DE TWEEDE GORHOEM

Ik hoor het U al zeggen "Gorhoem? Wat is dat nou weer?"Niet iedereen is zo goed thuis in de joodse geschiedenis, dat hij weet, waarover het gaat, maar als U gewoon verder leest, dan wordt het u steeds duidelijker wat onder de tweede Gorhoem verstaan moet en mag worden.
Tijdens de periode waarin de Babyloniers Judea veroverden en Nebukadnezar bezig was Jeruzalem in te nemen, zijn er heel wat Joden op de vlucht geslagen om hun heil te zoeken in de landen van de Moabieten, de Ammonieten en de Edomieten. Toen Gedahlia door de koning van Babylonie tot landvoogd over de joodse gebieden werd aangesteld, zijn veel Joden teruggekeerd, maar dat ze allemaal zijn teruggekomen, zoals Jeremia schrijft (40:11) is beslist niet waar. Veel van de gevluchte Joden achtten het toch maar veiliger te blijven in het land, waar ze terecht gekomen waren en dat ze gelijk gehad hebben, bewijst de geschiedenis. Immers werd Gedahlia, de landvoogd, door Ismael vermoord. Ismael behoorde tot de koninklijke familie en kon zich heel wat veroorloven, want hij liet ook de joodse en chaldeeuwse krijgslieden, die met hem te Mizpa waren, ombrengen en de Joden, die een schuilplaats hadden gevonden bij de Ammonieten werden door hem gevangen genomen en weggevoerd, Johanan en de andere joodse bevelhebbers waren het met het optreden van Ismael helemaal niet eens en zij wisten hem een groot aantal gevangenen te ontnemen. Ze voelden zich echter toch niet meer op hun gemak, want ze waren bang dat de koning van Babylonie nu tegen hen zou optreden en zij zochten toen maar in de vlucht naar Egypte hun heil! In die periode is er dus sprake van emigratie der joden naar Moab, Edom. Ammon en "alle andere landen".en het is een vaste traditie in Arabie, waarover reeds door de oudste islamitische geschiedschrijvers gesproken wordt, dat zich ten tijde van Nebukadnezar veel Joden zich in Arabie hebben gevestigd. Tabari zegt in zijn " Hist.anteistst."., dat er Joden naar Higaz gekomen zijn toen Jeruzalem verwoest werd en de plaatselijke bevolking gevangengenomen en weggevoerd werd. Bij Beladzori leest men op blz. 15 van de " Goeje." "Toen Nebukadnezar Jeruzalem verwoest had en een gedeelte der Israelieten gevankelijk had weggevoerd, begaven zich anderen naar Higaz en vestigden zich te Wadi-I-qora, te Thaima en te Jathrib.. Op de laatste plaats was de bevolking, die als Gorhoem betiteld werden, gastvrij en de gevluchte joden vermengden zich van meet af aan met de Gorhoem, maar zij vermenigvuldigden zich zo snel, dat er op de duur van echte Gorhoem geen sprake meer was. De generatie na de vermenging staat bekend als de tweede Gorhoem. Men zou hier misschien aan de tweede generatie kunnen denken.
Het is een algemeen aangenomen overlevering bij de Joden van Canß (in Jemen), dat hun voorouders, nadat Nebukadnezar hun land veroverde daarheen gevlucht zijn. Dat wordt trouwens ook bevestigd in de geschriften van de jodenbekeerder Jozef Wolff (die zelf een jood was) Hij schrijft : "Jozef Alkari, de eerste rabbi van Ca'na, deelde mij mede, dat de Joden in Jemen na de Babylonische ballingschap nooit naar Jeruzalem zijn teruggekeerd ( Zie het boek "Travels and adventures of the Rev. Joseph Wolff"-1861)
Maar er bestaat een feit, dat de overlevering boven alle twijfel verheft. Uit de geschiedenis van Mohammed is de plaats Cheiber zeer bekend. Zij was door Joden bewoond en lag ten noorden van Medina. Maar over de betekenis van het woord zelf is men nog in het onzekere.. Arabische schrijvers menen dat het in het hebreeuws " kasteel of vesting "beduidt, maar dat is stellig niet juist. Ik vermoed, dat het "heber" ??? in de zin van bondgenootschap gezien moet worden en dan heeft dit woord geen betrekking op een bepaalde plaats, maar op de gehele streek, waar Joden gevestigd waren. Deze getuigenis van Bekri leert ons, dat Heber geen appellativum is, maar de Hebreeuwse eigennaam Heber, die vooral in het O.T. vaak voorkomt, want hij zegt dat Cheiber zo genoemd is naar "de eersten, die zich daar vestigden, zoals b.v. Cheiber, de zoon van ???, die weer de zoon is van ???. De tijd, waarin die persoon leefde, wordt door Bekri niet opgegeven, maar ik denk dat het O.T. ons daarover mogelijk kan inlichten. We moeten dan wel beginnen met uit te vinden welke de Hebreeuwse naam is van zijn grootvader. Die wordt door hem aangegeven met ???. Het antwoord is niet moeilijk, want de Arabische schrijvers, waaronder b.v.Masˇedt drukken op die manier de Hebreeuwse naam " Mahalalel " uit, die in Gen. 5:12 gegeven werd aan en patriarch uit de tijd van voor de Zondvloed. In het Hebreeuws is die naam niet frequent, want behalve als die van de patriarch, komt hij alleen maar voor in het boek Nehemia 11:4 en juist die plaats zal ons leren, wie onze Heber was en tevens welke de naam is van de vader van Bekri. Op de aangehaalde plaats worden namelijk de aanzienlijken, de hoofden der stamhuizen opgesomd, die in Nehemia's tijd in Jeruzalem woonden en om te beginnen "Athaja, de zoon van Uzzija, de zoon van Zekarja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalalel, uit de kinderen van Perec". Als men deze genealogie vergelijkt met de woorden van Bekri, dan wordt alles duidelijk. De zoon van Mahalalel, die de Arabische schrijver Fatja noemt, is Sefatja. Verder blijkt dat Heber werkelijk ten tijde van Nebukadnezar leefde. Omdat we weten, dat Jeruzalem in 588 v. Chr. door hem is ingenomen en dat Nehemia reeds van 445 tot 433.in Judea leefde. Nu kunnen we het geslachtsregister opmaken
Mahalalel
?
Sefatja
/ \
HeberAmarja
?
Zekaarja
?
Uzzia
?
