dit fundamente leven verlangen weer in ons zelf kunnen wekken, versterken en in ons handelen effectief vorm kunnen geven. De algemene term voor dergelijke gedragsregels in de vrijmetselarij is 'discipline' en ook wel 'ethiek'. De term heeft betrekking op het handelen in het algemeen: op mentale, verbale en fysieke handelingen . Voor deze drie soorten van handelingen biedt de Mašonnerie vormen van 'voorschriften' in de betekenis van dat wat een arts ons voorschrijft. Want de Mašonnieke voorschriften zijn recepten om verlichting te bereiken en daarmee hebben ze het karakter van middelen gekregen in plaats van ethische imperatieven. Hoe zien deze middelen, deze gedragsregels eruit?
Voorschriften voor het pad.

begin
Zoals hiervoor gezegd, ligt bij het pad de nadruk op persoonlijke bevrijding en op het achterwege laten van die handelingen die deze bevrijding in de weg staan. Dat zijn handelingen die ons bevestigen in en voortkomen uit een op onszelf gerichte ordening van onze levenssituatie. We geven deze handelingen niet op vanuit de morele overweging dat een egocentrische of ego´stische levenswandel moreel verwerpelijk is, maar vanuit het inzicht dat zij leiden tot lijden, zowel voor onszelf als voor anderen. Dat de mens in op het pad leert zich van bepaalde handelingen te onthouden, komt zowel tot uitdrukking in de de leefregels als ook in de formulering van de vijf leefregels voor profanen: niet doden, niet stelen, niet liegen, geen verdovende middelen gebruiken en geen onkuis gedrag.
Ashmole was gewoon te zeggen, dat de disciplines waarop de Mašonnerie de nadruk legt ons vooral leren hoe onze omgeving niet langer geestelijk (en materieel) te bevuilen; ze maken ons moreel zindelijk, zodat we niet langer van alles maar verontreinigen met onze rancunes, agressie, hebzucht, eerzucht, gelijk, trots en zelfhaat en wat we verder aan egocentrische emotionaliteit en opinies hebben. In de Vrijmetselarij wordt een mens die niet meer zijn omgeving verontreinigt en niet langer de mensen in zijn omgeving schaadt, een zeer verlichte persoon genoemd.
Misschien doet deze persoon niet veel goeds of liefdadigs voor mensen, maar in ieder geval doet hij of zij geen schade aan zijn of haar omgeving, en dat kan maar van hÚÚl weinig mensen worden gezegd! Deze persoon verbetert de wereld misschien niet direct, maar hij of zij is er wÚl in geslaagd zichzelf te bevrijden van zelfbedrog en eigenwaan, en dat vervult deze mens van vreugde en energie. Deze zelfbevrijding en deugdzame levenswandel die niemand kwaad doet, wekt een inspiratie, die veel verder zal blijken te voeren dan persoonlijke bevrijding, omdat zij leidt tot een handelingsbekwaamheid, waarin niet wijzelf maar onze omgeving centraal komt te staan.
Door de beoefening van disciplines die gericht zijn op het zuiveren van onze eigen geest, valt de illusie van ego - met in haar kielzog de illusies van 'goed voor mij, slecht voor mij, oninteressant voor mij' - steeds meer weg en daarmee ook de handelingen, die op deze illusie zijn gebaseerd. Daardoor komt de beoefenaar in eerste instantie innerlijk alleen te staan, omdat hij of zij niet langer bij anderen ego-bevestiging zoekt en zich onthoudt van alle handelingen die juist door de illusie van ego zijn ingegeven of die deze illusie in stand houden.
Maar in tweede instantie komt, door het wegebben van het belangenconflict tussen mij en de anderen, de medemens en de omgeving op een heel andere manier in zicht. Want naarmate we de medemens en onze omgeving steeds minder zien door de filter van ons eigenbelang, wordt echte ontmoeting mogelijk, die in het teken van menslievendheid. We zijn dan niet alleen in staat vreugde te voelen bij andermans voorspoed, maar ook in staat en bereid om het leed van anderen te zien. Wanneer we niet meer uit zijn op het afweren van pijn, wekt de pijn van anderen niets meer of minder dan mededogen bij ons op. Dan wordt het mogelijk om onszelf verder te trainen in een handelwijze die losstaat van het egocentrische perspectief.
Voorschriften in de A.A.S.R.