Athaja

En wanneer men dan, zoals men gewoonlijk doet, elk geslacht op 33 jaren rekent, dan wordt de volgende hypothese door de chronologie volkomen gerechtvaardigd: Sefatja behoorde met zijn zoon Amarja onder de Joden, die in ballingschap werden weggevoerd en dat lijkt me correct, omdat Bene Sefatja genoemd worden onder de uit ballingschap teruggekeerden (Ezra 2, 4 57 enz. ) terwijl zijn andere zoon Heber naar Arabie gevlucht was en zich daar gevestigd heeft. Ik zeg dat de chronologie deze hypothese rechtvaardigt, want als men van 588 (Sefatrja) 4 x 33 = 132 aftrekt, dan krijgt men 456 als het jaar waarin Athaja, de tijdgenoot van Nehemia blijkt. Ik heb al eens in een andere scriptie geschreven dat de heilige bron te Mekka oudtijds Ber-seba heette en dat die naam later Zamzam ofwel Zommazin werd. Dit is een klanknabootsend woord, want zamzama beduidt "gonzen"en dat wordt bepaald door het prevelen van de gebeden die worden opgezegd. Hiervan wordt door de Arabieren de naam Zamzam afgeleid, omdat er gebeden bij de bron gepreveld werden. De vraag is slechts wie er dan wel baden en dan lezen we bij Qazwini (Vergelijk Masˇedt II, blz.124) "Zamzam is zo genoemd omdat koning Sapor toen hij de pelgrimstocht naar Mekka deed, bij de bron stond en gebeden prevelde, want zamzama wordt gebruikt door de magi als zij hun gebeden opzeggen, hetgeen zij ook bij het eten doen. Een dichter heeft gezegd "De Perzen (al-Pers) hebben gebeden gepreveld (zamzamath) bij Zamzam; dat was in oeroude tijd" In oude geschriften heeft men met dit woord geen raad geweten, hetgeen uit vele vertalingen blijkt.
Volgens Masˇedt geloven de Perzen, dat zij tot de nakomelingen van Ibrahim (Abraham), de vriend van God, behoren en hun koningen waren gewend zich naar het Mekkaanse heiligdom te begeven om daar de rondgangen te maken uit eerbied voor hun stamvader. De laatste onder hen die de pelgrimstocht deed, was Artaxerxes, de zoon van Babek Eerlijk gezegd vind ik dit erg vreemd en het is met zichzelf in strijd want Artaxerxes, die de laatste pelgrimstocht zou hebben gemaakt, was de eerste der Sassaniden en toch wordt er gezegd dat een van zijn drie opvolgers, die de naam van Sapor droegen die ook heeft gemaakt. Daar klopt geen bal van en ik schrijf dit maar toe aan de ijdelheid van de Arabieren Een feit is wel dat Heber, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalalel met de zijnen het Mekkaanse feest bijwoonden, zoals in het algemeen de Joden die in Arabie woonden, deden. Uit Nehemia blijkt dat zij tot de stam Perez behoorden, d.w.z. tot de alleredelste stam van Juda, waartoe ook David en de verdere koningen behoorden.. Het is dus waar dat de Perez gebeden hebben gepreveld bij Ber-seba of Zamzam, maar de latere Arabieren hebben het woord verkeerd opgevat en aan de Perzen gedacht. Hun ijdelheid werd gestreeld door het denkbeeld dat de oude Perzen bedevaarten naar Mekka gemaakt hadden en de ijdelheid der tot de Islam bekeerde Perzen, die niet voor de Arabieren wilden onderdoen en die ook van Abraham wilden afstammen en wel door Isaak, niet door Ismael, deed het overige. En het ging niet alleen om hun ijdelheid. Ze waren gek genoeg om ook te willen bewijzen, dat reeds hun voorouders gelovigen waren geweest. Van daar dat zij eerst Sasan een bedevaart lieten doen (zoals bij Masoedt) en later ook (zoals bij de jongere Qazwi staat) Artaxerxes en Sapor.
In elk geval geeft het vorenstaande duidelijk aan, dat er ten tijde van Nebukadnezar Joden in Arabie zijn gekomen en wel rechtstreeks uit Judea. Maar bovendien zijn er Joden naar Arabie gekomen die uit Babylonische gevangenschap waren ontsnapt. Arabie gold toenmaals als een veilige schuilplaats.
"De tweede Gorhoem waren Joden, die door de Babyloniers uit Judea gevankelijk waren weggevoerd. Als woonplaats was hun in Babylonie de stad Koeta aangewezen, waar zij samen woonden met Arabieren, die ook door de Babyloniers waren weggevoerd. Samen vluchtten zij naar Mekka waar ze zich konden vestigen, Dat de grote wereldveroveraar Nebukadnezar zal ook Arabie niet ongemoeid gelaten heeft kan nauwelijks in twijfel worden getrokken. Reeds de Assyrische koningen hadden, zoals we o.a.uit de grote inscriptie van Sargon weten, aan Arabische vorsten schattingen opgelegd en zonder veel gewicht te hechten aan de verhalen in het boek Judith omtrent de overwinningen die Nebukadnezar in Arabie behaalde, kan men toch dit alles niet naar het rijk der fabelen verwijzen, want in hoofdzaak wordt zulks bevestigd door Jeremia 49:28. Bij de Arabieren leeft de herinnering aan Nebukadnezar nog voort en zij zien hem als een soort Alexander de Grote of Napoleon I van die tijd, die hun land verwoestte en bewoners in ballingschap wist weg te voeren. Bij hun geschiedschrijvers lezen wij : "Nebukadnezar trok tegen de Arabieren op, zijn ruiters en voetknechten vormden een lijn tussen Aila en Obolla (dus van de Rode Zee af tot aan de Perzische Golf toe) De Arabieren verenigden zich om hem tegenstand te bieden, maar hij sloeg eerst de stam Ailan en dreef vervolgens de overigen op de vlucht. Daarna keerde hij naar Babel terug en dwong de gevangenen te al-Ambar te wonen, waar zij zich met de Nabateers vermengden"(Ibn-Chaldoen HS 1350, II.fol. 105 v.) De stam Ailan was die, waartoe Mohammed en de Qoreisieten behoorden. Er is echter een gezegde van de Kalief Ali bewaard gebleven, dat op een andere stad wijst, namelijk "Aan diegenen die naar onze oorsprong vragen, antwoorden wij "Wij zijn de Nabateers uit Koetha" Men leest dit gezegde bij Qazwini II, blz. 302. ─boe-Amr verhaalt op gezag van Tha'lab, die het had van Ibn-al-Arabi: "Iemand zei tot Alf - God zij hem genadig - Zeg mij, o vorst der gelovigen, welke de oorsprong der uwen, de Qoreisieten is"en hij gaf tot antwoord :" Wij zijn het volk uit Koetha"
Bekend is dat de Qoreisieten uit Koetha gekomen zijn en zich in de omgeving van Mekka gevestigd hebben en dat zal door hetgeen wij over de Gorhoem weten nog worden aangevuld. Dat de Gorhoem Joden waren blijkt reeds uit hun naam en verder uit het getuigenis van de Arabierse schrijvers, die verzekeren dat zij dezelfde godsdienst hadden als de Ismaelieten (dus Simeonieten), de Ibrahim en dat zij met hen verwant waren en eendrachtig samenwerkten. Men mag hen dus als Joden beschouwen en het vervolg zal bewijzen dat daaraan ook niet de minste twijfel kan bestaan, Maar de stelling dat het om Joden gaat, die oorspronkelijk door Nebukadnezar naar Koetha waren gevoerd, eist een uitvoeriger verklaring, zodat we er enige kijk op krijgen hoe die ontwikkeling tot stand gekomen is..
Met het O.T. kunnen wij om dit te bewijzen niets beginnen. Daarin lezen we alleen maar dat de ballingen, waartoe Ezechiel behoorde, aan de rivier Chaboras in Mesopotamie en wel op een plaats die Tel-Abib heette, gevestigd waren, maar daar woonden stellig niet alleen maar joodse ballingen. Ik denk dan aan wat Jehovah bij Ezechiel 20, 34 en 41 zegt "¤k zal u uitvoeren uit de volkeren, en u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt" Hij noemt echter geen landen en volkeren, zodat we niet precies weten waarom het gaat. Maar de maqam Ibrahim kan ons helpen.
Sinds lange tijd besteden de Arabieren aandacht aan de tweede heilige steen, die niet zo heilig is als de zwarte en zij noemen die ńl Maqam" Zij vatten het woord op in de zin van "standplaats van Abraham"zij vertellen dat toen Abraham met Ismael de Mekkaanse Tempel bouwde en de muur zo hoog werd, dat Abraham er niet meer bij kon op een grote steen ging staan, die Ismael voor hem neerlegde en telkens als het nodig was, verplaatst werd. Wij zien dan ook in de twee holten, die in de steen zijn, indrukkingen, waarvan men beweert dat het de sporen van Abrahams voeten zijn. Deze legende pleit wel voor het juiste taalgevoel van de Arabieren, want "maqam"betekent werkelijk " de plaats waar de voeten staan" Maar ik vind niettemin de legende om je een puist te lachen, want de term maqam Ibrahim betekende oudtijds geheel iets anders dan steen. of stenen. Men leest in de Koran 2, 119 "Kiest ergens in de maqam Ibrahim een plaats om te bidden"en in 3, 90 "Wie de maqam, Ibrahim binnen gaat, is veilig"en bij de dichter Aboe-'l-feda lees ik in " Hist.Anteislam "op blz. 186 "Toen zij dronken waren, verkochten de Choza's het huis van God voor een zak vol wijn; voor een geringe prijs hebben wij dus hebbenzij het voorrecht van het bewaken van de tempel verkocht en zij verlieten toen de maqam, de bescherming van het Huis en de volksvergadering In deze plaatsen duidt maqam Ibrahim het gehele heilige Mekkaanse gebied aan, waar niemand mocht worden aangerand en de oude mohammedaanse godsgeleerden kennen die betekenis nog. ─ta zei, dat men onder maqam Ibrahim Arafa, Mozdalia en de plaatsen in de vallei Mina, waar men nog met stenen werpt, moet verstaan.,
Dan is er nog de belachelijke legende dat Ibrahim ofwel Abraham de Mekkaanse Tempel gebouwd zou hebben.Hoe zijn de Qoreisieten aan die Jan Klaassen gekomen? Meestal wordt er beweerd dat zij dit van de Joden hebben gehoord, die in de Romeinse tijd naar Arabie zijn gekomen, maar er bestaat geen joodse legende over Abraham in Arabie. Ik ben er ook niet van overtuigd dat Ibrahim voor de Qoreisieten uitgerekend Abraham moet zijn. Ab in Abraham is vader en het blijft Ab in de Semitische talen. Ik kan geen reden vinden waarom dit in ´b veranderd zou moeten worden en nog minder waarom "ham"in "him"zou moeten worden veranderd Ik denk dat de Arabieren gewoon uit ijdelheid van Abraham hebben willen afstammen., zoals ik al eerder heb opgemerkt.
Maqam is in het Hebreeuws maqom en betekent "plaats"en ik denk dat het woord hier gebruikt wordt om een "heilige plaats"aan te geven.In Jos 24:26 wordt maqom tot miqas, het gewone woord voor heilige plaats. Zo leest men ook Gen. 28,. 10 en 11 "Jakob vertrok uit Ber-seba en ging naar Haran en hij kwam op de maqom en overnachtte aldaar"Ik denk dat hier Beth-el bedoeld wordt en dat men daarom maqom als "heilige plaats"gebruikt heeft. Bij Jeremia 7:12 zegt Jehovah "Ga naar mijn maqom, die te Silo was, waar Ik in den beginne gewoond heb en zie hoe Ik toen gehandeld heb vanwege de boosheid van mijn volk en iets later (vs 14) ╦veneens zal Ik met dit huis enz. en met deze maqom handelen op dezelfde manier, als die Ik aan U en Uw vaderen gegeven heb"In beide plaatsen beduidt maqom "heilige plaats, heiligdom, tempel"en het is synoniem met huis, d.i.tempel. Bij de rabbijnen betekent ha-maqom 'God"De Joden hebben allerlei zonderlinge middelen uitgedacht om dit te verklaren, maar ik dit verband herinner ik eraan, dat de Joden schroomden de eigenlijke naam van God te gebruiken en tot alle mogelijke kronkelingen hun toevlucht hebben genomen. Waarom zou dat niet gedaan zijn met maqom als toch God bedoeld wordt?
Ik wil nog een voorbeeld aanvoeren, waarover ik al eerder in een scriptie heb geschreven.Als in Num 21:3 over de Simeonieten gesproken wordt, heet het": ╦n zij maakten de Kanaanieten en hun steden tot herem en noemden de naam van de maqom Horma"Het gebied dat veroverd was werd maqom, werd horma of herem (beide woorden drukken hetzelfde uit) En dan vergelijken we dit met de woorden van de oude mohammedaanse godgeleerde al-NachaÝ "De maqam Ibrahim is de gehele herem"Ik denk dat het nu wel duidelijk is dat maqam het hebreeuwse woord maqom is en dat het alleen maar heilige plaats of heilige streek kan betekenen.
Vermoedelijk komt de naam Ibrahim van Ibriim, hetgeen ' Hebreeuws " betekent. Als dit later verward wordt met Abraham is dit alleen maar mesjogge. De Qoreisieten wisten in latere tijd niet meer wat de naam "¤briim", die onder hen voortleefde, betekende en toen zij nu van de afstammelingen der Joden, die in de Romeinse tijd met de Pentateuch in Arabie in aanraking gekomen waren, hoorden, dat een groot aantal Arabische volken van Abraham en Ismael afstamden, toen hebben zij gedacht dat Ibriim"Abraham was, hetgeen des te duidelijker is omdat de naam Ismael onder hen niet in de vergetelheid was geraakt Hiervan was het natuurlijke gevolg dat men datgene wat men nog van de Ibriim wist op Abraham werd overgebracht, waarna men de inheemse overleveringen zoveel mogelijk met de verhalen van de Pentateuch, die men van de Joden hoorde in overeenstemming ermee aanvulde..