begin
Deze verdere training wordt in de A.A.S.R. omschreven in termen van de zes oefeningen. De beoefening daarvan is gebaseerd op het zich onthouden van wat anderen schaadt, maar richt zich op het actief bevorderen van het welzijn van anderen. De waterstroom (2░) betekent ook dat er een overkant is , waarmee hier de oever wordt bedoeld waar het geloof in de illusie van ego niet meer speelt. Wat vrijer vertaald spreekt men dan ook meestal over de zes transcendente handelwijzen; transcendent aan ego, omdat ze niet worden gemotiveerd of veroorzaakt door ego. Ze worden verricht vanuit het perspectief van egoloosheid en vormen samen de Voorschriften in de A.A.S.R.. De beoefenaar van deze oefeningen, heeft het egoloze perspectief in zichzelf heeft ontdekt en daarmee de reŰle mogelijkheid de Mašonnerie of verlichting.
De eerste oefening wordt vrijgevigheid genoemd. Dit betekent letterlijk geven, waarmee zowel wordt verwezen naar het opgeven van een egocentrische optiek, als naar het geven van datgene wat de ander van node heeft, zoals voedsel en onderdak, veiligheid . In feite impliceren deze twee aspecten van geven elkaar. Ze vormen samen het transcendente karakter. De tweede oefening genaamd discipline is het beoefenen van standvastigheid bij de beoefening van de eerste oefening. Omdat de transcendente handelwijzen ingaan tegen onze egocentrische handelwijzen en gewoonten, doet dat (ego) heel vaak pijn. Daarom is ook bereidheid om deze pijn te verdragen nodig. Deze duldzaamheid is de derde oefening. Wanneer deze drie oefeningen in het handelen aanwezig zijn dan inspireren zij ons tot grote daadkracht en enthousiasme op het pad. Deze ge´nspireerde daadkracht is de vierde oefening die de beoefenaar cultiveert. Ze bevrijdt ons van de impulsiviteit van ego. De afwezigheid van elke impulsiviteit maakt volledige spontaniteit mogelijk. De dragende ondergrond van deze vier aspecten van het handelen is de vijfde oefening: meditatie. Met meditatie wordt hier niet zozeer formele meditatie bedoeld, maar een geesteshouding, die ook in het spreekwoord 'doe wel en zie niet om' besloten ligt: het niet omzien bij of na de handeling kan men opvatten als een bepaalde vrijheid van geest, namelijk het vermogen om niet gepreoccupeerd te raken met de handeling, er niet geestelijk op gefixeerd te raken, maar om geestelijk te kunnen rusten in onbevangenheid tijdens de handeling. Aan deze ongedwongenheid ontleent de handeling ook haar frisheid. Over de zesde oefening hebben we al vaak gesproken: inzicht of onderscheidingsvermogen . Ze heeft betrekking op het feit dat transcendente handelingen gedragen worden door inzicht in de aard van de handeling en de situatie waarin ze plaatsvindt. Vaugnan stelt: ons in staat te onderscheiden of een handeling al of niet juist is. Daarom wordt deze zesde oefening steeds verondersteld aanwezig te zijn bij de andere vijf. Het zal niet verbazen dat de beoefening van de oefeningen moed vraagt. Deze moed komt voort: uit de persoonlijke ervaring en ontdekking, dat we de werkelijklheid op niet-egocentrische wijze kunnen beleven. Die ontdekking is de basis voor de feitelijke beoefening van de oefening 's. Zonder die basis zijn de voorschriften niet meer dan een oefening is 'goed gedrag' en is het pad van de Mašonnerie niet begaanbaar.
Volgens de visie van de A.A.S.R. maken de eerder genoemde disciplines die gericht zijn op zelf-bevrijding en onthouding ons rijp voor het Mašonnieke-pad. Er ontstaat ruimte om 'onszelf ~open te stellen voor het plezier in het werken met levende wezens, onszelf inbegrepen. De Mašon sluit zowel vriendschap met zichzelf als met anderen. Er zijn geen geheimzinnige of donkere hoeken meer waarop hij of zij bedacht moet zijn. Er duiken geen verrassingen meer op. die de spirituele intelligentie, waardigheid en heldenmoed van de Mašon zouden kunnen vernietigeen. Dat is de eerste stap, het eerste spiritueel niveau .
Tot zover dit Bouwstuk.

begin
Soms lijkt het misschien een beetje cynisch in de omschrijving van was zou moeten zijn maar dat is niet direct zo bedoeld. Dit is een "vertaling" van een aantal artikelen in het Engels/Amerikaans , Duits en Nederlands over de Vrijmetselarij, De A.A.S.R. , Verschillende stromingen en verschillende Oosterse levens stijlen of geloven zoals boedisme en Hindoe´sme. Graag zou ik hierover reacties ontvangen om zo de ideeŰn die zo hier en daar leven te kunnen samenvoegen. Met Maš.Acc. Bob Bakker