Dan blijf ik echter nog vies in mijn maag zitten met de malle legende , dat Ibrahim te Koetha in Babylonie geboren is en daar in het vuur is geworpen. Vermoedelijk is die dwaze legende toch van joodse oorsprong. De Joden lazen in Genesis 15:7 " ¤k ben Jehovah die U deed uitgaan uit het Ur der Chaldeeuwen"en omdat het altijd onzeker is geweest waar dat Ur der Chaldeen gezocht moest worden, zo vatte men Ur liever op als een appellativum en zo werd het Řit het vuur der Chaldeeuwen" een nieuw begrip. Zo moet de fabel ontstaan zijn dat Abraham (evenals de drie mannen in Daniel) door de Chaldeeuwen in het vuur, in een brandende kalkoven geworpen was.Maar wat niet joods is, is het verhaal dat dit te Koetha moet zijn gebeurd en dat Ibrahim daar geboren is.. Dit verhaal kan niet van joodse oorsprong zijn, want in het O.T ,omdat daarvoor geen enkele aanleiding toe te vinden. Het is dus stellig een hersenspinsel van de Arabieren. Bovendien is het wel vroeg, reeds voor de Islam, voor het sluiten van de Talmud (500) tot de Babylonische Joden gekomen. In de Babylonische Gemara op het tractaat Baba bathra wordt Ur der Chaldeeuwen geidentificeerd met Koetha, maar het behoeft geen verwondering te wekken, dat de overname van dit arabische verhaal door de Babylonische Joden reeds zo vroeg heeft plaats gehad, want er bestond tussen deze en hun geloofsgenoten in Arabie een levendig handelsverkeer en evenals de Arabische Joden een menige Haggada's van de Babylonische Joden hebben overgenomen, zo hebben ze dit omgekeerd ook gedaan. Maar bij de Joden wil deze traditie geen wortel vatten. Bovendien stuitte het de joden tegen de borst, dat Abraham, een semiet, geboren was in het land Sinear (Babylonie) dat voor Chamitisch gold en ten tweede dat hij zou geboren zijn in de stad waaruit de ketterse door hen zo gehate Samaritanen gekomen waren de zij steeds Koethim noemden Het verhaal past niet in de joodse sagen, want als Ur een appelativum is en vuur betekent, dan is het natuurlijk geen eigennaam en dan valt noch aan Koetha noch aan enige andere plaats te denken. Vandaar ook dat de traditie, na in de Gemara vermeld te zijn, weer spoorloos verdwijnt en tot in de 1`2e eeuw schijnt zij verder in geen enkel Joods boek voor te komen, Zij komt eerst terug door Maimonides, die in het mohammedaanse Cordova geboren was en steeds in mohammedaans landen geleefd heeft.Maimonides vond ze in een Arabisch boek, in de z.g.Nabatese landbouwkunde, een boek dat zich oud presenteert maar dat uit onderzoek is gebleken of verbazend geinterpoleerd of in zijn geheel een product uit het begin van de tiende eeuw te zijn.. Het is niet te verklaren waarom de Arabieren zo hardnekkig vasthouden aan dit kolderverhaal, dat voor hen kennelijk een geloofspunt is. Toen Babylonie aan de Islam onderworpen werd, hield men algemeen de grote ashopen, die bij Koetha rabba lagen voor die van het grote vuur dat voor Ibrahim gestookt was en werd er voor Ibrahim een kapel gebouwd en ofschoon de islamitische schrijvers de verhalen der joden omtrent Abrahams geboorte zeer goed kenden, zo bleven ze zeggen"Volgens de overlevering die het meest gezag heeft was de geboorteplaats van Abraham Koetha in Babylonie Ik heb intussen, zo hoop ik, voldoende aangetoond dat Ibrahim in geen geval Abraham is en aan de andere kant weten we dat de Areosieten die met de Gorhoem in Mekka woonden uit Koetha gekomen zijn. De Arabische legende van Ibrahim is voor de Arabieren een mooi verhaal, voor ons echter onzin!
Volgens de Arabieren schreven de tweede Gorhoem het al-Zeboer, hetgeen psalmboek betekent.Zeber is een psalm en dat het door de Mohammedanen voor het psalmboek gbruikt wordt is een katachrese. In het Arabisch betekent "zeboer"namelijk dat wat geschreven is
De Gorhoem hebben ook opschriften op de steen van de Mekkaanse Tempel gebeiteld.Toen de Qoreisieten in Mohammeds tijd de Tempel herbouwden, vonden zij er vele inscripties, maar zij konden die vreemde karakters niet lezen en al waren zij daartoe in staat geweest, zij zouden toch de taal niet begrepen hebben en zij lieten zich dus wijs maken wat de Arabieren ervan dachten. In de Leidse bibliotheek vond ik een facsimile van een gedeelte van een dier opschriften, namelijk van dat wat op de steen staat, die de maqam Ibrahim genoemd wordt en die voor de Arabieren heilig is; voor de Gorhoem was hij dit zeker niet, want ware hij dat geweest, dan zouden ze er geen opschrift op gebeiteld hebben. Men herinnere zich slechts het voorschrift omtrent de stenen in de Wet (Exod. 20, 25) ─ls gij er uwen beitel over bewogen hebt, zo hebt gij ze ontheiligd"
De maqam Ibrahim is volgens de beschrijving der Arabieren een vierkante steen, veertien duim hoog en veertien duim breed. Hij is zeer broos en men had reeds voorzorgen moeten nemen om hem bij elkaar te houden toen in het jaar der Hegira (A.D. 870) de stadhouder van Mekka, Asli-ibn-al-Hasan, de verantwoordelijkheid voor de steen droeg, die toen uit zeven aan elkaar gevoegde stukken bestond. Bij deze stadhouder bevond zich Fakihi, de schrijver van een lijvige geschiedenis over Mekka, waarvan de Leidsde biblioteek het tweede en laatste deel bezit, het enige dat in Europa voorhanden is. De manier waarop men met de steen te werk ging, is uitvoerig door Fakihi beschreven. Hij vermeldt dat er aan alle kanten opschriften op de steen staan en hij heeft op bevel van de gouverneur van een van die opschriften een fac-simile gemaakt. Het opschrift werd voor Hebreeuws of voor Himjaritisch gehouden, maar verklaren kon men het net, Dit geschiedde late en men las toen op eerste regel "Zie, ik ben God en er is geen God dan Ik"en de tweede " Een koning tegen wie men zich niet verzetten kan", terwijl de derde regel zegt "Cebaot" Het opschrift is stellig Hebreeuws maar zoals Osiander heeft vastgesteld gaat het om variaties zoals de Semitische talen die vroeger kenden, Bij oude opschriften ziet men vaak dat de letters niet altijd aan de Hebreeuwse gelijk zijn, maar soms Medaitisch of Syrisch zijn. Uit welke tijd ons gewone Hebreeuwse schrift is, het z.g. quadraatschrift, is onbekend, althans zeer betwist. Sommige Joden zijn van mening dat het door Ezra is ingevoerd, maar volgens Koppi dat het acht eeuwen jonger is en zou het in de vierde eeuw na Chr.ontstaan zijn. Ik weet het niet en vind het eerlijk gezegd ook niet belangrijk. Vaak behelzen de opschriften feiten uit het optreden van Nebukadnezar tegen de Joden en hun verbanning of wegvoeren. Bijzonderlijk wordt de plaats Nergaldat genoemd waarheen vele Joden gevoerd zijn Nergaldad betekent "door Nergal gegeven"en die stad is dezelfde die later Koetha genoemd wordt .Nergaldad lag in het land der Arameeers en dat zou betekenen dat dit land ook behoorde tot het Rijk van Nebukadnezaar. Uitgesloten is dit beslist niet Tegenwoordig verstaat men onder Aram alleen Syrie en Mespotamie en wordt aan de Arameers helemaal niet gedacht. De God Nergal herinnert aan een Iranische bevolking. Nergal is een Iraanse godheid`en er moeten dus in de stad Koetha vermoedelijk twee volken hebben gewoond, die dan ook verschillende talen zullen hebben gesproken.. Nu weet men dat in Babylonie reeds sedert de verste Oudheid zeer verschillende volkeren zijn samengevloeid. In de hoofdstad Babel was het talenverschil zo groot, dat de bewoners van de ene wijk die van de andere niet verstonden. Dat er in Babel van een babylonische spraakverwarring sprake geweest moet zijn, lijkt mij dus zeer begrijpelijk. In het Boek van de Heilige Kennis komt dan ook een verhaal over zo'n spraakverwarring voor..
Nu acht ik mijn stelling dat de Gorhoem Joden waren, die door de Babyloniers gevankelijk waren weggevoerd naar andere landen voldoende bewezen. De tweede Gorhoem liet de godsdienst bestaan, zoals die was. Zij moesten dit wel doen, daar zij met de eerste Gorhoem samenwoonden, maar als men de religieuze toestand der Joden voor en in de ballingschap nagaat, is dit niet zo bevreemdend. Het was er nog ver van af van de tijd en vereerden die.dat het zuivere Jehovisme de overhand had. Veel Joden waren nog aan de God Baal gebonden. Hoe de Joden dachten kan ook worden afgeleid uit hetgeen het volk zegt, als er gesproken wordt over " In naam van Jehovah,", Het heette dan " Wij willen er niet naar luisteren. Wij zullen doen zoals wij altijd gedaan hebben: Wij zullen Baal en de koningin de hemelen aanbidden, Voor haar zullen wij wieroken, voor haar zullen wij dankoffers plengen, zoals wij en onze vaderen reeds gedaan hebben en onze koningen en aanzienlijken in de steden van Judawen , in de wijken van Jeruzalem. Toen hadden wij brood in overvloed, toen waren wij gelukkig, toen trof ons geen onheil, maar sedert wij opgehouden hebben de koningin de hemelen te bewieroken en dankoffers voor haar te brengen,, sinds die tijd hebben wij aan alles gebrek en zijn wij door het zwaard en de honger verteerd"(Jeremia 44:16/18)
Tot zover mijn onderzoek naar de Gorhoem.
* Maar laten we ons nu nog eens wat dieper in de Gorhoem verdiepen. Om te beginnen hebben we eerst de namen van de koningen der Gorhoem. Waarschijnlijk droegen de bedoelde personen der Hebreeuwen de naam "nasi", hetgeen ÷pperhoofd"betekent, want die titel vind men nog in en vers van een voor-islamitische dichter:
"Onder wiens banier" beduidt "onder wiens bevel", want het opperhoofd droeg gewoonlijk zelf de banier en het woord "nasi"is alleszins gepast, zo heten de Israelitische stamvorsten in de Pentateuch en elders, zo noemt Simon de Makkabeer op zijn munten en zo werd de president van het Sanhedrin betiteld, Maar de Arabieren, die het woord in hun taal niet hebben, hebben het ook in latere tijd niet begrepen. En noch de Joden noch de Arabieren zouden iets begrepen hebben van het woord "nazi"dat in onze tijd een hoogst onaangename klank heeft gekregen. Enfin, de naam van de bedoelde persoon uit de oude tijd is overgegaan op datgene wat hij deed, namelijk op het heilig of niet heilig verklaren der maanden, d.i. op het bepalen in welke maanden gestreden mocht worden en in welke niet en nu hebben de Arabische philologen het woord "nasi"afgeleid van hun werkwoord , dat uitstellen betekent en daarom verklaren zij, geheel ten onrechte en volledig verkeerd, nasi door uitstel.
De lijst der vorsten der Gorhioem, volgens welke alle Europese geleerden hebben gewerkt, staat bij Aboe-'l-feda en Ibn-Chaldoen; beuide schrijvers hebben ze uit Ibn-SaÝd overgenomen en die is
Gorhoem
Abd-Jalil, zijn zoon
Zoon van Abd-Jalil
Abd-al-Masdan
De naam van deze, die een zoon van de voorgaande vorst genoemd wordt, is onzeker; Aboe-'l-feda ; Ibn-Chaldoen heeft om er toch iets op te vinden iets anders van gemaakt en ik weet niet of ik die gekke naam al of niet zal overnemen en laat het dus maar liever blauw-blauw Natuurlijk kan ik vercdr gaan met die geslachtslijst, maar ik vraag me af wie dat eigenlijk interesseerd en welk nut die lijst heeft. Laat ik er dus maar mee ophouden. De schrijver, die ze geeft, Ibn-Sdaid leefde eerst in de 13e eeuw en heeft over de oude geschiedenis van Arabie. Boeken geraadpleegd uit de bibliotheek van Bagdad. In elk geval is de naam van een volk, de Gorhoem, is die van een koning geworden en dat is een verschijnsel zoals men er veel kan vinden in de vaak onnauwkeurige genealogien van de Semieten. Het enige wat die lijst mij zegt, is dat vee namen der oude vorsten in Mekka in herinnering zijn gebleven.
Het is niet onmogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk, dat de Gorhoem die onder de Arabieren leefden uiteindelijk ook Arabische namen hebben aangenomen, evenals de Joden in Egypte en de Joden in Palestina dat gedaan hebben toen zij onder de heerschappij der Seleuciden sstonden, Griekse namen aannamen.. Soms probeert men de Gorhoen met het Christendom te verenigen, maar dat is absoluut uitgesloten Dat op een tempel der Qoreisiten in Mohammeds tijd een beeld van Jezus en de Heilige Maagd op een der pilaren gestaan heeft bewijst niets en ik heb er ook twijfels aan of het om een afbeelding van Jezus en zijn moeder gaat. Ik acht het veel waarschijnlijker dat een of andere lolbroek, die de Oudheid bestudeerde het leuk vond om de beide christelijke figuren in de Mekkaanse wereld te plaatsen
Toen de Arabieren geschiedenis begonnen te schrijven, bestond er omtrent de Gorhoem nog maar een flauwe herinneringen waren de Gorhoem al eigendom der sage geworden en dichters hebben hun verzen in de mond gelegd en oiok al zijn daar zeer goede onder, ze hebben NIETS met de Gorhoem te maken. Och hebben de Arabieren van de laatste Gorhoem een romanesske figuur gemaakt en bovendien de oudste Arabische dichter. Maar de Joden hadden daaraan niet genoeg, ze wilden met alle geweld koningslijsten hebben, waarop de Gorhoem voorkomen. Nu zulke lijsten zijn niet gevonden en hebben vermoedelijk ook nooit bestaan.. Maar het is vrijwel zeker dat de naam Gersom Hebreeuws is, want onder de Hebreeuwen was die naam gewoon en men vindt hem ook dikwijls in het O.T. De oudste zoon van Mozes heette zo. De naam, die ook als gerson geschreven wordt, en die in het Arabisch verworden is tot Gerem c.q. al-Gerem zou een vage herinnering aan Gorhoem kunnen zijn. Uit Exodes 2, 22 zou ik mogen afleiden dat Gesom "vreemdeling"betekent, maar ik persoonlijk neig ertoe het te vertalen door "verdrevene", want in de oude geschiedenis zijn de Joden nogal eens uit het land waar zij woonden letterlijk verdreven en dat had niets met de moord op Jezus te maken, want in die tijd had men van hem nog nooit gehoord . Het verdrijven van Joden als "moordenaars van Jezus"is een van de acties van de Katholieke Kerken dat moeten we goed voor ogen houden. .
De verhalen van de Pentateuch hebben maar een zeer geringe waarde in de zin waarin men veel zaken gewoonlijk opvat. In de tijd dat de Pentateuch geschreven werd, wist men nog maar weinig meer van Mozes en onder het weinige dat men wist, was nog het een en ander dat men maar liever niet gebruiken wilde, omdat het niet kon dienen tot stichting en opbouw van de gemeente van de uit Babylonie teruggekeerden. Wel hebben die verhalen enige waarde voor de geschiedenis van de tijd na de ballingschap. Ze zijn evenwel met een bepaald doel geschreven met het oog op de nieuwe gemeente die men aan het vormen was. Dat doel is nooit voldoende uitgepluisd en daarvan zou best nog eens een studie gemaakt kunnen worden Het lijkt mij trouwens een mooi en boeiend onderwerp en misschien begin ik er nog eens aan. Een der verhalen" staat met dit onderwerp in verband. Ik bedoel datgene wat men kan vinden in Num. 11, 16-30. Daar lezen we dat Jehovah aan Mozes bevel gaf, zeventig mensen uit de oudsten van Israel te verzamelen; dan zou Jehovah nederdalen en iets van de geest, die op Mozes lag, op hen leggen, opdat zij met hem de last zouden dragen, die hij tot dat moment alleen had moetn dragen.Mozes deed zoals hem bevolen was en Jehovah daalde neer in een wolk (anan - de rook van het altaar) en sprak tot hem. Hij zonderde af van de geest, die op hem was en gaf dat door aan de zeventig oudsten en het geschiedde, als de geest op hen rustte, da t zij als profeten spraken, maar na die tijd niet meer
Het is een merkwaardig verhaal. Het staat geheel op zichzelf. Nergens elders wordt er over die Raad van zeventig, die Mozes terzijde stond, gesproken en eerlijk gezegd is dat toch wel zonderling. Het valt ook moeilijk te geloven als een ware gebeurtenis, maar ja, dat is nu eenmaal eigen aan alles wat men geloven moet.
Volgens een ander verhaal in Exodus (18, 21-26) had Mozes, op aanraden van Jethro, een groot aantal helpers benoemd en die over het volk gesteld als oversten der duizenden, der honderden, der vijftigen en der tienen. Zij moesten hem bij de rechtspleging bijstaan en over alle geringere zaken zelf beslissen. Men ziet dat dit iets anders is dan de Raad der Zeventig. "Van die Raad", zegt Knobe, "weten de oudste verhalers niets. Bij de Jehovist namelijk verschijnen steeds de twaalf stamvorsten aan de zijde van Mozes en Aaron en later van Josua en Eleasar. In de legerplaats en op de tocht staan zij aan het hoofd der stammen (Num 2:3 vv, 10, 14 vv) vertegenwoordigen ook het volk in gewichtige aangelegenheden (17.21), brengen geschenken tot inwijding van het heiligdom (7, 2 vv) en ondersteunen Mozes en Aaron bij de volksmonstering (1m4\, 16, 44, 4 34, 46) zij helpen Eleasar en Josua bij de verdeling van het land (32, 28, 34, 1 vv Jos 14:1, 17:4, 19, 51,, 21:1) Ook Jos. 22, 14, 30, 3232 zien zij vorsten naar het aantal der stammen.
"Het verhaal in Num.11 moet dus al veel later geschreven zijn en als we willen weten wanneer en waarom het ontstaan is, dan wijzen ons de Talmudisten wel de weg. Zij zijn van oordeel dat in het bedoelde stuk het ontstaan van het Sanhedrin verhaald wordt. Het zijn goocheme jongens gewist, die deze oplossing gevonden hebben. Het kan trouwens best zijn dat de Raad der Zeventig tot op de ballingschap bestaan heeft en na het einde der ballingschap door Ezra hersteld is, want in de gehele tijd van Mozes tot op de ballingschap vindt men van dit college geen spoor. De Raad der Zeventig, die tegelijkertijd een senaas en een gerechtshof was, besliste over staatszaken, zoals over oorlog en vrede en die, eer hij onder de Griekse heerschappij de naam van synedrion (waarvan Sanhedrin de bedorven uitspraak is) aannam, waarschijnlijk de naam "de Oudsten des Volks"droeg, zoals Num.11:16 dat vertelt, want in het eerste boek der Makkabeen (12::35) weer de Raad der Zeventig. Toch past de Raad der Zeventig niet in een Aziatische monarchie, maar alleen in een oligarchise republiek, zoals de Joodse Staat na de ballingschap was en die is dan ook in die tijd ontstaan. Men moet dus, zoals eigenlijk altijd, de mening der Talmudisten met het nodige zout aannemen en als men dat doet, dan verklaart zij het verhaal in Num.11, dat anders zo vreemd klinkt, omdat het met de overige berichten van de Pentateuch in strijd is. Het is na de terugkeer uit de ballingschap opgesteld, met het bepaalde doel om het Sanhedrin voor te stellen als een oeroud, door Jehovah zelf ingesteld college, het is om zo te zeggen de goddelijke wijding van het Sanhedrin. De overeenkomst is treffend. Het bestond uit 70 leden en een president, die niet onder dat getal begrepen was, evenmin als Mozes dat was onder het getal der zeventig oudsten en toch waren de attributen hetzelfde zoals de Talmudisten doen uitkomen. De Talmudisten hebben overal waar zij konden het Sanhedrin uit de oudere geschiedenis overgedragen en met macht bekleed. Als wij dus in het verhaal van Numeri een product uit de tijd van de ballingschap aannemen, dan is het vervolg daarvan voor ons doel zeer belangrijk.Wij lezen dan het volgende (vs. 26-30).
"Doch twee mannen waren achtergebleven in het leger; de naam van een van hen was Eldad en de naam van de ander Modad. En de geest rustte op hen. Zij nu waren onder de opgeschrevenen, maar zij waren niet uitgegaan naar de tent en zij spraken als profeten in het leger. En de jongelingen liepen, en boodschapten aan Mozes en zeiden: "Eldad en Modad spreken als profeten in het leger"Toen antwoordde Josua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes van zijn jeugd af aan, en zei "Mozes, mijn Heer, houd hen daarvan terug!"" Doch Mozes zeide tot hem "IJvert gij voor mij? Ach, dat al het volk van Jehovah profeten waren, dat Jehovah zijn geest op hen gaf! "En Mozes begaf zich naar het leger, hij en de Oudsten van Israel.
"Vergelijkt men dit zonderlinge verhaal met het vorige en vraagt men zich dan af of het van dezelfde opsteller afkomstig is, dan moet als men goed opgelet heeft, het antwoord ontkennend uitvallen. Het is met het vorige bepaald in tegenspraak. Volgens het vorige toch moest Mozes zeventig Oudsten uitkiezen - zeventig en niet meer. Hij doet dat, brengt er zeventig bijeen en Jehova "zonderde af van de geest, die op Mozes was en gaf die op de zeventig Oudsten "In het tweede verhaal daarentegen zijn er, behalve de zeventig, nog twee anderen "die onder de opgeschrevenen waren, maar niet uitgegaan waren naar de tent. "Hoe kan dat? Had Mozes dan, tegen het uitdrukkelijke bevel van Jehovah in, niet zeventig Oudsten opgeschreven`, maar twee-en-zeventig? Dit kan ik onmogelijk aannemen, maar het kan wel de bedoeling van de Joodse schrijver zijn geweest die zijn persoonlijke mening tot geschiedenis wilde maken. Het zou een voorvader van Pronk geweest kunnen zijn, want die koestert ook zulke ambities. De rabbijnen hebben dus Mozes voorgesteld als een overtreder van het gebod van Jehovah en evenmin hebben de rabbijnen iets gesnapt van de getallen 70 en 72 en ze hebben tot wonderlijke middelen hun toevlucht moeten nemen om een gammele sluitende verklaring te vinden. Voor mij staat het vast dat het verschillende schrijvers geweest zijn en ik zou daarvoor nog meer bewijzen kunnen aanvoeren, maar als ik dat doe wordt mijn scriptie een boek en dat is niet de bedoeling.
Ik zou ook nog kunnen uitzoeken wie Eldad en Modad geweest kunnen zijn, maar het lijkt mij niet zo belangrijk. Toch is volgens mij Modad niemand anders dan de Mekkaanse Modadh. In Numeri komt hij voor als profeet, die evenwel niet bij de andere profeten is. Dat karakter heeft ook de Mekkaanse Modadh in de Arabische overlevering. In zijn tijd, zo berichten zij, bedreven de Gorhoem allerlei kwaad. Zij plunderden en mishandelden de vreemdelingen, die op het heilige gebied kwamen, maakten zich schuldig aan heiligschennis, stalen zelfs de tempelschat.Hij vermaande en waarschuwde hen telkens. Telkens predikte hij en hij bedreigde het volk met ondergang als men zich niet beterde. Maar het volk wilde niet naar hem luisteren en volhardde in het kwaad totdat het eindelijk, zoals Modadh voorspelde had met de ondergang bestraft werd. Hij was dus een kennelijk een boeteprediker en een fervent Jehovist, want anders had Numeri hem niet hoffelijk vermeld. De naam Mekka is bij de verhalen over hem bewaard gebleven.Modadh komt in de eerste tijdperken van de Gorhoem voor als de schoonvader van Ismael of als het hoofd van de Gorhoem toen zij zich voor het eerst rond Mekka vestigden. Ook worden er twee koningen onder de naam Modadh ten tonele gevoerd evenals koningen der Gorhoem. Geen touw aan vast te knopen. In dit verband is het goed op te merken dat Popper het overtuigende bewijs heeft geleverd dat drie of zelfs vijf hoofdstukken van de Pentateuch eerst omtrent 260 na Chr. ingevoegd zijn. En Mozes is beslist niet de schrijver van de Pentateuch geweest. De Thora, de Wet, draagt geen naam van een auteur, zoals ook Renan zeer duidelijk onderstreept. Modadh is trouwens een naam die uitsluitend en alleen onder Gorhoem aangetroffen wordt. Over Eldad heb ik niets kunnen vinden, hij behoort in geen geval tot enige Mekkaanse bron. *
De Gorhoem hebben tijdens hun verblijf in Babylonie kennelijk ook Chaldeeuwse woorden overgenomen. In een eerdere scriptie heb ik gesproken over de put, de kuil, de ber, waarboven het beeld van Hobal stond en die de tempelschat bevatte. De naam van die put was achsaf en de Arabieren noemden hem ook zo. Het woord is niet Arabisch en behoort tot een andere Semietische taal.Achsaf beduidt tegenwoordig in het Arabisch iemand die krom loopt en schurft heeft en van enig verband met de bedoelde put is geen sprake meer. In het Aramees beduidt Achsaf aarden pot en daaruit mogen we afleiden dat de Gorhoem de tempelschat de pot ofwel de spaarpot noemden.
Hoe de Joden voor de ballingschap hun tijdrekening kenden, is niet meer na te gaan en over de tijdrekening van de Arabieren uit die tijd bestaat nogal wat onzekerheid. Bij de Israelieten werden de vijf eerste dagen van de week door getallen aangeduid en de zesde heette "aroeba", de vooravond van de Sabbath en de zevende was uiteraard Sabbath. Dezelfde namen vinden wij bij de Makkanen voor Mohammed, en Arabieren gebruiken ze nog, behalve dan dat de vrijdag thans anders heet. Als men bedenkt dat de namen van de dagen der week bij alle volkeren uiterst stabiel zijn - de Germaanse en Romaanse volkeren hebben daarvoor altijd, niettegenstaande hun overgang tot het Christendom, de oude heidense namen gebruikt - dan zal men zeker in de namen der dagen bij het Mekkaanse bondgenootschap geen navolging van de Joden zien, die in de Romeinse tijd in Arabie waren, maar oude benamingen, die van de tweede Gorhoem afkomstig waren of misschien zelfs nog van de oorspronkelijke Simeonieten. De vraag in hoe verre de Sabbath ten tijde van Mohammed nog een heilige dag was kan niet met zekerheid beantwoord worden. Er zijn evenwel plaatsen die doen vermoeden dat men zich de heiligheid van die dag nog herinnerde Zo zei Aboe-Horeira " ─ls ik een Mekkaan was, dan zou ik iedere Sabbath naar de moskee van Mina gaan"De Qoreisieten waren een allesbehalve godsdienstig volk en zij hadden weinig of niets met kerkelijke plechtigheden op en al was de Sabbath geeerbiedigd, eerst door de Gorhoem, toen door de Choza's die hen verdrongen, zo mag men niet aannemen dat ook de Qoreisieten toen zij eindelijk op hun beurt heer en meester in Mekka waren geworden de Sabbath nog in acht namen. Touwens bij de Joden zelf dagtekent de stipte viering van de Sabbath eerst van veel latere tijd.Jesaja hecht er niet aan (1:13), eerst door de profeten der ballingschap, Ezechiel en de tweede Jesaja wordt de sabbathviering als het eigenlijke kenmerk van de vrome Israeliet beschouwd en het duurde nog erg lang voor het volk dit beginsel overnam. In de dagen van Nehemia deed iedereen op Sabbath nog zijn gewone werk en het zou mij dus niet verbazen als ook de Gorhoem het met de Sabbath niet zo nauw hebben genomen.
Wat wel opvalt is de grote overeenkomst tussen de reinheidswetten der Joden en die reeds voor Mohammed onder de Arabieren bestonden en door hem bekrachtigd zijn. Ook het voorschrift dat geen bloed en geen lijk bij de tempel mocht zijn, komt overeen met de Joodse wet. Zelfs een menstruerende vrouw mocht de tempel niet naderen. Het gold toen zelfs voor schandelijk om twee zusters tot vrouwen te hebben. Men leest in Levit 18:18 "Gij zult geen vrouw en haar zuster tegelijk in huwelijk nemen "Mohammed bevestigde die wet, die reeds onder de Arabieren bestond en die met zekerheid van de Gorhoem afkomstig is, want aanvankelijk bestond ze onder de Arabieren niet. Bij de Hodes of Hadas die ten noorden van Medina woonden was die wet totaal onbekend.
Mohammed had wel gelijk toen hij beweerde dat de oude godsdienst ten tijde der Choza's totaal bedorven was. Onder de Mekkaanse afgoden bevonden zich twee stenen die Isaf en Naila genoemd werden. Isaf was een man een Naila een vrouw en beide behoorden tot de Gorhoem en pleegden in de tempel ontucht. Tot straf voor die zonde werden zij in stenen beelden veranderd. Men plaatste die stenen buiten de tempel als afschrikwekkend voorbeeld, maar in latere tijd gaf de vorst der Choza's, Amr-ibn-Lohei bevel ze als goden te vereren, hetgeen men deed. De stenen hebben ook genealogien gekregen want dat is nu eenmaal een stokpaardje van de Arabieren. Daaruit gingen godgeleerden later afleiden dat deze afgoden op de sterrendienst moesten worden terug gevoerd, hetgeen evenwel lariekoek is. Naila, is de dochter van dik (dat is haan) en dat herinnert eraan dat men in de oudheid geloofde dat de haan onder bijzondere invloed van de zon stond. En dan vergelijkt men de mythe van Adonis en Aphrodite en zegt men dat Naila de kussende beduidt en wat dies meer zij.
Men weet dat Mohammed's grootvader, Abd-al-mottalib de heilige bron Zamzam weer opgegraven heeft en eer hij dat deed was evenwel de plaats waar Zamzam geweest was, onbekend. Het heet dat Abd-al-mottalib in een droom aanwijzing kreeg waar hij moest graven, maar het is aannemelijker dat hij een der Gorhoem heeft geraadpleegd, die na hun verdrijving ten zuiden van Mekka in Jemen woonden, want die wisten natuurlijk exact waar de bron gezocht moest worden. De Gorhoem had hem stellig gezegd dat hij tussen drek en bloed moest zoeken en dus ging hij graven tussen de twee stenen isaf en naila. Bloed en drek houden verband met de geofferde dieren der Gorhoem, de feres en de dam. Zie Levit 16:27, Num. 19:5 enz. en vgl.Maleachi 2:3. Het Hebreeuwse woord isaf of asaf betekende bij de Gorhoem mesthoop. Het idee van de vuilnis- of mesthoop heeft nog te maken met de verachting voor mensen die hun gevoeg in de tempel deden.
Hoe de Choza's erbij kwamen om de stenen beelden of steenhopen te gaan aanbidden is alleen maar verklaarbaar uit het feit dat ze in Levitische zin rein waren, maar de Choza's begrepen niet waarom zij dit waren en omdat ze gewoon waren stenen te aanbidden hadden ze er weinig moeite mee de beide stenen te aanbidden. Bovendien kon men met een beetje fantasie menselijke gedaanten in de stenen zien. Bewijzen dat het vaak voorkwam in de oudheid dat stenen gemetamorphiseerde mensen waren kunnen bij dozijnen genoemd worden. De twee bergen in het gebied van de stam Tai, Aga en Selma waren ook een man en een vrouw, drie rotsblokken niet ver van Medina heetten vrouwen en in twee stalichiten van de hoge bergen aan de Dode Zee zagen de Israelieten de vrouw van Lot, die in een zoutpilaar veranderd was.
Tot slot wil ik nog een punt bespreken dat niet alleen de Hebreeuwse oorsprong van de Godhoem bewijst,, maar ook hun geschiedenis opheldert. Er wordt in de oude Mekkaanse geschiedenis gesproken van een persoon, die coefah of cofeh genoemd werd. Vaussin de Perceval heeft die naam vertaald met "vlok wol"en dat betekent het in het Arabisch ook inderdaad. Maar vlok wol is wel een gekke naam, niemand zal dat ontkennen. De zaak wordt nog gekker als men bij Ibn-Hiram leest dat het een titel was, die van vader op zoon overging en later dat die naam een heel geslacht, resp. een klasse van ambtenaren aanduidde. Het woord is niet Arabisch en als de Arabieren het al gebruiken dan bedoelen ze daarmee "wachter". De cofeh waren bij de Gorhoem inderdaad de bewakers van de tempel en zij waren het ook die de plechtigheden van het grote feest regelden. Zij waren dus wel degelijk kerkelijke beambten. Deze waardigheid was aanvankelijk voorbehouden aan de Gorhoem en in latere tijd is het op een geslacht overgegaan dat van moederszijde tot de Gorhoem behoorde en van vaderszijde tot de Choza's. De Gorhoem zijn eeuwenlang in het ongestoorde bezit van het heilige gebied geweest. Eerst hebben zij dit moeten delen met de Simeonieten, maar die schijnen langzamerhand met de Gorhoem te zijn samengesmolten. Zo bleven de Gorhoems op het heilige gebied totdat de stam Choza's, die, nadat de dijk van Marab doorgebroken was, met vele anderen uit Jemen noordwaarts was getrokken en bij het heilige gebied aankwam. De bedoelde emigratie moet hebben plaats gehad in het begin van de tweede eeuw na Chr. Aanvankelijk hielden zij zich in de buurt van het heilige gebied op en pas de tweede generatie kwam in de nabijheid der Gorhoem en eiste van hen afstand te doen van het vlakke land. Toen hun dit geweigerd werd, was het vechten geblazen en de Gorhoem dierven het onderspit. De Gorhoem moesten vluchten en zochten elders een nieuw bestaan en hun versmelting met andere stammen ging toen in sneltreinvaart. En sinds dat gebeuren is er over de Gorhoem nagenoeg niets meer te vinden.